DOSSIERS
Alle dossiers

Telecomrecht  

IT 5487

Geen risico op aanmerkelijke marktmacht op glasvezelmarkt KPN en Glaspoort

Overige instanties 10 feb 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-risico-op-aanmerkelijke-marktmacht-op-glasvezelmarkt-kpn-en-glaspoort

CBb 10 februari 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de ACM in haar marktanalyse lokale toegang terecht heeft geconcludeerd dat op markt I, het glasvezelnetwerk van KPN en Glaspoort, geen risico bestaat op aanmerkelijke marktmacht (AMM). Jonaz stelde onder meer dat de ACM het eerdere Toezeggingenbesluit ten onrechte in de plaats had gesteld van een zelfstandige marktanalyse. Het College volgt dit niet. De ACM moest bij haar toekomstgerichte analyse rekening houden met het op het algemene mededingingsrecht gebaseerde Toezeggingenbesluit en mocht de nog actuele informatie en onderzoeksbevindingen die daaraan ten grondslag lagen gebruiken. Het Toezeggingenbesluit fungeerde daarbij niet als rechtvaardiging voor het marktanalysebesluit, maar als relevante feitelijke informatie. Ook heeft de ACM volgens het College voldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van Jonaz, zodat geen sprake is van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek.

IT 5483

Boete telecomaanbieder wegens gebrekkige beveiliging LI-gegevens verlaagd tot € 1,66 miljoen

Rechtbank Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/boete-telecomaanbieder-wegens-gebrekkige-beveiliging-li-gegevens-verlaagd-tot-1-66-miljoen

Rb. Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken). In deze zaak staat centraal of de staatssecretaris terecht vijf bestuurlijke boetes van ieder € 450.000 heeft opgelegd aan [aanbieder 1] wegens overtreding van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt). [aanbieder 1] is aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) onderzocht tussen oktober 2021 en december 2022 of zij voldoende maatregelen had getroffen om gegevens voor bevoegd aftappen door het Openbaar Ministerie, de AIVD en de MIVD te beschermen tegen kennisneming door onbevoegden. Het gaat om zogenoemde lawful interception-gegevens (LI-gegevens). De staatssecretaris stelde tekortkomingen vast op vijf onderdelen: het beveiligingsplan, uitbesteding, personeel, fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging van geautomatiseerde informatiesystemen. Daarvoor legde hij op grond van de Telecommunicatiewet in totaal € 2.250.000 aan boetes op. [aanbieder 1] bestrijdt onder meer de vaststelling van verschillende overtredingen, de invulling van de normen uit het Bbgt en de evenredigheid van de boetes. 

IT 5477

HRIF.EU geen belanghebbende bij overnameverbod Solvinity; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen

Rechtbank Rotterdam 25 aug 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hrif-eu-geen-belanghebbende-bij-overnameverbod-solvinity-verzoek-om-voorlopige-voorziening-afgewezen

Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris). De voorzieningenrechter wijst het verzoek van Stichting Human Rights in Finance.EU (HRIF.EU) om een voorlopige voorziening af. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat had Kyndryl Holdings Inc. en gelieerde entiteiten op grond van artikel 14a.4 lid 1 Telecommunicatiewet verboden overwegende zeggenschap te verkrijgen in Solvinity Group B.V., omdat deze verkrijging volgens hem tot een bedreiging van het publieke belang kon leiden. Solvinity en haar aandeelhouder maakten tegen dit besluit bezwaar. Ook HRIF.EU maakte bezwaar, met het doel te worden toegelaten tot die bezwaarprocedure. Bij besluit van 25 augustus 2026 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU niet-ontvankelijk, omdat de stichting geen belanghebbende is. HRIF.EU stelde daartegen beroep in en verzocht de voorzieningenrechter onder meer om haar als deelnemer toe te laten tot de inhoudelijke hoorzitting in de bezwaarprocedure van Solvinity en haar aandeelhouder.

IT 5478

Taakstraf naast tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd met artikel 9 lid 4 Sr

Hoge Raad 18 aug 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/taakstraf-naast-tien-maanden-onvoorwaardelijke-gevangenisstraf-in-strijd-met-artikel-9-lid-4-sr

HR 18 augustus 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie). De Hoge Raad oordeelt in deze economische strafzaak over de strafoplegging aan een verdachte die onder meer was veroordeeld voor witwassen, het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer in strijd met de Telecommunicatiewet. Het gerechtshof Amsterdam legde een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Het derde cassatiemiddel klaagde dat daarmee een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen was opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 4 Sr kan naast een gevangenisstraf een taakstraf worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. De overige cassatieklachten konden volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging leiden en zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO afgedaan.

IT 5473

Vodafone-commercial over maximale internetsnelheid niet misleidend

Overige instanties 4 aug 2026, IT 5473; 2026/00337 (klacht tegen Vodafone), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vodafone-commercial-over-maximale-internetsnelheid-niet-misleidend

SGR 4 augustus 2026, RB 4118; IT 5473; 2026/00337 (klacht tegen Vodafone). In deze zaak gaat het om een televisiecommercial van Vodafone voor haar Unlimited-abonnementen. In de commercial wordt onder meer gezongen over “maximale snelheid” en “sneller dan snel”, terwijl in beeld staat: “Tot 1 Gbit/s bij alle Unlimited abonnementen.” Klager vindt de uiting misleidend omdat het netwerk van Vodafone volgens een speedtest van Ookla trager is dan dat van andere aanbieders en hij zelf in de praktijk een veel lagere snelheid ervaart. Vodafone voert aan dat de commercial duidelijk maakt dat alle Unlimited-abonnementen toegang geven tot de maximale technisch beschikbare snelheid zonder een abonnementsafhankelijke snelheidsbeperking. De daadwerkelijke snelheid kan volgens Vodafone variëren door onder meer locatie, dekking, netwerkdrukte en de omstandigheden binnen- of buitenshuis. 

IT 5456

Leveranciersverbod Huawei en ZTE in kritieke onderdelen mobiel netwerk Odido rechtmatig

Overige instanties 19 feb 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/leveranciersverbod-huawei-en-zte-in-kritieke-onderdelen-mobiel-netwerk-odido-rechtmatig

CBb 19 februari 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de rechtmatigheid van een aan Odido opgelegde maatregel op grond van de Telecommunicatiewet en het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie (Bvit). Naar aanleiding van waarschuwingen van de AIVD en MIVD over toenemende digitale spionage en een interdepartementale risicoanalyse naar de kwetsbaarheid van mobiele netwerken had de minister Odido verplicht om in aangewezen kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk geen apparatuur van Huawei en ZTE meer te gebruiken en de reeds aanwezige apparatuur binnen de gestelde termijn te vervangen. Odido bestreed zowel de wettelijke grondslag van deze leveranciersmaatregel als de verbindendheid van het Bvit. Volgens haar bood de Telecommunicatiewet onvoldoende basis voor een zo verstrekkend leveranciersverbod en was de regeling onder meer onverenigbaar met de Europese Telecomcode, het vrije verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daarnaast stelde Odido dat de concrete maatregel onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onevenredig inbreuk maakte op haar eigendomsrecht en dat zij aanspraak had op nadeelcompensatie wegens de kosten van de vervanging van de apparatuur. 

IT 5447

Beperking van frequentiegebruik tot digitale televisie verenigbaar met dienstenneutraliteit

HvJ EU 16 jul 2026, IT 5447; ECLI:EU:C:2026:601 (Elettronica Industriale II), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beperking-van-frequentiegebruik-tot-digitale-televisie-verenigbaar-met-dienstenneutraliteit

HvJ EU 16 juli 2026, IT 5447; ECLI:EU:C:2026:601 (Elettronica Industriale II). Elettronica Industriale beschikte sinds 28 juni 2012 over gebruiksrechten voor radiofrequenties voor digitale terrestrische televisie (DTT). In 2016 verzocht zij de Italiaanse autoriteiten om herziening van de aan deze gebruiksrechten verbonden beperkingen, zodat de betrokken frequenties ook voor andere elektronische communicatiediensten konden worden gebruikt. Het verzoek werd afgewezen omdat het geldende nationale frequentietoewijzingsplan de frequentieband 470-790 MHz primair voor omroepdiensten reserveerde. Nadat Elettronica Industriale tegen die afwijzing was opgekomen, vroeg de Consiglio di Stato het Hof van Justitie in wezen of het beginsel van dienstenneutraliteit uit artikel 9 van Richtlijn 2002/21/EG zich ertegen verzet dat een houder van frequentiegebruiksrechten op grond van een nationaal frequentieplan wordt verplicht die frequenties uitsluitend voor DTT te gebruiken. 

IT 5392

HvJ EU: dynamische streamingdienst valt onder begrip digitale dienst

HvJ EU 9 jul 2026, IT 5392; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-dynamische-streamingdienst-valt-onder-begrip-digitale-dienst

HvJ EU 9 juli 2026, IT 5392; RB 4066; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation). In deze zaak biedt Sky Österreich een streamingdienst aan waarmee consumenten via een link of applicatie toegang krijgen tot programma’s die op een server zijn opgeslagen. De programma’s kunnen live of on demand worden bekeken en, afhankelijk van de beschikbare licenties, worden gedownload en offline worden bekeken. Een download kan slechts eenmaal worden bekeken en moet binnen 48 uur vanaf het begin van het afspelen volledig zijn bekeken. Bij het online afsluiten van een abonnement moet de consument instemmen met een beding waarin hij ermee akkoord gaat dat Sky Österreich vóór het verstrijken van de herroepingstermijn van veertien dagen met de uitvoering van de overeenkomst begint en erkent dat hij daardoor zijn herroepingsrecht verliest. De Oostenrijkse consumentenorganisatie Verein für Konsumenteninformation (VKI) stelt dat deze informatie ontoereikend is, omdat het streamingabonnement een digitale dienst vormt en het herroepingsrecht pas vervalt wanneer die dienst volledig is geleverd. Sky Österreich stelt daarentegen dat zij digitale inhoud levert, zodat het herroepingsrecht volgens haar is uitgesloten zodra de uitvoering van de overeenkomst een aanvang neemt. Nadat VKI in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, vraagt het Oberste Gerichtshof het Hof van Justitie in wezen of een dergelijke streamingdienst moet worden aangemerkt als de levering van digitale inhoud in de zin van artikel 2, punt 11, en artikel 16, eerste alinea, onder m, Richtlijn 2011/83.

IT 5320

Gerecht BES: IT-dienstverlener moet dienstverlening voortzetten tijdens overstap naar nieuwe leverancier

Overige instanties 24 feb 2026, IT 5320; ECLI:NL:OGEABES:2026:39 ((Telbo tegen Netpro)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-bes-it-dienstverlener-moet-dienstverlening-voortzetten-tijdens-overstap-naar-nieuwe-leverancier

Gerecht Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 februari 2026, IT 5320; ECLI:NL:OGEABES:2026:39 (Telbo tegen Netpro). In deze zaak tussen Telbo en Netpro staat de afwikkeling centraal van een overeenkomst op grond waarvan Netpro IT-diensten verleent aan telecommunicatieprovider Telbo op Bonaire. Nadat de overeenkomst was opgezegd, ontstond een geschil over de wijze waarop de dienstverlening moest worden beëindigd en overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oordeelt in kort geding dat beide partijen onvoldoende voortvarend hebben gehandeld bij de afwikkeling van de overeenkomst. Netpro moet haar dienstverlening daarom voorlopig voortzetten, terwijl Telbo binnen tien dagen de benodigde nieuwe apparatuur moet bestellen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Telbo en Netpro sloten in 2019 een zogenoemde Managed Services Agreement (MSA), op grond waarvan Netpro verschillende IT-diensten aan Telbo leverde. In de overeenkomst waren onder meer bepalingen opgenomen over de beëindiging van de samenwerking, waaronder een exitregeling en afspraken over de overdracht van de dienstverlening aan een andere leverancier. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de overeenkomst precies is geëindigd, maar zijn het erover eens dat de MSA inmiddels is beëindigd en moet worden afgewikkeld. Daarbij moeten de door Netpro beheerde systemen worden overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener van Telbo. Voor dat migratietraject is medewerking van beide partijen vereist. In de MSA is bepaald dat het migratietraject als project onder verantwoordelijkheid van Telbo moet worden georganiseerd. Volgens Telbo werkt Netpro onvoldoende mee aan de afwikkeling en bestaat het risico dat Netpro haar dienstverlening voortijdig staakt. Telbo vreest dat daardoor haar eigen dienstverlening en facturatie aan inwoners van Bonaire in gevaar komen. Netpro wijst er juist op dat Telbo zelf verantwoordelijk is voor de vertraging van het migratietraject en stelt dat zij niet onbeperkt verantwoordelijk wil blijven voor dienstverlening op verouderde apparatuur. Netpro verlangt daarom onder meer een vrijwaring voor eventuele aansprakelijkheid en heeft daarnaast een voorschotvergoeding voor haar dienstverlening gevorderd. Het Gerecht stelt voorop dat beide partijen een gemeenschappelijk belang hebben bij een spoedige afwikkeling van de overeenkomst. Vervolgens oordeelt het dat zowel Netpro als Telbo steken hebben laten vallen. Netpro had op grond van de MSA al binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst een concept-exitplan moeten opstellen. Dat gebeurde niet. Ook nadat Telbo de overeenkomst had opgezegd, verstrekte Netpro lange tijd geen exitplan en werden technische gegevens pas in januari 2026 gedeeld. Op vragen van het Gerecht over deze vertraging kon Netpro geen duidelijke verklaring geven. Ook Telbo treft volgens het Gerecht een verwijt.

IT 5303

Criteo handelde onrechtmatig door tracking cookies zonder toestemming te plaatsen

Rechtbank Rotterdam 19 nov 2025, IT 5303; ECLI:NL:RBROT:2025:14138 (Criteo tegen [persoon A]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/criteo-handelde-onrechtmatig-door-tracking-cookies-zonder-toestemming-te-plaatsen

Rb. Rotterdam 19 november 2025, IT 5303; ECLI:NL:RBROT:2025:14138 (Criteo tegen [persoon A]). De rechtbank Rotterdam heeft geoordeeld dat advertentietechnologiebedrijf Criteo onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldige toestemming tracking cookies te plaatsen op de apparaten van een individuele internetgebruiker. De rechtbank wijst de vordering van Criteo af om een eerder door het gerechtshof Amsterdam opgelegd verbod op te heffen en verklaart voor recht dat Criteo jegens de gebruiker onrechtmatig heeft gehandeld. Een gevorderde immateriële schadevergoeding wordt echter afgewezen omdat onvoldoende is onderbouwd dat daadwerkelijk schade is geleden. De zaak volgt op eerdere procedures tussen Criteo en een particuliere gebruiker over het plaatsen van tracking cookies via websites van partners van Criteo. Deze cookies worden gebruikt voor gepersonaliseerde advertenties en real-time advertentieveilingen. De gebruiker stelde dat Criteo via partnerwebsites tracking cookies plaatste zonder rechtsgeldige toestemming, in strijd met de AVG en artikel 11.7a Telecommunicatiewet. Eerder had het gerechtshof Amsterdam Criteo al verboden tracking cookies op de apparaten van de gebruiker te (laten) plaatsen zonder voorafgaande geldige toestemming. In de bodemprocedure voerde Criteo aan dat zij inmiddels uitgebreide technische, organisatorische en contractuele maatregelen had getroffen om naleving van de privacyregels te waarborgen. Volgens Criteo kon zij echter niet volledig uitsluiten dat partners fouten maken of regels overtreden. De rechtbank volgt dat verweer niet. Zij benadrukt dat de bescherming van persoonsgegevens een grondrecht is en dat de verantwoordelijkheid van Criteo als verwerkingsverantwoordelijke zich mede uitstrekt tot werkzaamheden die zij aan partners heeft uitbesteed. Dat volledige naleving praktisch lastig is, doet volgens de rechtbank niet af aan die verantwoordelijkheid. Daarom blijft het eerder opgelegde verbod in stand.