DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IT 5565

IT-dienstverlener aansprakelijk voor ransomware-schade wegens onvoldoende beveiliging

Rechtbank Amsterdam 14 nov 2018, IT 5565; ECLI:NL:RBAMS:2018:10124 (O'Cliance tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/it-dienstverlener-aansprakelijk-voor-ransomware-schade-wegens-onvoldoende-beveiliging

Rb. Amsterdam 14 november 2018, IT 5565; ECLI:NL:RBAMS:2018:10124 (O'Cliance tegen [gedaagde]). O’Cliance had [gedaagde], een IT-dienstverlener, opdracht gegeven een volledige IT-infrastructuur aan te leggen en vervolgens op afroep te beheren en onderhouden. Nadat hackers via ransomware toegang hadden gekregen tot het netwerk en zowel bestanden op de server als back-upbestanden hadden versleuteld, stelde O’Cliance [gedaagde] aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat de opdracht tot levering van een totaalpakket mede inhield dat [gedaagde] voor een adequate beveiliging van het netwerk moest zorgen. Het netwerk was echter zonder firewall en zonder externe back-upstructuur ingericht. Ook als O’Cliance bepaalde beveiligingsmaatregelen vanwege de kosten had afgewezen, mocht [gedaagde] daar als professionele IT-deskundige niet zonder meer in berusten. Hij had de opdracht moeten weigeren, alternatieven moeten aandragen of O’Cliance ten minste indringend en herhaaldelijk voor de risico’s moeten waarschuwen. Dat O’Cliance zelf over enige IT-kennis beschikte, ontsloeg hem niet van die verantwoordelijkheid. Omdat onvoldoende is gebleken dat hij meer heeft gedaan dan een enkele waarschuwing geven, is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst.

IT 5553

Juridische uitlegkwesties over earn-out vallen niet onder reikwijdte bindendadviesprocedure

Rechtbank Rotterdam 23 sep 2026, IT 5553; ECLI:NL:RBROT:2026:12508 ([bedrijf] tegen Manus, Grant Thornton c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/juridische-uitlegkwesties-over-earn-out-vallen-niet-onder-reikwijdte-bindendadviesprocedure

Rb. Rotterdam 23 september 2026, IT 5553; ECLI:NL:RBROT:2026:12508 ([bedrijf] tegen Manus, Grant Thornton c.s.). Manus heeft alle aandelen in M&I Broadcast Services van [bedrijf] gekocht. De koopprijs bestond uit een vaste koopprijs van ongeveer € 7 miljoen en een Earn Out Payment van maximaal € 3 miljoen. Nadat partijen het niet eens werden over de berekening van de earn-out, hebben zij [naam adviseur] van Grant Thornton als bindend adviseur ingeschakeld. Nadat een concept bindend advies was uitgebracht, stelde Manus zich op het standpunt dat de adviseur buiten zijn opdracht was getreden doordat hij bepalingen uit de Share Purchase Agreement (SPA) juridisch had uitgelegd. Manus beëindigde daarop de bindendadviesprocedure en startte een arbitrageprocedure bij het NAI. [bedrijf] vordert in kort geding onder meer dat Manus de opschortings- en beëindigingsverklaringen intrekt en meewerkt aan voortzetting van de bindendadviesprocedure en dat Grant Thornton c.s. die procedure hervatten. Hoewel het geschil tussen [bedrijf] en Manus onder het arbitragebeding in de SPA valt, acht de voorzieningenrechter zich op grond van art. 1022c Rv absoluut bevoegd. De gevorderde voorzieningen richten zich namelijk ook tegen Grant Thornton c.s., die niet aan het arbitragebeding zijn gebonden. Omdat de vorderingen nauw met elkaar samenhangen en niet goed kunnen worden gesplitst, kan [bedrijf] in arbitrage niet dezelfde beslissingen verkrijgen als in dit kort geding.

IT 5550

Vattenfall mag terugleverkosten niet eenzijdig invoeren zonder contractuele grondslag

Rechtbank Amsterdam 25 sep 2026, IT 5550; ECLI:NL:RBAMS:2026:9661 ([eisende partij] tegen Vattenfall), https://itenrecht.nl/artikelen/vattenfall-mag-terugleverkosten-niet-eenzijdig-invoeren-zonder-contractuele-grondslag

Rb. Amsterdam 25 september 2026, IT 5550; ECLI:NL:RBAMS:2026:9661 ([eisende partij] tegen Vattenfall). De kantonrechter oordeelt dat Vattenfall bij deze consument niet eenzijdig terugleverkosten in rekening mag brengen. De overeenkomst op grond waarvan de consument sinds 2020 elektriciteit uit zonnepanelen aan Vattenfall teruglevert, is een zelfstandige overeenkomst naast de leveringsovereenkomst. De Algemene Voorwaarden 2017 zijn daarop niet van toepassing. In de terugleveringsovereenkomst is uitsluitend bepaald dat de consument een vergoeding ontvangt voor de teruggeleverde elektriciteit. Over terugleverkosten of een bevoegdheid van Vattenfall om later nieuwe kostencomponenten toe te voegen is niets overeengekomen. Als professionele partij had Vattenfall die mogelijkheid in de overeenkomst moeten opnemen of toepasselijke algemene voorwaarden met een wijzigingsmogelijkheid moeten overeenkomen. Dat de hoogte van de terugleververgoeding kon wijzigen, betekent volgens de kantonrechter niet dat de consument ook rekening hoefde te houden met een wijziging van de prijsstructuur waarbij hij voor het terugleveren juist kosten verschuldigd zou worden.

IT 5534

Onvoldoende onderbouwing softwareverplichtingen leidt tot afwijzing wederzijdse vorderingen

Rechtbank Overijssel 9 sep 2026, IT 5534; ECLI:NL:RBOVE:2026:5571 (TJ tegen Carsub), https://itenrecht.nl/artikelen/onvoldoende-onderbouwing-softwareverplichtingen-leidt-tot-afwijzing-wederzijdse-vorderingen

Rb. Overijssel 9 september 2026, IT 5534; ECLI:NL:RBOVE:2026:5571 (TJ tegen Carsub). Tomorrow’s Journey Ltd. (TJ), eigenaar van het JRNY-softwareplatform, en Carsub B.V. sloten op 24 januari 2024 een softwareovereenkomst met daarbij een Statement of Work en een Service Level Agreement. Carsub betaalde een eenmalige custom development fee van £ 10.000 en vervolgens een maandelijkse licentievergoeding van £ 2.500. Vanaf februari 2025 stopte Carsub met betalen, omdat het platform volgens haar niet voldeed aan de gemaakte afspraken en niet geschikt was voor haar bedrijfsvoering met flexibele autoabonnementen. TJ vorderde betaling van de achterstallige en resterende licentievergoedingen, contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst deze vorderingen af. Uit de Statement of Work leidt de rechtbank af dat TJ zich tot méér had verplicht dan alleen toegang geven tot het standaard JRNY-platform: daarin worden onder meer de ontwikkeling van een volledig abonnementsplatform en verschillende maatwerkaanpassingen genoemd. TJ heeft echter onvoldoende concreet gesteld welke verplichtingen precies op haar rustten, welk maatwerk zij moest leveren en in hoeverre zij die verplichtingen is nagekomen. Op grond van art. 150 Rv rustte op TJ de stelplicht en bewijslast van de feiten waarop haar betalingsvorderingen waren gebaseerd. Omdat zij haar stellingen onvoldoende had onderbouwd, kan de rechtbank niet vaststellen dat TJ haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen en dat Carsub daarom gehouden was de gevorderde licentievergoedingen te betalen.

IT 5532

Gebruik energienetwerk zonder leverancierscontract leidt tot ongerechtvaardigde verrijking

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 aug 2026, IT 5532; ECLI:NL:RBZWB:2026:8462 (Enexis tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/gebruik-energienetwerk-zonder-leverancierscontract-leidt-tot-ongerechtvaardigde-verrijking

Rb. Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2026, IT 5532; ECLI:NL:RBZWB:2026:8462 (Enexis tegen [gedaagde]). [gedaagde] heeft in de periode van 6 februari 2024 tot 10 april 2024 op haar adres energie afgenomen zonder dat zij een leveringsovereenkomst met een energieleverancier had. Zij heeft in die periode niet betaald voor het energieverbruik, de aansluiting, het transport van energie en het gebruik van de meetinstallatie. Enexis vorderde daarom € 1.480,97 op grond van onder meer ongerechtvaardigde verrijking. De kantonrechter stelt voorop dat op grond van art. 6:212 lid 1 BW degene die zonder redelijke grond is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is de schade van die ander te vergoeden voor zover dat redelijk is. Enexis is volgens de kantonrechter verarmd doordat voor het energieverbruik, de transport- en aansluitkosten en het gebruik van de meetinstallatie geen vergoeding is ontvangen, terwijl [gedaagde] is verrijkt doordat zij daarvan gebruik heeft gemaakt zonder ervoor te betalen. Het verweer dat het door Enexis berekende verbruik niet juist was, slaagt niet. Enexis heeft toegelicht dat het verbruik is vastgesteld aan de hand van het verschil tussen de eindmeterstanden van de eerdere energieleverancier en de beginmeterstanden van de daaropvolgende leverancier. Omdat op het adres een slimme meter aanwezig was, betrof dit volgens Enexis het werkelijke verbruik en geen schatting. [gedaagde] heeft vervolgens onvoldoende onderbouwd waarom het aldus vastgestelde verbruik toch onjuist zou zijn.

IT 5531

Geen recht op administratoraccount tijdens lopende ICT-overeenkomst en geen toewijzing geldvorderingen ICT-dienstverlener

Rechtbank Gelderland 8 sep 2026, IT 5531; ECLI:NL:RBGEL:2026:6919 (De Variabele tegen MTJ), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-recht-op-administratoraccount-tijdens-lopende-ict-overeenkomst-en-geen-toewijzing-geldvorderingen-ict-dienstverlener

Rb. Gelderland 8 september 2026, IT 5531; ECLI:NL:RBGEL:2026:6919 (De Variabele tegen MTJ). De Variabele en ICT-dienstverlener MoreThanJust (MTJ) hebben in mei 2025 de overeenkomst ‘De Moderne Werkplek’ gesloten, op grond waarvan MTJ de ICT-omgeving van De Variabele opnieuw zou inrichten en deze vervolgens gedurende 36 maanden zou beheren en beveiligen. Nadat De Variabele onderdeel was geworden van de OMDUS-groep wilde zij haar ICT-infrastructuur binnen de groep harmoniseren en verlangde zij van MTJ onder meer toegang tot een Global Administrator-account, zodat haar nieuwe ICT-dienstverlener de migratie naar een gezamenlijke omgeving kon voorbereiden. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overeenkomst niet volgt dat MTJ tijdens de looptijd verplicht is administratorrechten te verstrekken. Dat volgt evenmin uit de aard of strekking van de overeenkomst, omdat De Variabele het beheer en de beveiliging van haar ICT-omgeving voor de overeengekomen periode juist aan MTJ heeft uitbesteed. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat De Variabele eigenaar is van de betreffende gegevens en op grond van art. 5:2 BW in beginsel bevoegd is de feitelijke macht daarover terug te eisen, wordt ook de daarop gebaseerde vordering afgewezen. Onbeperkte toegang voor een derde zou het voor MTJ moeilijk maken om storingen en beveiligingslekken te herleiden en haar contractuele verantwoordelijkheid voor beheer en beveiliging te dragen. Volgens de voorzieningenrechter zou verstrekking van een Global Administrator-account alleen mogelijk zijn indien De Variabele MTJ volledig vrijwaart voor de daarmee samenhangende risico’s; een volledige migratie vormt een alternatief, maar daarop waren de vorderingen niet gericht. Ook het beroep van De Variabele op haar verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG leidt niet tot toewijzing, omdat niet is gebleken dat zij zonder administratorrechten niet aan die verplichtingen kan voldoen. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen.

IT 5509

Hof Amsterdam: blokkering softwaresystemen levert voorshands wanprestatie en persoonlijke onrechtmatige daad op

Gerechtshof Amsterdam 4 sep 2026, IT 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]), https://itenrecht.nl/artikelen/hof-amsterdam-blokkering-softwaresystemen-levert-voorshands-wanprestatie-en-persoonlijke-onrechtmatige-daad-op

Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23808; 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]). Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Hof Amsterdam in kort geding een geschil over een samenwerking voor de distributie en verdere ontwikkeling van software voor identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. Het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd en gaat voor de contractuele vordering tegen [appellant 1] uit van Nederlands recht, omdat de rechtsverhouding voorshands als distributieovereenkomst moet worden gekwalificeerd; een gestelde rechtskeuze voor Amerikaans recht is onvoldoende aannemelijk. Ook op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [appellant 2] is Nederlands recht van toepassing. Het hof gaat bovendien uit van het vereiste spoedeisend belang. Voldoende aannemelijk is dat partijen een langdurige duurovereenkomst waren aangegaan en dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen schond door de overeenkomst met slechts een termijn van een week te beëindigen en [geïntimeerde] de toegang tot haar systemen te ontzeggen. De blokkades belemmerden [geïntimeerde] ernstig in haar bedrijfsvoering. Het hof acht daarom voorshands sprake van wanprestatie door [appellant 1]. Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van [appellant 2] bij de blokkades en zijn feitelijke invloed op de bedrijfsvoering van [appellant 1], acht het hof tevens voldoende aannemelijk dat hij persoonlijk onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Het geschil over het auteursrecht op de verder ontwikkelde “+software” geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

IT 5504

Zuyderland kon softwarelicentie niet per 29 oktober 2025 beëindigen

Rechtbank Limburg 12 aug 2026, IT 5504; ECLI:NL:RBLIM:2026:8059 (Logis.P tegen Zuyderland), https://itenrecht.nl/artikelen/zuyderland-kon-softwarelicentie-niet-per-29-oktober-2025-beeindigen

Rb. Limburg 12 augustus 2026, IT 5504; ECLI:NL:RBLIM:2026:8059 (Logis.P tegen Zuyderland). Logis.P en Zuyderland sloten in oktober 2020 een overeenkomst voor de gefaseerde implementatie van een digitaal aanmeld- en registratiesysteem voor patiënten, bestaande uit onder meer hardware, softwarelicenties, koppelingen met het EPD en aanvullende diensten. Tussen partijen stond vast dat voor de software een minimale contractduur van vijf jaar gold, maar zij verschilden van mening over de aanvang daarvan. Zuyderland meende dat de looptijd op 29 oktober 2020, de datum van ondertekening, was begonnen en zegde de overeenkomst daarom op tegen 29 oktober 2025. Logis.P stelde dat de licentietermijn pas op 1 april 2021 was aangevangen. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst veeleer als een raamovereenkomst dan als één integrale duurovereenkomst. Voor verschillende onderdelen waren nadere overeenkomsten voorzien en ook voor de softwarelicentie was oorspronkelijk een afzonderlijke licentie- en onderhoudsovereenkomst beoogd, die uiteindelijk niet afzonderlijk is ondertekend. Uit de tekst van de overeenkomst, waarin staat dat het softwareabonnement na installatie en vervolgens maandelijks vooruit wordt gefactureerd, in samenhang met de feitelijke uitvoering, volgt volgens de rechtbank dat partijen de aanvang van de minimale contractduur hebben gekoppeld aan de installatie van de software en de daaropvolgende facturering. Nu de eerste licentiekosten per 1 april 2021 in rekening zijn gebracht, is de minimale looptijd op die datum aangevangen.

IT 5476

Contractuele klachttermijn van 30 dagen staat beroep op gebreken in fitnessapp in de weg

Rechtbank Amsterdam 8 jul 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/contractuele-klachttermijn-van-30-dagen-staat-beroep-op-gebreken-in-fitnessapp-in-de-weg

Rb. Amsterdam 8 juli 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]). De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [gedaagde] de openstaande facturen voor de ontwikkeling van een fitnessapp moet betalen, ondanks zijn stelling dat de app gebrekkig is en [eiser] hem bij het sluiten van de overeenkomst heeft misleid over zijn expertise. Partijen sloten op 22 juni 2024 een overeenkomst van opdracht voor de ontwikkeling van de app. De overeengekomen prijs bedroeg € 40.000 exclusief btw, waarop [eiser] een korting van € 10.000 gaf in ruil voor 10% van de aandelen in de onderneming van [gedaagde]. De helft van de prijs werd vooraf betaald en de andere helft was bij oplevering verschuldigd. De overeenkomst bevatte daarnaast een klachttermijn van 30 dagen. De app werd in december 2024 in gebruik genomen en [gedaagde] liet op 14 januari 2025 weten dat [eiser] de tweede factuur kon sturen. Die factuur bleef onbetaald. Nadat de aandelenoverdracht uitbleef, bracht [eiser] ook het eerder verleende kortingsbedrag in rekening en vorderde hij in totaal € 30.250. [gedaagde] stelde daartegenover dat de app niet aan de afgesproken functionaliteiten voldeed en dat [eiser] zich ten onrechte als specialist in generatieve kunstmatige intelligentie en ervaren softwareontwikkelaar had gepresenteerd. Hij vorderde daarom ontbinding of vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van € 18.150 en schadevergoeding. 

IT 5470

Voorschot schadevergoeding na servercrash afgewezen door beroep op exoneratiebeding

Gerechtshof Amsterdam 3 feb 2026, IT 5470; ECLI:NL:GHAMS:2026:275 (Hallo NL tegen Blok), https://itenrecht.nl/artikelen/voorschot-schadevergoeding-na-servercrash-afgewezen-door-beroep-op-exoneratiebeding

Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, IT 5470; ECLI:NL:GHAMS:2026:275 (Hallo NL tegen Blok). Blok heeft Hallo NL ingeschakeld voor het beheer van haar ICT-infrastructuur, waaronder het maken van cloudback-ups van een aantal servers. In 2022 werd de server waarop het voor de bedrijfsvoering essentiële ERP-systeem Bemet draaide vervangen door een nieuwe server. Toen deze server in oktober 2024 crashte, bleek dat daarvan sinds 2022 geen cloudback-ups waren gemaakt. Blok stelt dat Hallo NL daarmee toerekenbaar is tekortgeschoten en vordert in kort geding een voorschot op haar schadevergoeding. De voorzieningenrechter nam voorlopig aan dat Hallo NL tekort was geschoten en wees een groot deel van het gevorderde voorschot toe. Hallo NL gaat daartegen in hoger beroep. Zij betwist dat zij verplicht was de nieuwe server uit eigen beweging aan het back-upsysteem toe te voegen en beroept zich daarnaast op de exoneratiebedingen in art. 16 van de toepasselijke NL ICT-voorwaarden.