DOSSIERS
Alle dossiers

Internet  

IT 5591

Gerecht EU: Commissie mocht Stripchat op basis van bezoekersgegevens aanwijzen als zeer groot onlineplatform onder de DSA

Overige instanties 14 okt 2026, IT 5591; ECLI:EU:T:2026:670 (Technius tegen Commissie), https://itenrecht.nl/artikelen/gerecht-eu-commissie-mocht-stripchat-op-basis-van-bezoekersgegevens-aanwijzen-als-zeer-groot-onlineplatform-onder-de-dsa

Gerecht EU 14 oktober 2026, IT 5591; ECLI:EU:T:2026:670 (Technius tegen Commissie). Technius, de exploitant van het onlineplatform Stripchat, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2023 om Stripchat op grond van artikel 33 van de Digital Services Act (DSA) aan te wijzen als zeer groot onlineplatform. Technius had het gemiddelde aantal maandelijks actieve afnemers in de Europese Unie vastgesteld op ongeveer 31,8 miljoen, terwijl de Commissie uitging van ruim 62 miljoen. Beide berekeningen waren gebaseerd op gegevens van marktonderzoeksbureau Similarweb. Technius had het aantal unieke bezoekers na correctie voor dubbeltellingen echter met ongeveer 49% verminderd om zogenoemde bouncebezoeken uit te sluiten. Dit zijn bezoeken waarbij een gebruiker de website verlaat zonder aan de aangeboden inhoud te zijn blootgesteld. De Commissie verwierp deze aanvullende correctie, omdat Similarweb bij het vaststellen van het aantal unieke bezoekers al een groot deel van dergelijke bezoeken uitsloot. Het Gerecht oordeelt dat de Commissie de methode van Technius op dit punt terecht onbetrouwbaar heeft geacht. De Commissie mocht zich baseren op de beschikbare bezoekersgegevens en hoefde bij gebrek aan nauwkeurigere gegevens niet zelf een alternatieve berekening van het aantal bouncebezoeken te maken. Daarmee mocht zij ervan uitgaan dat Stripchat de DSA-drempel van gemiddeld 45 miljoen maandelijks actieve afnemers in de Unie overschreed.

IT 5580

A-G: veroordeling in zaak over illegale online kansspelen kan in stand blijven, strafvermindering wegens termijnoverschrijding

Hoge Raad 6 okt 2026, IT 5580; ECLI:NL:PHR:2026:954 ([Verdachte] tegen het OM), https://itenrecht.nl/artikelen/a-g-veroordeling-in-zaak-over-illegale-online-kansspelen-kan-in-stand-blijven-strafvermindering-wegens-termijnoverschrijding

Parket bij de Hoge Raad 6 oktober 2026, IT 5580; ECLI:NL:PHR:2026:954 ([Verdachte] tegen het OM). Advocaat-generaal Sinnige concludeert in een strafzaak die voortkomt uit het onderzoek Rykiel naar het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen in Nederland. Het onderzoek richtte zich op een samenwerkingsverband van Nederlandse en buitenlandse vennootschappen dat tussen 2004 en mei 2013 via verschillende websites gokspellen aanbood. De verdachte ontwikkelde en onderhield spelsoftware voor een van deze websites en had aanspraak op 60% van de opbrengsten van de daarop aangeboden spellen. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelde hem op 11 maart 2024 tot een taakstraf van 150 uur wegens deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegde valsheid in geschrift en feitelijk leidinggeven aan door een rechtspersoon medepleegde faillissementsfraude. Van het medeplegen van of feitelijk leidinggeven aan het zonder vergunning aanbieden van online kansspelen werd hij vrijgesproken. In cassatie wordt onder meer geklaagd over verjaring van de tenlastegelegde overtreding van de Wet op de kansspelen (Wok) en de mogelijke gevolgen daarvan voor de overige bewezenverklaarde feiten. Volgens de advocaat-generaal kon het hof het tenlastegelegde aanbieden van online kansspelen in deze zaak aanmerken als één voortdurend delict, waarbij de verjaringstermijn pas begint te lopen na beëindiging van de verboden situatie. Het oordeel van het hof dat het recht tot strafvervolging ten tijde van het hoger beroep nog niet was verjaard, getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

IT 5573

Onrechtmatig boetevoornemen AP veroorzaakte schade bij VoetbalTV, maar schadevergoeding afgewezen

Rechtbank Midden-Nederland 28 sep 2026, IT 5573; ECLI:NL:RBMNE:2026:6594 (VoetbalTV tegen de AP), https://itenrecht.nl/artikelen/onrechtmatig-boetevoornemen-ap-veroorzaakte-schade-bij-voetbaltv-maar-schadevergoeding-afgewezen

Rb. Midden-Nederland 28 september 2026, IEF 23921; IT 5573; ECLI:NL:RBMNE:2026:6594 (VoetbalTV tegen de AP). In deze zaak tussen VoetbalTV en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) staat de vraag centraal of VoetbalTV recht heeft op schadevergoeding vanwege een onrechtmatig boetebesluit en het daaraan voorafgaande voornemen van de AP. VoetbalTV exploiteerde een videoplatform waarop amateurvoetbalwedstrijden werden opgenomen en uitgezonden. De AP legde VoetbalTV op 16 juli 2020 een boete van € 575.000 op wegens het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens. Volgens de AP kon een zuiver economisch belang geen gerechtvaardigd belang vormen in de zin van artikel 6 lid 1 onder f AVG. De rechtbank vernietigde dit besluit in november 2020 wegens een onjuiste uitleg van het begrip gerechtvaardigd belang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak in 2022. VoetbalTV verzoekt vervolgens om € 25.000 schadevergoeding wegens gederfde inkomsten uit sponsoring en nieuwe clubcontracten. Volgens VoetbalTV heeft het optreden van de AP ertoe geleid dat sponsoren afhaakten en zij haar bedrijfsactiviteiten moest staken. De rechtbank oordeelt dat niet alleen het vernietigde boetebesluit onrechtmatig is, maar ook het voornemen van 22 november 2019. De AP heeft dit voornemen gebaseerd op een onjuiste interpretatie van het begrip gerechtvaardigd belang en heeft daardoor ten onrechte geen noodzakelijkheidstoets en belangenafweging uitgevoerd. Daarmee heeft de AP onvoldoende rekening gehouden met de belangen van VoetbalTV.

IT 5554

Parkeerder draagt risico van onjuiste zonesuggestie door GPS-locatiebepaling

Gerechtshof Amsterdam 27 aug 2026, IT 5554; ECLI:NL:GHAMS:2026:2425 (de heffingsambtenaar tegen [X]), https://itenrecht.nl/artikelen/parkeerder-draagt-risico-van-onjuiste-zonesuggestie-door-gps-locatiebepaling

Hof Amsterdam 27 augustus 2026, IT 5554; ECLI:NL:GHAMS:2026:2425 (de heffingsambtenaar tegen [X]). Belanghebbende parkeerde haar auto in een parkeerzone waar voor de eerste twee uur € 4 per uur en daarna € 7 per uur aan parkeerbelasting verschuldigd was. Zij meldde haar parkeeractie via een parkeerapp aan in een andere zone, waar een tarief van € 2,50 per uur gold, en betaalde € 6,46. De rechtbank vernietigde de opgelegde naheffingsaanslag, omdat niet kon worden vastgesteld of de parkeerapp betrouwbare informatie had verschaft en het risico van een onjuiste betaling volgens de rechtbank daarom niet bij belanghebbende kon worden gelegd. Het hof oordeelt anders. Wanneer een gemeente toestaat dat parkeerbelasting via een parkeerapp wordt voldaan, rust op haar de verplichting om voor die betaalwijze de juiste gegevens over de verschuldigde parkeerbelasting te verstrekken. De gemeente had in dit geval aan die informatieplicht voldaan: de juiste zone-indeling en tarieven waren ten behoeve van de parkeerapp verstrekt en werden daarin correct weergegeven. Daarmee verschilt deze zaak van het Tilburg-arrest. Daar ging het om onjuiste informatie over het tarief op de plaats waar daadwerkelijk was geparkeerd, terwijl hier sprake was van een onjuiste zonesuggestie doordat de mobiele telefoon kennelijk niet de locatie weergaf waar de auto stond.

IT 5540

Samenwerkingsovereenkomst verplicht niet tot overdracht van beheerdersrechten voor digitale systemen

Rechtbank Den Haag 13 jul 2026, IT 5540; ECLI:NL:RBDHA:2026:21811 (Marketing Strategies c.s. tegen [partij B] c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/samenwerkingsovereenkomst-verplicht-niet-tot-overdracht-van-beheerdersrechten-voor-digitale-systemen

Rb. Den Haag 13 juli 2026, IT 5540; ECLI:NL:RBDHA:2026:21811 (Marketing Strategies c.s. tegen [partij B] c.s.). In een geschil tussen aandeelhouders van een marketingonderneming vorderde Marketing Strategies onder meer volledige toegang, inclusief de hoogste beheerdersrechten, tot diverse digitale bedrijfssystemen en accounts, waaronder Google Workspace, softwareplatforms, domeinnamen, hostingomgevingen, socialmedia-accounts en API-diensten. Volgens Marketing Strategies hield de wederpartij essentiële digitale systemen en toegangsrechten onder zich, waardoor haar bedrijfsvoering werd belemmerd. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Hoewel uit de samenwerkingsovereenkomst volgt dat de wederpartij onder meer verantwoordelijk was voor het bouwen en onderhouden van de website en het platform van “Review Us” en voor het beheer van de bijbehorende socialmedia-accounts, bevat die overeenkomst geen afspraak waaruit volgt dat de gevorderde beheerdersrechten aan Marketing Strategies toekomen of aan haar moeten worden overgedragen. Ook uit andere aangevoerde feiten en omstandigheden kan de voorzieningenrechter een dergelijke verplichting niet afleiden. Daarnaast is niet zonder meer aannemelijk geworden dat het ontbreken van die beheerdersrechten de bedrijfsvoering daadwerkelijk blokkeerde: Marketing Strategies bediende nog een substantieel deel van haar klanten en uit de overgelegde screenshots konden de gestelde toegangsblokkades niet worden afgeleid. De rechter legt geen verplichting op om een back-up van de bedrijfsgegevens aan Marketing Strategies te verstrekken, maar acht de wederpartij gedurende het geschil wel gehouden regelmatig back-ups te maken en deze beschikbaar te houden.

IT 5539

Voorzieningenrechter Midden-Nederland: overdracht van website en socialmedia-accounts toegewezen in geschil over projectbeheer

Rechtbank Midden-Nederland 1 sep 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/voorzieningenrechter-midden-nederland-overdracht-van-website-en-socialmedia-accounts-toegewezen-in-geschil-over-projectbeheer

Rb. Midden-Nederland 1 september 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.). In een geschil over de samenwerking rond een project met modulaire wooneenheden vorderden de eisende vennootschappen onder meer dat gedaagden zouden stoppen met het gebruik van een bepaalde naam en de bijbehorende website, domeinnaam en socialmedia-accounts zouden overdragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de betreffende naam de (handels)naam is van twee van de eisende vennootschappen en aan hen toebehoort. Het verweer dat de naam slechts goodwill zou zijn, geen onderdeel van het verhuurbeheer vormde en alleen tijdelijk om praktische redenen door eisers werd gebruikt, acht de rechter onvoldoende onderbouwd. Gedaagden mogen de naam, of een daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam, daarom niet langer gebruiken. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat het recht op een domeinnaam niet wettelijk is geregeld en dat een domeinnaamhouder alleen tot overdracht kan worden verplicht wanneer daarvoor een rechtsplicht bestaat, bijvoorbeeld op grond van een overeenkomst of omdat registratie of gebruik tegenover een ander onrechtmatig is. Volgens de rechter geldt hetzelfde voor socialmedia-accounts. Gedaagden moeten de betreffende website, domeinnaam en accounts op onder meer Facebook, Instagram en X, inclusief de inloggegevens, binnen twee weken overdragen.

IT 5522

Hof Amsterdam: 48 maanden gevangenisstraf voor phishinggerelateerde fraude, computervredebreuk en gewoontewitwassen

Gerechtshof Amsterdam 18 aug 2026, IT 5522; ECLI:NL:GHAMS:2026:2280 ([verdachte] tegen het Openbaar Ministerie), https://itenrecht.nl/artikelen/hof-amsterdam-48-maanden-gevangenisstraf-voor-phishinggerelateerde-fraude-computervredebreuk-en-gewoontewitwassen

Hof Amsterdam 18 augustus 2026, IT 5522; ECLI:NL:GHAMS:2026:2280 ([verdachte] tegen het Openbaar Ministerie). De verdachte is in hoger beroep veroordeeld voor een groot aantal strafbare feiten die hij in de periode van 2017 tot en met 2024 alleen of samen met anderen heeft gepleegd. Het gaat onder meer om het verwerven en voorhanden hebben van door misdrijf verkregen niet-openbare gegevens, het verspreiden van gegevens die bestemd waren voor oplichting en diefstal met een valse sleutel, het voorhanden hebben van phishingpanels, medeplegen van oplichting, diefstal met een valse sleutel en computervredebreuk, ticketfraude, het aanwezig hebben van lachgas, gewoontewitwassen van in totaal € 277.758,16 en het besturen van een auto terwijl de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Bij de phishinggerelateerde feiten werden onder meer persoonsgegevens en inloggegevens van slachtoffers verkregen. Verdachte en zijn mededaders deden zich vervolgens onder meer voor als postbezorger om legitimatiebewijzen te scannen en toegang tot internetbankieren te verkrijgen. Het hof verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit is gericht tegen enkele partiële vrijspraken van de rechtbank bij de feiten 4, 7 en 9. Deze zijn volgens het hof beschermde vrijspraken in de zin van art. 404 lid 5 Sv. Het hof komt daarnaast voor de feiten 1, 2, 4 en 7 tot kortere bewezenverklaarde pleegperiodes dan de rechtbank. Zo acht het hof de heling van niet-openbare gegevens bewezen vanaf 20 december 2020, het verspreiden daarvan vanaf 31 oktober 2023, het medeplegen van oplichting vanaf 7 augustus 2024 en de ticketfraude vanaf 19 juli 2024.

IT 5493

Rechtbank: voormalig vrijwilligster moet beheerdersrechten Facebookpagina overdragen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 jul 2026, IT 5493; ECLI:NL:RBZWB:2026:7232 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-voormalig-vrijwilligster-moet-beheerdersrechten-facebookpagina-overdragen

Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juli 2026, IT 5493; ECLI:NL:RBZWB:2026:7232 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat een voormalig vrijwilligster de beheerdersrechten van een Facebookpagina aan de eisende organisatie moet overdragen. De vrijwilligster beheerde de pagina tijdens de samenwerking, maar weigerde na beëindiging daarvan de beheerdersrechten, waaronder de inlogcodes, te verstrekken omdat zij zich op het standpunt stelde rechthebbende op de Facebookpagina te zijn. De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisend belang aanwezig. De betreffende pagina heeft ongeveer 41.000 volgers en de organisatie heeft met verklaringen van donateurs voldoende onderbouwd dat het ontbreken van toegang tot de pagina gevolgen heeft voor de donaties. Voor de beantwoording van de vraag aan wie de beheerdersrechten toekomen, is volgens de voorzieningenrechter niet doorslaggevend wie volgens Facebook over die beheerdersrechten beschikt.

IT 5482

Onderzoek aan telefoons zonder toestemming rechter-commissaris levert vormverzuim op zonder strafvermindering

Rechtbank Den Haag 28 jul 2026, IT 5482; ECLI:NL:RBDHA:2026:2127 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/onderzoek-aan-telefoons-zonder-toestemming-rechter-commissaris-levert-vormverzuim-op-zonder-strafvermindering

Rb. Den Haag 28 juli 2026, IT 5482; ECLI:NL:RBDHA:2026:2127 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). In deze strafzaak wordt [verdachte] vervolgd voor zijn betrokkenheid bij twaalf gevallen van bankhelpdeskfraude, ten laste gelegd als medeplegen van oplichting, computervredebreuk en gekwalificeerde diefstal, en voor witwassen. De slachtoffers, veelal personen op leeftijd, werden gebeld door iemand die zich voordeed als bankmedewerker. Zij werden onder meer bewogen om het programma AnyDesk te installeren, inloggegevens voor hun internetbankieren af te geven en bankpassen en pincodes aan koeriers mee te geven. [verdachte] vervulde binnen het samenwerkingsverband verschillende rollen als koerier, pinner en chauffeur. 

IT 5476

Contractuele klachttermijn van 30 dagen staat beroep op gebreken in fitnessapp in de weg

Rechtbank Amsterdam 8 jul 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/contractuele-klachttermijn-van-30-dagen-staat-beroep-op-gebreken-in-fitnessapp-in-de-weg

Rb. Amsterdam 8 juli 2026, IT 5476; ECLI:NL:RBAMS:2026:7178 ([eiser] tegen [gedaagde]). De vraag die in deze zaak centraal staat, is of [gedaagde] de openstaande facturen voor de ontwikkeling van een fitnessapp moet betalen, ondanks zijn stelling dat de app gebrekkig is en [eiser] hem bij het sluiten van de overeenkomst heeft misleid over zijn expertise. Partijen sloten op 22 juni 2024 een overeenkomst van opdracht voor de ontwikkeling van de app. De overeengekomen prijs bedroeg € 40.000 exclusief btw, waarop [eiser] een korting van € 10.000 gaf in ruil voor 10% van de aandelen in de onderneming van [gedaagde]. De helft van de prijs werd vooraf betaald en de andere helft was bij oplevering verschuldigd. De overeenkomst bevatte daarnaast een klachttermijn van 30 dagen. De app werd in december 2024 in gebruik genomen en [gedaagde] liet op 14 januari 2025 weten dat [eiser] de tweede factuur kon sturen. Die factuur bleef onbetaald. Nadat de aandelenoverdracht uitbleef, bracht [eiser] ook het eerder verleende kortingsbedrag in rekening en vorderde hij in totaal € 30.250. [gedaagde] stelde daartegenover dat de app niet aan de afgesproken functionaliteiten voldeed en dat [eiser] zich ten onrechte als specialist in generatieve kunstmatige intelligentie en ervaren softwareontwikkelaar had gepresenteerd. Hij vorderde daarom ontbinding of vernietiging van de overeenkomst, terugbetaling van € 18.150 en schadevergoeding.