DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IT 5145

Geen rechtsgeldige ontbinding van overeenkomst tot appontwikkeling wegens ontbreken fatale termijn

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 aug 2025, IT 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-rechtsgeldige-ontbinding-van-overeenkomst-tot-appontwikkeling-wegens-ontbreken-fatale-termijn

Hof 's-Hertogenbosch 19 augustus 2025, IT&R 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler). In dit hoger beroep stond een overeenkomst centraal waarbij [X B.V.] aan Myler Media B.V. opdracht had gegeven een app en een cms te ontwikkelen voor een digitale restaurantgids met een in-app purchase-model. In het vooraf opgestelde plan van aanpak was als “target date” of gewenste releasedatum 26 maart 2020 genoemd, maar partijen waren het erover eens dat daarmee géén fatale termijn was overeengekomen. Na de start van het project op 5 november 2019 volgde intensief overleg over ontwikkeling, planning en inhoud van de app. [X B.V.] schoof de beoogde releasedatum later zelf op naar 19 april 2020 en legde op 6 februari 2020 per e-mail vast dat op 27 februari een eerste testversie gereed zou zijn, dat eventuele technische en inhoudelijke aanpassingen daarna “zo spoedig mogelijk” zouden worden verwerkt en dat men “alles op alles” zou zetten om de app bij voorkeur uiterlijk 3 maart 2020 bij Apple aan te leveren. Myler reageerde daarop dat geen garanties konden worden gegeven voor een volledig crashvrije app. Nadat op 27 februari 2020 een testversie was gepresenteerd, meende [X B.V.] dat nog verschillende gebreken bestonden. Op 29 februari 2020 beëindigde zij de samenwerking, onder meer nadat was gebleken dat de testversie per ongeluk in de Google Play Store was geplaatst, en op 3 maart 2020 stelde zij Myler alsnog een laatste termijn tot 10 maart 2020 om de app volledig af te ronden, op straffe van buitengerechtelijke ontbinding. Myler betwistte dat zij tekortgeschoten was, reageerde inhoudelijk op de lijst met openstaande punten en wees erop dat voor afronding nog input, keuzes en toegang van [X B.V.] nodig waren. Nadat die uitbleven, ontbond Myler op 26 mei 2020 de overeenkomst partieel voor zover het de nog uit te voeren werkzaamheden betrof en vorderde zij betaling van het resterende loon. De rechtbank had geoordeeld dat de ontbinding door [X B.V.] geen werking had en dat de partiële ontbinding door Myler wel rechtsgeldig was; in hoger beroep bestreed [X B.V.] dat met onder meer grieven over ontbinding, zorgplichtschending, onjuiste advisering, dwaling, bedrog en onrechtmatige daad.

IT 5144

IT-leverancier moet BC-project hervatten en opleveren; opschorting wegens openstaande facturen faalt

Rechtbank Noord-Holland 24 dec 2025, IT 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS), https://itenrecht.nl/artikelen/it-leverancier-moet-bc-project-hervatten-en-opleveren-opschorting-wegens-openstaande-facturen-faalt

Rb. Noord-Holland 24 december 2025, IT&R 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS). In dit kort geding tussen De Nederlandse Fashion Support B.V. en Dynamic Hosting Services B.V. (DHS) stond een in mei 2023 gesloten opdrachtovereenkomst centraal, op grond waarvan DHS de bestaande logistieke processen van De Nederlandse, die waren ondergebracht in het systeem Fashion Partner en in Exact, moest overbrengen naar Dynamics 365 Business Central (BC) en moest uitbreiden met de benodigde WMS-functionaliteit. Oorspronkelijk was voorzien dat het project in december 2023 zou worden opgeleverd zodat het per 1 januari 2024 operationeel zou zijn, bij een indicatief budget van € 77.300 exclusief btw op basis van nacalculatie, maar die planning werd niet gehaald. Nadat partijen in september en oktober 2024 opnieuw afspraken hadden gemaakt over de nog uit te voeren werkzaamheden en de verdeling van de aanvullende kosten, liet De Nederlandse uitdrukkelijk weten dat BC uiterlijk per 1 januari 2025 operationeel moest zijn omdat de bestaande leverancier Insys zijn ondersteuning zou beëindigen; ook die datum werd niet gehaald. Vervolgens werden nieuwe tijdelijke oplossingen gezocht, terwijl DHS uiteindelijk haar werkzaamheden opschortte wegens onbetaald gelaten facturen van in totaal € 6.300. In het geding vorderde De Nederlandse onder meer onmiddellijke hervatting van de werkzaamheden, behoorlijke oplevering van het BC-project inclusief training van personeel, en afgifte van de broncode en het functioneel ontwerpdocument van BC; daarnaast vorderde zij ook voorzieningen met betrekking tot een eerder door zustervennootschap DSS geleverde Sorter. DHS voerde daartegen aan dat geen fatale oplevertermijn was overeengekomen, dat de vertraging mede aan De Nederlandse te wijten was omdat zij als voorzitter van de stuurgroep onvoldoende regie zou hebben gevoerd, en dat zij haar werkzaamheden mocht opschorten wegens de openstaande facturen.

IT 5143

A-G: cassatieberoep in IT-implementatiegeschil faalt wegens schending onderzoeks- en waarschuwingsplicht

Hoge Raad 16 jan 2026, IT 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/a-g-cassatieberoep-in-it-implementatiegeschil-faalt-wegens-schending-onderzoeks-en-waarschuwingsplicht

Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2026, IT&R 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.). Deze conclusie betreft een cassatieprocedure in een IT-implementatiegeschil tussen GAC, als professionele IT-leverancier, en Verano c.s., die haar bestaande systeem wilde vervangen door een nieuw ERP-systeem. Het hof had de rechtsverhouding gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, zodat op GAC de maatstaf van art. 7:401 BW rustte: zij moest handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Tegen die achtergrond oordeelde het hof dat GAC in het voortraject onvoldoende onderzoek had gedaan naar de organisatie en behoeften van Verano c.s. en evenmin voldoende had gewaarschuwd voor de gevolgen daarvan, terwijl dat gebrek aan onderzoek en waarschuwing wél doorwerkte in de verwachtingen die GAC bij Verano c.s. had gewekt over de implementatie van de standaardsoftware en de te verwachten omvang van meer- en maatwerk. Daarbij was van bijzonder belang dat GAC zelf had aangevoerd dat een zogeheten “Diagnose” juist bedoeld was om de benodigde software, kosten en implementatieduur beter in kaart te brengen, maar dat die Diagnose niet is uitgevoerd. Volgens het hof had GAC dat, gelet op haar professionele positie en het complexe karakter van het project, niet zonder meer mogen laten passeren zonder duidelijk te maken dat zij dan niet over de vereiste informatie beschikte. Op die grond kwam het hof tot het oordeel dat GAC was tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst; niet omdat de software als zodanig ondeugdelijk was gebleken, maar omdat GAC haar onderzoeks- en waarschuwingsplicht had geschonden ten aanzien van de geschiktheid van de oplossing en de te verwachten kosten van het benodigde meerwerk.

IT 5141

Exoneratiebeding van softwareontwikkelaar houdt stand na verwijzing naar schadestaat

Rechtbank Gelderland 23 jul 2025, IT 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists ), https://itenrecht.nl/artikelen/exoneratiebeding-van-softwareontwikkelaar-houdt-stand-na-verwijzing-naar-schadestaat

Rb. Gelderland 23 juli 2025, IT&R 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists). In deze procedure stond vast dat Media Artists tegenover Primedinners aansprakelijk was wegens tekortkoming in de nakoming van een samenwerkingsovereenkomst uit 2017 over de ontwikkeling van websites, een app en een softwareplatform; dat was reeds bindend beslist in eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had geoordeeld dat partijen, in afwijking van de algemene voorwaarden, fatale oplevertermijnen waren overeengekomen, dat Media Artists die termijnen had overschreden en daardoor van rechtswege in verzuim was geraakt, en dat Primedinners de overeenkomst daarom op 23 november 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden. Omdat de schade nog niet kon worden begroot, had het hof de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure en daarbij overwogen dat een beroep van Media Artists op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden in die procedure moest worden beoordeeld. In de onderhavige bodemprocedure vorderde Primedinners vervolgens een verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van Media Artists niet op grond van dat beding was uitgesloten of beperkt. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van Media Artists: de verwijzing door het hof naar de schadestaatprocedure was geen bindende eindbeslissing over een geschilpunt tussen partijen, zodat Primedinners het geschil over het exoneratiebeding ook in deze afzonderlijke procedure aan de rechtbank kon voorleggen. Eveneens oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden van Media Artists op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn, nu dat punt door het hof reeds was beslist en dus gezag van gewijsde heeft; het enkele feit dat partijen later van art. 2.2 van die voorwaarden zijn afgeweken, betekent niet dat de algemene voorwaarden als geheel buiten toepassing zijn geraakt.

IT 5142

Onvoorwaardelijke marketingovereenkomst aangenomen; algemene voorwaarden vernietigd wegens gebrekkige elektronische toegankelijkheid

Rechtbank Amsterdam 12 nov 2025, IT 5142; ECLI:NL:RBAMS:2025:9157 (Nailbar tegen The Next Ad), https://itenrecht.nl/artikelen/onvoorwaardelijke-marketingovereenkomst-aangenomen-algemene-voorwaarden-vernietigd-wegens-gebrekkige-elektronische-toegankelijkheid

Rb. Amsterdam 12 november 2025, IT&R 5142; ECLI:NL:RBAMS:2025:9157 (Nailbar tegen The Next Ad). In deze procedure stonden Nailbar B.V. en haar bestuurder tegenover The Next Ad B.V., een digital-marketingbureau waarmee Nailbar in november 2023 een overeenkomst had gesloten voor het ontwikkelen, publiceren, optimaliseren en beheren van Google-advertentiecampagnes. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de samenwerking zou starten bij de livegang van een nieuwe website, maar nadat Nailbar zelf had aangedrongen op een eerdere aanvang, hebben partijen in een addendum de ingangsdatum vervroegd naar 14 december 2023, zonder daarbij een opschortende voorwaarde op te nemen. Nailbar stelde in conventie dat daarom geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen en vorderde onder meer een verklaring voor recht, terugbetaling van betaalde facturen en schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel tekortkoming. De rechtbank verwerpt dat betoog met toepassing van art. 6:217 BW, art. 3:37 BW en de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Uit de verklaringen en gedragingen van partijen volgt volgens de rechtbank dat wél een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten: Nailbar wilde zelf eerder starten, het addendum bevatte geen voorbehoud ten aanzien van de nieuwe website, The Next Ad is vervolgens met haar werkzaamheden begonnen en Nailbar heeft de facturen gedurende langere tijd voldaan. Ook de inhoudelijke verwijten treffen geen doel. De rechtbank oordeelt dat The Next Ad niet verantwoordelijk was voor eventuele gebreken aan de nieuwe website, omdat daarvoor een afzonderlijke overeenkomst met een andere partij gold; dat een door The Next Ad geïntroduceerde derde die website bouwde, maakt dat niet anders. Evenmin is komen vast te staan dat The Next Ad tekort is geschoten in de uitvoering van de marketingovereenkomst: zij had haar werkzaamheden met maandrapportages voldoende onderbouwd, de keuze om op Google in te zetten was in overleg gemaakt, omzet- en bezoekersdalingen bewijzen zonder overeengekomen resultaatsverbintenis geen tekortkoming, en ook de tijdelijke blokkade van het Google-account en de gestelde onjuiste voorstelling over de hoedanigheid van een derde leiden niet tot aansprakelijkheid. De vorderingen van Nailbar in conventie worden daarom integraal afgewezen.

IT 5136

Geen aansprakelijkheid nieuwe ICT-leverancier voor gestelde dataverliezen na overstap

Gerechtshof Amsterdam 10 mrt 2026, IT 5136; ECLI:NL:GHAMS:2026:595 ([appellant] tegen OfficeGrip), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-aansprakelijkheid-nieuwe-ict-leverancier-voor-gestelde-dataverliezen-na-overstap

Hof Amsterdam 10 maart 2026, IT&R 5136; ECLI:NL:GHAMS:2026:595 ([appellant] tegen OfficeGrip). In dit arrest van het Gerechtshof Amsterdam staat de vraag centraal of OfficeGrip, als nieuwe ICT-leverancier van [appellant], aansprakelijk is voor schade die zou zijn ontstaan door verlies van data na de overstap van de oude ICT-leverancier [bedrijf 2] naar OfficeGrip. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat OfficeGrip niet aansprakelijk is. Doorslaggevend is dat datamigratie geen onderdeel van de opdracht was. Uit de op 11 juni 2019 ondertekende offerte volgt namelijk dat de datamigratietool op nul stond en dus geen deel uitmaakte van de overeenkomst; ook mailboxmigratie maakte bij het aangaan van de overeenkomst niet zonder meer deel uit van de opdracht. Dat in de offerte en latere correspondentie wel over “migratie” werd gesproken, maakt dat volgens het hof niet anders, omdat die term daar zag op migratie in algemene zin of op mailboxstructuren, en niet op het overzetten van alle bestaande data. Integendeel: uit de e-mails van 21, 25 en 26 juni 2019 blijkt juist dat [appellant] de data die “mee moest” zelf diende te kopiëren naar de tijdelijke SharePoint-back-upsite die OfficeGrip had ingericht. Daarmee faalt het kernverwijt dat OfficeGrip contractueel verantwoordelijk was voor het veiligstellen en migreren van alle data.

IT 5130

Streamingabonnement als dienst: herroepingsrecht en vergoeding bij video‑on‑demand

HvJ EU 26 feb 2026, IT 5130; ECLI:EU:C:2026:115 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation), https://itenrecht.nl/artikelen/streamingabonnement-als-dienst-herroepingsrecht-en-vergoeding-bij-video-on-demand

Conclusie A-G 26 februari 2026, IT&R 5130; ECLI:EU:C:2026:115 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation). De zaak C‑234/25 betreft een geschil tussen een Oostenrijkse aanbieder van een streamingdienst (Sky Österreich Fernsehen) en een consument over de vraag of een abonnement op een video‑on‑demand‑/streamingdienst moet worden gekwalificeerd als “digitale inhoud” of als een “dienst” in de zin van de Richtlijn consumentenrechten 2011/83/EU, en wat daarvan de gevolgen zijn voor het herroepingsrecht en de eventuele vergoeding bij uitoefening daarvan. Feitelijk gaat het om een consument die een streamingabonnement heeft afgesloten voor toegang tot audiovisuele content, waarbij hij binnen de herroepingstermijn gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht, terwijl de dienst al (volledig en doorlopend) beschikbaar was gesteld; de handelaar stelde zich op het standpunt dat sprake was van “digitale inhoud” en dat, gelet op de aanvang en (nagenoeg) volledige uitvoering van de prestatie, het herroepingsrecht was komen te vervallen en/of dat de consument een vergoeding verschuldigd was voor de reeds genoten toegang. Het Oberste Gerichtshof heeft de behandeling geschorst en een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld over de kwalificatie van een dergelijke streamingdienst en over de wijze waarop artikel 14, lid 3, en artikel 16, onder m), van Richtlijn 2011/83 moeten worden uitgelegd in dit soort situaties. In de kern is de vordering van de consument erop gericht om kosteloze ontbinding (herroeping) en terugbetaling van de gedane betalingen te verkrijgen, terwijl de handelaar juist vergoeding voor de reeds verleende prestatie en/of bevestiging van het verval van het herroepingsrecht nastreeft.

IT 5105

Uitspraak ingezonden door Veerle van Druenen, Kennedy van der Laan

ICT-dienstverlener Hallo NL niet aansprakelijk voor ontbrekende back-ups na servercrash

Gerechtshof Amsterdam 3 feb 2026, IT 5105; 200.350.343/01 (Hallo NL tegen Blok), https://itenrecht.nl/artikelen/ict-dienstverlener-hallo-nl-niet-aansprakelijk-voor-ontbrekende-back-ups-na-servercrash

Hof Amsterdam 3 februari 2026, IT 5105; 200.350.343/01 (Hallo NL tegen Blok). Tussen partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten over het beheer van ICT-infrastructuur van de vestigingen van Blok. In het kader van die opdracht is aan Hallo NL opdracht geven regelmatig cloud back-ups te maken van de servers. In 2022 is een overeenkomst gesloten voor een upgrade van de server waarop een essentiële applicatie draait, omdat de nieuwe versie van die applicatie, die door een derde partij geleverd en geïnstalleerd zou worden, meer ruimte nodig had en daarom niet op de oude server kon draaien. In 2024 is de nieuwe server gecrasht, waarna bleek dat na 2022 geen cloud back-ups meer waren gemaakt van de nieuwe server. Blok stelt dat Hallo NL daarmee toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en houdt haar aansprakelijk voor de schade die zij als gevolg van het ontbreken van die cloud back-ups heeft geleden en nog zal lijden. Zij vordert in kort geding vergoeding van die schade bij wijze van een voorschot, en zegt daarbij een spoedeisend belang te hebben [IT 4694]. Volgens Hallo NL is de vordering onvoldoende aannemelijk, omdat zij niet is tekortgeschoten en bovendien een beroep kan doen op een aantal exoneraties in de algemene voorwaarden.  

IT 5076

Traag softwaresysteem, geen tekortkoming maar wel opzegging van servicecontracten

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 okt 2025, IT 5076; ECLI:NL:RBZWB:2025:7993 (Agro IT tegen [b.v.]), https://itenrecht.nl/artikelen/traag-softwaresysteem-geen-tekortkoming-maar-wel-opzegging-van-servicecontracten

Rb. Zeeland-West-Brabant 29 oktober 2025, IT 5076; ECLI:NL:RBZWB:2025:7993 (Agro IT tegen [b.v.]). In dit vonnis staat een geschil centraal tussen Agro IT B.V. en Van Dal B.V. over de levering van softwarelicenties, consultancy en hardware. Agro IT vordert betaling van openstaande facturen; Van Dal stelt dat het geleverde softwaresysteem onaanvaardbaar traag was, dat Agro IT is tekortgeschoten en dat de overeenkomst daarom rechtsgeldig is ontbonden, met terugbetalingsverplichtingen tot gevolg. De kantonrechter oordeelt dat weliswaar vaststaat dat het nieuwe systeem trager werkte dan het eerdere systeem van Agro IT, maar dat Van Dal onvoldoende heeft onderbouwd dat deze traagheid het gevolg is van een gebrek in de door Agro IT geleverde prestatie. Nu geen tekortkoming is bewezen (art. 6:265 BW), is van een rechtsgeldige ontbinding geen sprake en worden de reconventionele vorderingen tot ontbinding en terugbetaling afgewezen. Van Dal moet het openstaande deel van de licentievergoeding (€ 6.000) voldoen, vermeerderd met rente en kosten.

IT 5075

Betaling licentievergoeding en zorgplicht bij verwijdering van klantdata na einde softwareovereenkomst

Rechtbank Overijssel 24 dec 2025, IT 5075; ECLI:NL:RBOVE:2025:7687 (Booking tegen Groepen), https://itenrecht.nl/artikelen/betaling-licentievergoeding-en-zorgplicht-bij-verwijdering-van-klantdata-na-einde-softwareovereenkomst

Rb. Overijssel 24 december 2025, IT 5075; ECLI:NL:RBOVE:2025:7687 (Booking tegen Groepen). In dit vonnis staat een geschil centraal tussen Booking Experts B.V. en Centrum voor Groepsaccommodaties B.V. (Groepen.nl) over de afwikkeling van een licentieovereenkomst voor een online reserveringssysteem. Booking vordert in conventie betaling van de laatste factuur over maart 2024 (€ 27.846,60 incl. btw). De rechtbank oordeelt dat vaststaat dat de diensten zijn geleverd en dat de factuur opeisbaar is. Het beroep van Groepen op opschorting en verrekening faalt, omdat deze bevoegdheden in de toepasselijke algemene voorwaarden contractueel zijn uitgesloten en geen sprake is van consumentenbescherming of reflexwerking in deze B2B-verhouding. De vordering in conventie wordt daarom toegewezen, inclusief contractuele rente (2% per maand) en buitengerechtelijke incassokosten.