Rechtbank verwerpt vrijwel alle ontvankelijkheidsverweren in collectieve DSA-procedure tegen X Corp c.s.
Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IT&Recht 5343; ECLI:NL:RBAMS:2026:6440 (SOMI tegen X Corp c.s). In deze zaak tussen belangenorganisatie SOMI (Stichting Onderzoek Marktinformatie) en X Corp c.s. (X Corp, XIUC en Twitter Netherlands) draait het om de ontvankelijkheid van een collectieve actie over onder meer gestelde AVG-schendingen, datalekken, ongeoorloofde microtargeting en schending van verplichtingen uit de Digital Services Act (DSA). SOMI vertegenwoordigt ruim 51.000 deelnemers en zegt op te komen voor ongeveer acht miljoen Nederlandse gebruikers van het X-platform. De rechtbank verklaart zich internationaal en relatief bevoegd, ook ten aanzien van de buitenlandse vennootschappen binnen het X-concern. Volgens X Corp c.s. voldoet SOMI niet aan de ontvankelijkheidseisen van de WAMCA. Ook stellen zij dat verschillende onderdelen van de vorderingen op voorhand geen kans van slagen hebben. De rechtbank volgt die verweren vrijwel niet en wijst ook de verzoeken om de procedure aan te houden af. Alleen over het waarborgvereiste wil de rechtbank meer informatie, in het bijzonder over de financiering van de procedure en de vraag of de zeggenschap daarover daadwerkelijk bij SOMI ligt. De rechtbank kent daarbij veel gewicht toe aan het feit dat SOMI eerder is aangewezen als representatieve organisatie voor grensoverschrijdende collectieve vorderingen. Daarom gaat zij ervan uit dat SOMI aan de eisen voldoet waarop die aanwijzing is gebaseerd, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding geven daar anders over te oordelen. Volgens de rechtbank hebben X Corp c.s. daarvoor op de meeste punten onvoldoende aangevoerd. Dat geldt ook voor de bezwaren tegen de governance van SOMI. De rechtbank twijfelt niet aan het ontbreken van een winstoogmerk bij de bestuurders, de inspraakmogelijkheden voor deelnemers, de transparantie van de website, de onafhankelijkheid van de financiering of de deskundigheid van het bestuur en de raad van toezicht. Ook het feit dat SOMI gebruikmaakt van diensten van ondernemingen die zijn gelieerd aan haar bestuurder betekent volgens de rechtbank niet dat de belangen van de achterban onvoldoende zijn gewaarborgd. De resterende twijfel gaat vooral over de complexe financieringsstructuur met schenkingen en certificaten en de vraag of SOMI daarin de zeggenschap over de procedure behoudt. Daarom moet SOMI alsnog onderbouwen dat zij over voldoende financiële middelen beschikt en dat de zeggenschap over de procedure daadwerkelijk bij haar ligt. Pas daarna beslist de rechtbank of ook aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a BW is voldaan.