Cameratoezicht in een burengeschil: beveiligingsbelang begrensd door privacy
Rb. Overijssel 25 februari 2026, IT&R 5127; ECLI:NL:RBOVE:2026:1222 ([eiser] tegen [gedaagden]). In dit kort geding beoordeelt de voorzieningenrechter of vier door gedaagden geplaatste camera’s een onrechtmatige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van hun buurvrouw. Daarbij stelt de rechter voorop dat een eigenaar in beginsel camera’s mag plaatsen ter beveiliging van de eigen woning en het eigen perceel, maar dat dit recht wordt begrensd zodra ook de achtertuin van een ander of een groot deel van de openbare weg in beeld komt. Per camera moet daarom worden beoordeeld of sprake is van een privacy-inbreuk en, zo ja, of daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. De camera aan de achterzijde van de woning hoeft niet te worden verwijderd, omdat vaststaat dat deze door de verhoogde schutting de tuin van eiseres niet langer filmt en onvoldoende aannemelijk is dat zij alsnog het openbare achterpad registreert. De beveiligingscamera aan de voorzijde mag blijven hangen, maar moet wel aantoonbaar zo worden gepositioneerd dat uitsluitend het eigen perceel wordt gefilmd, omdat voldoende aannemelijk is dat deze anders ook de openbare weg in beeld brengt. De deurbelcamera aan de voorzijde moet worden verwijderd, omdat voldoende aannemelijk is dat deze een deel van de openbare stoep filmt, terwijl gedaagden onvoldoende onderbouwen dat die inbreuk noodzakelijk is of niet op een minder ingrijpende wijze kan worden voorkomen. Aan beide veroordelingen verbindt de voorzieningenrechter een gematigde dwangsom.