DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

IT 5158

Prejudiciële vragen gesteld over of een dynamisch IP-adres geldt als een persoonsgegeven

HvJ EU 24 jan 2026, IT 5158; C-654/25 (US en DR tegen KY), https://itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-of-een-dynamisch-ip-adres-geldt-als-een-persoonsgegeven

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 6 oktober 2025, IT 5158; IEFbe 4158 (US en DR tegen KY) via MinBuza. Verzoeker exploiteert een website waarin hij Google Fonts heeft geïntegreerd. Hierdoor worden bij het bezoeken van de betreffende websites de lettertypen van Google Fonts via een Google-server gedownload en het betreffende IP-adres van de bezoeker naar Google in de VS verzonden. Een bezoeker van de site, die middels een webcrawler bewust de doorgiften uitlokte, vordert schadevergoeding wegens een vermeende inbreuk op zijn AVG-rechten. Verzoeker betaalde onder druk, maar vorderde terugbetaling. Verzoeker kreeg in hoger beroep gelijk omdat een dynamische IP-adres geen persoonsgegeven is, waardoor er geen schadevergoedingsrecht zou zijn ontstaan en de bezoeker daarmee rechtsmisbruik pleegde. De verwijzende rechter vraagt het Hof wanneer een dynamisch IP-adres volgens het Unierecht als persoonsgegeven geldt, of schadevergoeding mogelijk is wanneer de betrokkene de inbreuk bewust heeft uitgelokt, en in hoeverre een dergelijk geval tot rechtsmisbruik kan leiden. 

IT 5157

Prijsdifferentiatie via Google Shopping geen misleidende handelspraktijk

Hoge Raad 12 sep 2025, IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept), https://itenrecht.nl/artikelen/prijsdifferentiatie-via-google-shopping-geen-misleidende-handelspraktijk

Parket bij de Hoge Raad 12 september 2025, RB 3986; IT 5157; ECLI:NL:PHR:2025:985 (Digital Revolution tegen Media Concept). De P-G gaat in deze conclusie in op de vraag of prijsverschillen tussen aanbiedingen via Google Shopping en een eigen webshop kunnen worden aangemerkt als misleidende reclame of een oneerlijke handelspraktijk in de zin van het Unierecht. Aanleiding vormt een geschil tussen concurrenten, waarin Media Concept printercartridges via Google Shopping tegen een lagere prijs en met een afnamebeperking aanbood, terwijl op de eigen website een hogere prijs gold zonder die beperking.

IT 5147

Negatieve recensies op social media van consument niet onrechtmatig

Rechtbank Limburg 11 sep 2024, IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/negatieve-recensies-op-social-media-van-consument-niet-onrechtmatig

Rb. Limburg 11 september 2024, IEF 23376; IT 5147; ECLI:NL:RBLIM:2024:6062 (Beton Aparte tegen [gedaagde]). [gedaagde] plaatste negatieve recensies op onder meer Radar, Google en Yelp over betonproducten die volgens haar gebrekkig zijn, na blaasvorming en loslatende lagen kort na toepassing. Beton Aparte (de leverancier) weigert terugbetaling en stelt dat de schade het gevolg is van onjuiste verwerking. [gedaagde] laat herstelkosten begroten op circa € 4.000 en uit daarnaast kritiek op de communicatie van het bedrijf. Beton Aparte vordert een verklaring voor recht dat sprake is van onrechtmatige uitlatingen, schadevergoeding wegens reputatie- en omzetverlies, verwijdering van recensies en rectificatie.

IT 5148

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

HvJ EU 15 mei 2025, IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

IT 5146

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtbank Amsterdam 5 nov 2025, IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

IT 5141

Exoneratiebeding van softwareontwikkelaar houdt stand na verwijzing naar schadestaat

Rechtbank Gelderland 23 jul 2025, IT 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists ), https://itenrecht.nl/artikelen/exoneratiebeding-van-softwareontwikkelaar-houdt-stand-na-verwijzing-naar-schadestaat

Rb. Gelderland 23 juli 2025, IT&R 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists). In deze procedure stond vast dat Media Artists tegenover Primedinners aansprakelijk was wegens tekortkoming in de nakoming van een samenwerkingsovereenkomst uit 2017 over de ontwikkeling van websites, een app en een softwareplatform; dat was reeds bindend beslist in eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had geoordeeld dat partijen, in afwijking van de algemene voorwaarden, fatale oplevertermijnen waren overeengekomen, dat Media Artists die termijnen had overschreden en daardoor van rechtswege in verzuim was geraakt, en dat Primedinners de overeenkomst daarom op 23 november 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden. Omdat de schade nog niet kon worden begroot, had het hof de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure en daarbij overwogen dat een beroep van Media Artists op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden in die procedure moest worden beoordeeld. In de onderhavige bodemprocedure vorderde Primedinners vervolgens een verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van Media Artists niet op grond van dat beding was uitgesloten of beperkt. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van Media Artists: de verwijzing door het hof naar de schadestaatprocedure was geen bindende eindbeslissing over een geschilpunt tussen partijen, zodat Primedinners het geschil over het exoneratiebeding ook in deze afzonderlijke procedure aan de rechtbank kon voorleggen. Eveneens oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden van Media Artists op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn, nu dat punt door het hof reeds was beslist en dus gezag van gewijsde heeft; het enkele feit dat partijen later van art. 2.2 van die voorwaarden zijn afgeweken, betekent niet dat de algemene voorwaarden als geheel buiten toepassing zijn geraakt.

IT 5135

Strafzaak over gewoonte van online handelsfraude en schadevergoeding aan gedupeerden

Rechtbank Gelderland 7 nov 2025, IT 5135; ECLI:NL:RBGEL:2025:11897 (de officier van justitie tegen Jasper [naam]), https://itenrecht.nl/artikelen/strafzaak-over-gewoonte-van-online-handelsfraude-en-schadevergoeding-aan-gedupeerden

Rb. Gelderland 7 november 2025, IT&R 5135; ECLI:NL:RBGEL:2025:11897 (de officier van justitie tegen Jasper [naam]). De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het primair tenlastegelegde feit: hij heeft in de periode van 5 juni 2022 tot en met 9 februari 2024 een gewoonte gemaakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of diensten met het oogmerk om zonder volledige levering zich van de betaling daarvan te verzekeren. Bewezen is dat hij via Facebook Marketplace, Marktplaats.nl en 2dehands.net in 29 gevallen kopers tot betaling heeft bewogen voor onder meer afkortzagen, Makita-accu’s, Festool-gereedschap, een Reximex-luchtbuks, Zwarte Cross-tickets, een golfkar, een Garmin-horloge en Milwaukee-accu’s, terwijl levering uitbleef. De rechtbank verwerpt het verweer dat onvoldoende vaststond dat de gebruikte bankrekeningen aan verdachte toebehoorden: zij acht de processen-verbaal over de tenaamstelling betrouwbaar en betrekt daarbij ook de verklaring van verdachte dat hij “allemaal rekeningnummers” moest openen. Voor 25 aangiften staat rechtstreeks vast dat betalingen zijn gedaan op rekeningen op naam van verdachte; voor vier andere aangiften leidt de rechtbank zijn betrokkenheid af uit schakelbewijs, zoals hetzelfde telefoonnummer, terugkerende namen, overeenkomende rekeningnummers en een consistente modus operandi. De rechtbank acht bovendien bewezen dat het nooit de bedoeling is geweest de goederen of diensten te leveren, onder meer omdat verdachte niet meer reageerde op berichten over uitblijvende levering of terugbetaling en uit het dossier niet blijkt van enig begin van daadwerkelijke levering. Medeplegen acht de rechtbank niet bewezen, zodat vrijspraak volgt van dat onderdeel, maar voor het overige wordt het primaire feit bewezen verklaard.

IT 5131

Rechtbank Rotterdam: ACM mocht toezeggingen van Ticketmaster bindend verklaren

Rechtbank Rotterdam 6 mrt 2026, IT 5131; ECLI:NL:RBROT:2026:2165 (TicketSwap tegen de ACM), https://itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-rotterdam-acm-mocht-toezeggingen-van-ticketmaster-bindend-verklaren

Rb. Rotterdam 6 maart 2026, IT&R 5131; ECLI:NL:RBROT:2026:2165 (TicketSwap tegen de ACM). De Rechtbank Rotterdam beoordeelt in deze zaak het beroep van TicketSwap tegen het besluit van de ACM om toezeggingen van Ticketmaster bindend te verklaren op grond van artikel 12h Instellingswet ACM. Aanleiding was een klacht en later een handhavingsverzoek van TicketSwap over de doorverkoop van door Ticketmaster uitgegeven mobile-only tickets. De ACM heeft in haar onderzoek geen overtreding vastgesteld, maar wel drie mededingingsrisico’s geïdentificeerd: een gebrek aan concurrentie op de secundaire ticketmarkt, het ontbreken van de mogelijkheid om mobile-only tickets op Ticketmasters eigen doorverkoopplatform onder de oorspronkelijke prijs aan te bieden, en het risico dat effectieve concurrentie in de praktijk wordt bemoeilijkt door deactivering van de transferfunctionaliteit en gebrekkige informatievoorziening. Vervolgens heeft Ticketmaster toezeggingen gedaan, onder meer over het gebruik van de transferfunctionaliteit, verkoop onder de originele prijs en informatieverstrekking; die toezeggingen heeft de ACM op 20 december 2024 bindend verklaard. De rechtbank stelt voorop dat deze bevoegdheid van de ACM discretionair is en daarom terughoudend moet worden getoetst: beslissend is of de ACM zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toezeggingen de door haar vastgestelde mededingingsrisico’s adequaat wegnemen.

IT 5128

Phishing via valse ICS-berichten: oplichting, phishinginfrastructuur, computervredebreuk en vuurwapenbezit

Gerechtshof Amsterdam 16 okt 2025, IT 5128; ECLI:NL:GHAMS:2025:3771 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/phishing-via-valse-ics-berichten-oplichting-phishinginfrastructuur-computervredebreuk-en-vuurwapenbezit

Hof Amsterdam 16 oktober 2025, IT&R 5128; ECLI:NL:GHAMS:2025:3771 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). In deze strafzaak oordeelt het Gerechtshof Amsterdam dat de verdachte zich schuldig maakt aan een samenhangende phishingconstructie gericht op klanten van International Card Services (ICS). Het hof acht bewezen dat hij in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 meermalen twee slachtoffers door valse, als van ICS afkomstige e-mails en nagemaakte ICS-websites beweegt tot het prijsgeven van inlog-, bank- en klantgegevens en tweefactorauthenticatiecodes, zodat sprake is van oplichting. Daarnaast acht het hof bewezen dat de verdachte in de periode van 1 augustus 2023 tot en met 6 januari 2024 phishingwebsites en bijbehorende bestanden voorhanden heeft met het oogmerk computervredebreuk te plegen, en dat hij met de aldus verkregen gegevens via de ICS-app meermalen binnendringt in het geautomatiseerde werk van ICS door zich voor te doen als geautoriseerde klant. Het hof verbindt de verdachte aan deze feiten op basis van onder meer de hostinggegevens, de aan hem te koppelen cryptowallet, het bij de hosting gebruikte e-mailadres, het IP-adres van zijn woonadres, de op zijn telefoons aangetroffen Telegram-bots en de gephishte gegevens van in totaal 65 personen. Ook acht het hof bewezen dat hij een gasvuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft. Wel volgt partiële vrijspraak voor zover onder feit 1 ook oplichting van ICS is ten laste gelegd, omdat de tenlastelegging geen oplichtingshandelingen jegens ICS zelf bevat, en voor enkele onderdelen van de feiten 1 en 2 waarvoor het dossier onvoldoende grondslag biedt.

IT 5103

EHRM over vrijheid van meningsuiting van rechters op sociale media

Overige instanties 25 dec 2025, IT 5103; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië), https://itenrecht.nl/artikelen/ehrm-over-vrijheid-van-meningsuiting-van-rechters-op-sociale-media

EHRM 25 december 2025, IEF 23266; IT 5103; IEFbe 4100; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië). Deze zaak gaat over een klacht op grond van artikel 10 EVRM, ingediend door een Roemeense rechter, naar aanleiding van een disciplinaire sanctie wegens twee berichten die hij in januari 2019 op zijn openbare Facebookpagina had geplaatst. De verzoeker was op dat moment rechter bij het gerechtshof Cluj en genoot aanzienlijke publieke bekendheid, mede door eerdere functies binnen de rechterlijke macht en zijn actieve deelname aan maatschappelijke debatten over democratie, rechtsstaat en justitie. Op zijn Facebookpagina, die ongeveer 50.000 volgers telde, publiceerde hij twee berichten. Het eerste bericht ging over vermeende pogingen om kerninstituties van de staat (waaronder justitie, politie en leger) te ondermijnen en bevatte een retorische passage over de constitutionele rol van het leger bij het beschermen van de democratie. Het tweede bericht bestond uit een link naar een persartikel waarin een officier van justitie kritiek uitte op hervormingen binnen het strafrecht, met daarbij de tekst: “Now here’s a prosecutor with some blood in his veins (sânge în instalaţie), speaking his mind about dangerous prisoners being freed, our leaders’ bad ideas on legislative reform, and judges and prosecutors being ‘lynched’!” (Vertaald). De Judicial Inspection Board startte ambtshalve een onderzoek wegens mogelijk gedrag dat de eer en het imago van de rechterlijke macht zou aantasten, zoals bedoeld in artikel 99(a) van Wet nr. 303/2004. Na onderzoek werd de zaak voorgelegd aan de disciplinaire kamer van de Nationale Raad voor de Magistratuur, die oordeelde dat de verzoeker zijn plicht tot terughoudendheid had geschonden. Daarbij werd benadrukt dat zijn uitlatingen, mede gelet op hun vorm en publieke verspreiding, het vertrouwen in staatsinstellingen en de rechterlijke macht konden ondermijnen. Als sanctie werd een tijdelijke salarisverlaging van 5% voor twee maanden opgelegd. Het door de verzoeker ingestelde beroep werd door het Hoog Gerechtshof van Cassatie en Justitie verworpen. Dat hof oordeelde dat de beperking van zijn uitingsvrijheid wettelijk was voorzien, een legitiem doel diende (het beschermen van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht) en proportioneel was.