DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

IT 5343

Rechtbank verwerpt vrijwel alle ontvankelijkheidsverweren in collectieve DSA-procedure tegen X Corp c.s.

Rechtbank Amsterdam 7 jul 2026,, IT 5343; ECLI:NL:RBAMS:2026:6440 (SOMI tegen X Corp c.s), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-verwerpt-vrijwel-alle-ontvankelijkheidsverweren-in-collectieve-dsa-procedure-tegen-x-corp-c-s

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IT&Recht 5343; ECLI:NL:RBAMS:2026:6440 (SOMI tegen X Corp c.s). In deze zaak tussen belangenorganisatie SOMI (Stichting Onderzoek Marktinformatie) en X Corp c.s. (X Corp, XIUC en Twitter Netherlands) draait het om de ontvankelijkheid van een collectieve actie over onder meer gestelde AVG-schendingen, datalekken, ongeoorloofde microtargeting en schending van verplichtingen uit de Digital Services Act (DSA). SOMI vertegenwoordigt ruim 51.000 deelnemers en zegt op te komen voor ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het X-platform. De rechtbank verklaart zich internationaal en relatief bevoegd, ook ten aanzien van de buitenlandse vennootschappen binnen het X-concern. Volgens X Corp c.s. voldoet SOMI niet aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. Ook stellen zij dat verschillende onderdelen van de vorderingen op voorhand geen kans van slagen hebben. De rechtbank volgt die verweren vrijwel niet en wijst ook de verzoeken om de procedure aan te houden af. Alleen over het waarborgvereiste wil de rechtbank meer informatie, in het bijzonder over de financiering van de procedure en de vraag of de zeggenschap daarover daadwerkelijk bij SOMI ligt. De rechtbank kent daarbij veel gewicht toe aan het feit dat SOMI eerder is aangewezen als representatieve organisatie voor grensoverschrijdende collectieve vorderingen. Daarom gaat zij ervan uit dat SOMI aan de eisen voldoet waarop die aanwijzing is gebaseerd, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding geven daar anders over te oordelen. Volgens de rechtbank hebben X Corp c.s. daarvoor op de meeste punten onvoldoende aangevoerd. Dat geldt ook voor de bezwaren tegen de governance van SOMI. De rechtbank twijfelt niet aan het ontbreken van een winstoogmerk bij de bestuurders, de inspraakmogelijkheden voor deelnemers, de transparantie van de website, de onafhankelijkheid van de financiering of de deskundigheid van het bestuur en de raad van toezicht. Ook het feit dat SOMI gebruikmaakt van diensten van ondernemingen die zijn gelieerd aan haar bestuurder betekent volgens de rechtbank niet dat de belangen van de achterban onvoldoende zijn gewaarborgd. De resterende twijfel gaat vooral over de complexe financieringsstructuur met schenkingen en certificaten en de vraag of SOMI daarin de zeggenschap over de procedure behoudt. Daarom moet SOMI alsnog onderbouwen dat zij over voldoende financiële middelen beschikt en dat de zeggenschap over de procedure daadwerkelijk bij haar ligt. Pas daarna beslist de rechtbank of ook aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a BW is voldaan.

IT 5342

Rb. Zeeland-West-Brabant: inspanningsverplichting online marketing leidt niet tot garantie op betere vindbaarheid

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 jul 2026,, IT 5342; ECLI:NL:RBZWB:2026:5145 (PlantBezorgd tegen RB-Media), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-zeeland-west-brabant-inspanningsverplichting-online-marketing-leidt-niet-tot-garantie-op-betere-vindbaarheid

Rb. Zeeland-West-Brabant 3 juni 2026, IT&Recht 5342; ECLI:NL:RBZWB:2026:5145 (PlantBezorgd tegen RB-Media). In deze zaak tussen PlantBezorgd en RB-Media staat de vraag centraal of RB-Media bij de uitvoering van een overeenkomst van opdracht voor online marketingwerkzaamheden is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en haar zorg- en informatieplicht heeft geschonden. PlantBezorgd stelt dat RB-Media gedurende langere tijd nauwelijks werkzaamheden heeft verricht, waardoor de online vindbaarheid van haar webshop sterk is afgenomen en schade is ontstaan. De rechtbank oordeelt dat PlantBezorgd haar verwijten onvoldoende heeft onderbouwd en wijst alle vorderingen af. PlantBezorgd exploiteert een webshop voor planten en aanverwante artikelen en heeft RB-Media in 2022 ingeschakeld om haar online vindbaarheid te verbeteren. Partijen kwamen overeen dat RB-Media vanaf 2023 maandelijks 24 uur zou besteden aan online marketingwerkzaamheden, verdeeld over Google Ads (SEA), zoekmachineoptimalisatie (SEO), conversieoptimalisatie (CRO) en werkzaamheden voor een specifieke campagne. Daarbij was uitdrukkelijk afgesproken dat de uren flexibel konden worden ingezet wanneer ontwikkelingen in de markt daartoe aanleiding gaven. Nadat PlantBezorgd begin 2025 door een derde was gewezen op een volgens haar sterk afgenomen SEO-vindbaarheid, zegde zij de overeenkomst op en stelde zij RB-Media aansprakelijk voor de gestelde schade. Volgens PlantBezorgd had RB-Media de overeengekomen werkzaamheden feitelijk niet uitgevoerd. Zij voerde aan dat uit de wijzigingsgeschiedenis van het Google Ads-account bleek dat nauwelijks SEA-werkzaamheden waren verricht, dat via de Wayback Machine nauwelijks SEO-aanpassingen aan de website zichtbaar waren en dat vrijwel geen CRO-werkzaamheden waren uitgevoerd. Daarnaast stelde PlantBezorgd dat RB-Media haar onvoldoende had geïnformeerd over de teruglopende online vindbaarheid en haar als deskundige had moeten waarschuwen voor de tegenvallende resultaten. Zij vorderde onder meer terugbetaling van betaalde facturen, vergoeding van gederfde winst, extra marketingkosten en onderzoekskosten. RB-Media betwistte dat zij haar verplichtingen niet was nagekomen. Volgens haar gold slechts een inspanningsverplichting en niet een resultaatverplichting, omdat de online vindbaarheid afhankelijk is van talrijke factoren die grotendeels buiten haar invloedssfeer liggen, zoals algoritme-updates van Google en de technische prestaties van de website. Verder stelde RB-Media dat de overeengekomen uren wel degelijk waren besteed, onder meer aan werkzaamheden die niet zichtbaar worden in de wijzigingsgeschiedenis van Google Ads, zoals data-analyses, feedmanagement, strategieontwikkeling en werkzaamheden met externe tools.

IT 5341

Rb. Zeeland-West-Brabant acht zich bevoegd in internationale crypto boilerroomzaak

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 jul 2026,, IT 5341; ECLI:N:RBZWB:2026:5959 (Kyrrex tegen [persoon]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-zeeland-west-brabant-acht-zich-bevoegd-in-internationale-crypto-boilerroomzaak

Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juni 2026, IT&Recht 5341; ECLI:N:RBZWB:2026:5959 (Kyrrex tegen [persoon]). In deze zaak tussen Kyrrex en [persoon] staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft kennis te nemen van een vordering wegens vermeende betrokkenheid bij internationale crypto boilerroomfraude en, indien dat het geval is, of de zaak wegens samenhang moet worden verwezen naar de rechtbank Den Haag, waar al vergelijkbare procedures tegen Kyrrex aanhangig zijn. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat zij op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv rechtsmacht heeft en ziet geen aanleiding de zaak naar de rechtbank Den Haag te verwijzen. [persoon] stelt dat hij slachtoffer is geworden van crypto boilerroomfraude waarbij meerdere aan Kyrrex gelieerde vennootschappen betrokken zouden zijn. Naast Kyrrex UK Ltd. zijn volgens hem ook andere vennootschappen uit onder meer Cyprus, Malta en St. Vincent & The Grenadines bij de fraude betrokken. Kyrrex voert in een incident aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, omdat de onderneming in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, geen activiteiten in Nederland verricht, niet operationeel is wegens het ontbreken van een vergunning en zich nooit op de Nederlandse markt heeft gericht. Volgens Kyrrex biedt de enkele omstandigheid dat de gestelde financiële schade zich op een Nederlandse bankrekening heeft voorgedaan onvoldoende aanknopingspunten voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Subsidiair verzoekt Kyrrex verwijzing naar de rechtbank Den Haag, waar reeds ongeveer twintig vergelijkbare procedures tegen haar lopen. De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid moet beoordelen aan de hand van artikel 6, aanhef en onder e Rv, dat rechtsmacht toekent wanneer het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich daar kan voordoen. Zij acht zich bevoegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de bankrekening waarvan gelden zijn verdwenen in Nederland wordt aangehouden, dat de vermogensvermindering zich in Nederland heeft voorgedaan en dat [persoon] in Nederland woont. Volgens de rechtbank is de schade daarmee in Nederland geleden. De rechtbank verwerpt tevens het betoog dat Kyrrex zich niet op de Nederlandse markt zou hebben gericht. Volgens de rechtbank wordt die stelling weersproken door het relatief grote aantal Nederlandse benadeelden dat zich inmiddels heeft gemeld.

IT 5329

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

Gerechtshof Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5329; De Telegraaf tegen FIO (De Telegraaf tegen FIO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bekrachtigt-rectificatie-wegens-onrechtmatige-column-over-vermeende-hamas-relatie-fio

Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT&Recht 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.

IT 5327

Artikel 196 Rv biedt Dynamiet toegang tot Google-gegevens over zoekresultaten

Rechtbank Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/artikel-196-rv-biedt-dynamiet-toegang-tot-google-gegevens-over-zoekresultaten

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IT&Recht 5327; ECLI:NL:RBAMS:2026:6091 (Dynamiet tegen Google). In deze zaak tussen Dynamiet en Google (Google Netherlands en Google Ireland) staat de vraag centraal of Dynamiet op grond van artikel 196 Rv inzage kan verkrijgen in gegevens waarover Google beschikt met betrekking tot maatregelen die de zichtbaarheid van haar website in Google Search tussen februari en april 2025 hebben beïnvloed. Dynamiet wil deze informatie gebruiken om haar rechtspositie te bepalen en te beoordelen of aanleiding bestaat een civielrechtelijke procedure tegen Google te starten. De rechtbank wijst het verzoek grotendeels toe. De rechtbank stelt haar internationale bevoegdheid vast op grond van Brussel I-bis en oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is. Dynamiet exploiteert een website waarop consumenten informatie kunnen vinden over het terugvorderen van verliezen bij aanbieders van online kansspelen en verleent daarnaast juridische dienstverlening aan consumenten die dergelijke vorderingen willen instellen. Volgens Dynamiet is de vindbaarheid van haar website en een aantal specifieke webpagina's begin 2025 aanzienlijk afgenomen. Nadat een eerder kort geding waarin herstel van de zichtbaarheid werd gevorderd was afgewezen, verzocht Dynamiet Google om gegevens te verstrekken over eventuele technische of inhoudelijke maatregelen die de ranking, filtering, blokkering of verwijdering van haar webpagina's uit de zoekresultaten hadden beïnvloed. Google liet weten geen nadere informatie te verstrekken, voor zover zij daartoe al gehouden zou zijn. Dynamiet verzoekt vervolgens de rechtbank Google te bevelen inzage te geven in gegevens over de betrokken URL's en zoektermen, waaronder informatie over eventuele delisting, demotion, filtering of blokkering, de redenen en triggers voor dergelijke maatregelen, de vraag of deze handmatig of algoritmisch zijn toegepast, de duur daarvan en de interne communicatie, logbestanden en technische documentatie waarin deze maatregelen zijn vastgelegd. Daarnaast vraagt zij dat de gegevens in een digitaal en doorzoekbaar formaat worden verstrekt, voorzien van een leesbare toelichting op de logbestanden, en dat aan niet-nakoming een dwangsom wordt verbonden. Google verschijnt niet in de procedure en reageert evenmin op het verzoek van de rechtbank om zich uit te laten over een mondelinge behandeling.

IT 5325

Rb. Noord-Holland: dagelijks online gokken verplichtte Kansino tot eerdere interventie

Rechtbank Noord-Nederland 28 jun 2026,, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 (([eiser] tegen Kansino)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-holland-dagelijks-online-gokken-verplichtte-kansino-tot-eerdere-interventie

Rb. Noord-Holland 18 juni 2026, IT 5325; ECLI:NL:RBNHO:2026:6041 ([eiser] tegen Kansino). In deze zaak tussen [eiser] en Kansino staat de vraag centraal of de aanbieder van online kansspelen zijn zorgplicht op grond van de specifieke kansspelregelgeving heeft geschonden door niet tijdig in te grijpen bij signalen van problematisch speelgedrag. De kantonrechter oordeelt dat Kansino te laat heeft geïntervenieerd en veroordeelt de aanbieder tot betaling van € 1.650,- aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [eiser] nam tussen 18 juni en 12 juli 2022 deel aan online kansspelen van Kansino en verloor in die periode per saldo € 5.400,-. Volgens [eiser] had Kansino op grond van de destijds geldende regelgeving eerder moeten ingrijpen, omdat zijn speelgedrag duidelijke aanwijzingen vormde voor onmatige deelneming aan kansspelen of een risico op kansspelverslaving. Kansino betwistte dat dergelijke signalen aanwezig waren en stelde dat zij daarom niet tot interventie verplicht was. Ook werd de omvang van de gestelde schade betwist. Voordat de kantonrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, stelt hij vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Hoewel Kansino in Malta is gevestigd, heeft zij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet betwist. Daarnaast is Nederlands recht van toepassing. Voor de kansspelovereenkomst volgt dat uit de consumentenbeschermende bepalingen van het internationaal privaatrecht, omdat [eiser] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en Kansino haar activiteiten mede op de Nederlandse markt richt. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt eveneens Nederlands recht, omdat de gestelde schade in Nederland is geleden. Bij de beoordeling van de zorgplicht sluit de kantonrechter aan bij het destijds geldende Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen en de bijbehorende Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen. Daaruit volgt dat een vergunninghouder verplicht is in te grijpen wanneer interne of externe signalen wijzen op onmatige deelneming aan kansspelen of op een risico op kansspelverslaving. Als voorbeelden van dergelijke signalen noemt de regelgeving onder meer een hoge of toenemende speelfrequentie. Omdat de regelgeving geen nadere invulling geeft aan het begrip "hoge speelfrequentie", acht de kantonrechter het noodzakelijk dit begrip concreet in te vullen.

IT 5323

HvJ EU: lidstaten mogen buitenlandse pornowebsites niet algemeen verplichten tot leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 jun 2026,, IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 ((WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-lidstaten-mogen-buitenlandse-pornowebsites-niet-algemeen-verplichten-tot-leeftijdsverificatie

HvJ EU 16 juni 2026, IEF 23643; IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 (WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat). In deze gevoegde zaken staat de vraag centraal in hoeverre lidstaten regels mogen opleggen aan online diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Het Hof van Justitie buigt zich over de Franse regels die pornografische websites verplichten een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren om minderjarigen de toegang te ontzeggen, en over regels die aanbieders van navigatie- en verkeersapps verbieden informatie over bepaalde politiecontroles door te geven. Het Hof schetst daarbij uitvoerig de reikwijdte van het begrip “gecoördineerd gebied” in de Richtlijn elektronische handel, de verhouding tussen dat gecoördineerde gebied en de (beperkte) harmonisatie in hoofdstuk II en III, en de ruimte die lidstaten behouden om op te treden ter bescherming van fundamentele belangen zoals de waardigheid van minderjarigen, de openbare orde en de openbare veiligheid. De eerste zaak betreft twee Tsjechische ondernemingen die pornografische websites exploiteren. Op grond van Franse wetgeving mogen minderjarigen geen toegang hebben tot pornografische inhoud. Een eenvoudige verklaring van de gebruiker dat hij of zij meerderjarig is, volstaat daarvoor niet. De Franse strafbepaling verbiedt in algemene en abstracte bewoordingen het aanbieden van bepaalde content die door minderjarigen kan worden gezien, en wordt uitgewerkt in een regeling die de toezichthouder (ARCOM) in staat stelt concrete aanbieders individueel aan te schrijven en hen te verplichten technische maatregelen te nemen die de leeftijd van gebruikers daadwerkelijk controleren. De ondernemingen voeren aan dat Frankrijk hiermee de Richtlijn elektronische handel schendt, omdat aanbieders van informatiemaatschappijdiensten in beginsel uitsluitend onder het recht van hun lidstaat van vestiging vallen. De tweede zaak draait om de Franse navigatie-app van Coyote. De Franse wetgever heeft bepaald dat aanbieders van elektronische rijhulpen en navigatiediensten gedurende een beperkte periode en binnen een geografisch beperkt gebied geen meldingen mogen verspreiden over bepaalde alcohol- en drugscontroles of politieacties tegen personen die worden gezocht voor ernstige misdrijven of een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. Volgens Coyote vormt dit een ontoelaatbare beperking van de vrije dienstverrichting en legt deze regeling in feite een verboden algemene toezichtverplichting op. Het Hof begint met een principiële uitleg van de Richtlijn elektronische handel. Volgens het Hof is het zogenoemde “gecoördineerde gebied” niet beperkt tot de onderwerpen die uitdrukkelijk zijn geharmoniseerd in hoofdstuk II en III van de richtlijn. Ook nationale regels die niet zijn geharmoniseerd vallen daaronder, mits zij betrekking hebben op de toegang tot of de uitoefening van een activiteit van een informatiemaatschappijdienst en niet vallen onder de expliciete uitzonderingen in de richtlijn (zoals belasting, gegevensbescherming, kansspelen e.d.). Dat geldt eveneens voor regels van strafrechtelijke aard en voor regels die de openbare orde, openbare veiligheid of de bescherming van minderjarigen dienen. De richtlijn sluit dergelijke terreinen niet categorisch uit en de in de bijlage genoemde derogaties vormen een uitputtende lijst van materies waarvoor het art. 3‑mechanisme niet geldt. Daaruit volgt volgens het Hof dat zowel een verplichting om de leeftijd van gebruikers van pornografische websites te controleren als een verbod om bepaalde verkeersinformatie door te geven, kwalificeren als eisen die betrekking hebben op de uitoefening van een informatiemaatschappijdienst (toegangsvoorwaarden, inhoud/functionaliteit van de dienst). Deze nationale regels vallen daarom binnen het gecoördineerde gebied van de richtlijn en moeten worden getoetst aan het stelsel van artikel 3 daarvan, waarin het uitgangspunt geldt dat een dienst in beginsel wordt gereguleerd door de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd en andere lidstaten de vrije dienstverrichting niet mogen beperken, behoudens een beroep op de derogatie van artikel 3, lid 4. Het Hof maakt vervolgens een onderscheid tussen algemene wetgeving en individuele maatregelen.

IT 5322

Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes

Overige instanties 1 jun 2026,, IT 5322; 52 O 62/26 9 (([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/landgericht-berlin-geen-merkinbreuk-door-ai-gegenereerde-zoekresultaten-over-parfumdupes

Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.

IT 5318

Geen dwaling over antivirus- en anti-ransomwarediensten: IT-dienstverlener leverde overeengekomen securitydiensten

Rechtbank Amsterdam 6 jun 2026,, IT 5318; ECLI:NL:RBAMS:2025:4025 ((Knooppunt tegen Hands On)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-dwaling-over-antivirus-en-anti-ransomwarediensten-it-dienstverlener-leverde-overeengekomen-securitydiensten

Rb. Amsterdam 6 juni 2026, IT&Recht 5318; ECLI:NL:RBAMS:2025:4025 (Knooppunt tegen Hands On). In deze zaak staat de vraag centraal of een IT-dienstverlener kosten in rekening heeft gebracht voor antivirus- en anti-ransomwarediensten die volgens de afnemer nooit zijn geleverd. Daarnaast is in geschil of de afnemer bij het aangaan van de beheersovereenkomst heeft gedwaald over de inhoud van deze diensten en of de IT-dienstverlener aansprakelijk kan worden gehouden voor mogelijke toekomstige schade als gevolg van een onvoldoende beveiligde IT-omgeving. Knooppunt exploiteert een fysiotherapiepraktijk en maakt deel uit van een groep praktijkvennootschappen. Hands On levert IT-diensten, waaronder advisering, beheer en ondersteuning. In 2021 sluiten partijen een consultancyovereenkomst, een licentieovereenkomst en een beheersovereenkomst. In de beheersovereenkomst is een zogenoemd SLA Comfort overeengekomen, dat onder meer ziet op monitoring, onderhoud, licentie- en contractmanagement, incidentafhandeling, back-updiensten en securitydiensten. Onder die securitydiensten vallen een antivirusdienst, een anti-ransomwaredienst en multi-factor authenticatie. De licentieovereenkomst eindigt in 2022. De beheersovereenkomst wordt door Knooppunt opgezegd tegen het einde van de looptijd en eindigt op 30 juni 2024. Daarna neemt een andere IT-dienstverlener, RoRo, het beheer van de IT-omgeving over. Knooppunt stelt zich op het standpunt dat Hands On gedurende de looptijd van de beheersovereenkomst uitsluitend gebruik heeft gemaakt van Microsoft Defender, terwijl daarvoor afzonderlijk antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Volgens Knooppunt waren deze diensten onderdeel van de standaard Microsoft-licenties en heeft Hands On geen aanvullende werkzaamheden verricht. Daarnaast voert Knooppunt aan dat Microsoft Defender geen afdoende bescherming biedt tegen virussen en ransomware. Omdat Hands On volgens Knooppunt ten onrechte de indruk heeft gewekt dat zij onmisbare beveiligingsdiensten leverde, beroept Knooppunt zich op dwaling. Zij vordert wijziging van de beheersovereenkomst en terugbetaling van de bedragen die volgens haar ten onrechte voor antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Daarnaast verzoekt zij een verklaring voor recht dat Hands On aansprakelijk is voor eventuele toekomstige schade als gevolg van een ondeugdelijke beveiliging van haar gegevens. De rechtbank overweegt dat eerst moet worden vastgesteld welke afspraken partijen precies hebben gemaakt over de antivirus- en anti-ransomwarediensten. Volgens Hands On maakten deze diensten onderdeel uit van een breder pakket aan beheers- en securitydiensten.

IT 5316

Rb. Amsterdam: tussenpersoon niet aansprakelijk voor foutief reserveringstarief

Rechtbank Amsterdam 11 mei 2026,, IT 5316; ECLI:NL:RBAMS:2026:5686 (([verzoeker] tegen Booking)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-tussenpersoon-niet-aansprakelijk-voor-foutief-reserveringstarief

Rb. Amsterdam 11 mei 2026, IT&Recht 5316; ECLI:NL:RBAMS:2026:5686 ([verzoeker] tegen Booking). In deze zaak staat de vraag centraal of Booking aansprakelijk is voor schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden nadat een via het platform geboekte accommodatie is geannuleerd wegens een onjuist, te laag reserveringstarief. [verzoeker] had via Booking een accommodatie in Frankrijk geboekt voor de periode van 27 december 2025 tot 3 januari 2026. Enkele maanden later laat Booking weten dat de aanbieder een foutief reserveringstarief heeft doorgegeven. [verzoeker] weigert akkoord te gaan met de hogere prijs, waarna de aanbieder de reservering annuleert. De procedure wordt gevoerd in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV). Booking exploiteert een online reserveringsplatform waarop accommodaties van derden worden aangeboden. In de algemene voorwaarden staat onder meer dat Booking geen partij is bij de overeenkomst tussen de klant en de aanbieder, dat de aanbieder verantwoordelijk is voor de reiservaring en dat prijzen, beschikbaarheid en annuleringsvoorwaarden afkomstig zijn van de aanbieder. Ook is opgenomen dat duidelijke fouten of drukfouten niet bindend zijn en dat een boeking in dat geval kan worden geannuleerd. De rechtbank stelt eerst vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Omdat Booking in Amsterdam is gevestigd, volgt die bevoegdheid uit artikel 4 van de Brussel I-bis Verordening. Vervolgens beoordeelt de rechtbank welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 6 Rome I geldt in beginsel Nederlands recht, omdat partijen daarvoor in de algemene voorwaarden hebben gekozen en de consument daardoor niet de bescherming verliest die hij aan het dwingende Belgische consumentenrecht kan ontlenen. Volgens de rechtbank is deze rechtskeuze dan ook niet oneerlijk. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of Booking aansprakelijk is voor de onjuiste prijsinformatie.