Facebookbericht met herleidbare beschuldiging van seksueel misbruik terecht verwijderd
Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IEF 23940; IT 5610; ECLI:NL:RBMNE:2026:6971 ([eiser] tegen [gedaagden]). Twee personen plaatsen op 12 juni 2025 een bericht op Facebook waarin zij een man beschuldigen van het herhaaldelijk verkrachten van een destijds negenjarig meisje. Het bericht wordt geplaatst op een persoonlijke Facebookpagina en in een openbare Facebookgroep. Hoewel de man niet bij naam wordt genoemd, is de beschuldiging door de specifieke combinatie van genoemde verenigingen tot hem herleidbaar. De man ontkent de beschuldiging en stelt dat het bericht zijn eer en goede naam aantast. In juli 2026 volgen twee nieuwe publicaties: een Facebookbericht over de aangifte van de dochter van gedaagden wegens seksueel misbruik in haar jeugd en een gedicht op een persoonlijke website. De man vordert verwijdering van de berichten, rectificatie, een verbod op toekomstige soortgelijke uitlatingen en een voorschot van € 3.000 op immateriële schadevergoeding. Ongeveer een week voor de mondelinge behandeling verwijderen gedaagden het oorspronkelijke Facebookbericht en plaatsen zij een rectificatie op de persoonlijke Facebookpagina van een van hen.
Overeenkomst voor gebrekkige webshop ontbonden, maar geen terugbetaling van reeds betaalde bedragen
Rb. Amsterdam 9 januari 2026, IT 5584; ECLI:NL:RBAMS:2026:1349 ([eiseres] tegen Italindo). Een webontwikkelaar heeft in opdracht van horecagroothandel Italindo International een webshop gebouwd, die in november 2020 online is gegaan. Italindo heeft een deel van de facturen voor de bouw, het onderhoud en de hosting onbetaald gelaten, omdat de webshop volgens haar niet aan de gemaakte afspraken voldeed. De webontwikkelaar vordert betaling van de openstaande facturen, terwijl Italindo terugbetaling van reeds betaalde bedragen en schadevergoeding wegens misgelopen winst verlangt. De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de webontwikkelaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Italindo mocht verwachten dat een professionele webshop voor zakelijke klanten automatisch een orderbevestiging met factuur zou versturen. Hoewel deze functionaliteit niet afzonderlijk was overeengekomen, behoort zij volgens de kantonrechter tot de basale vereisten van een zakelijke webshop. De webontwikkelaar heeft aangegeven dat deze functionaliteit afzonderlijk moest worden aangeschaft. Daaruit mocht Italindo afleiden dat de webontwikkelaar haar verplichting op dit punt niet zou nakomen, waardoor sprake was van verzuim. De kantonrechter honoreert daarom het beroep op ontbinding en ontbindt de overeenkomst voor de bouw van de webshop. Italindo hoeft het resterende bedrag van € 2.236 niet te betalen.
Binnenkort verkrijgbaar: Rechtsvorming door het HvJ in het Europese merkenrecht – Marjolein Bronneman
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij deLex het boek Rechtsvorming door het HvJ in het Europese merkenrecht – Een onderzoek naar de rechten van de merkhouder van Marjolein Bronneman. In dit proefschrift onderzoekt Bronneman hoe het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) de rechten van de merkhouder heeft gevormd en verder ontwikkeld, en hoe de door het Hof ontwikkelde normen zich verhouden tot het wettelijke systeem van het Europese merkenrecht.
Het boek biedt inzicht in de rechtsvormende rol van het HvJ en behandelt onder meer de functieleer, de door het Hof ontwikkelde rechten van de merkhouder en de beperkingen daarop. Daarnaast komen actuele vraagstukken aan bod, zoals de mogelijkheden voor merkhouders om op te treden tegen de verhandeling van refurbished en upcycled merkproducten. Bronneman laat zien waar de rechtspraak en het wettelijke systeem met elkaar wringen en doet concrete voorstellen voor een begrijpelijker, evenwichtiger en toekomstbestendiger Europees merkenrecht. Daarmee biedt het boek zowel een analyse van de rechtspraak als praktische aanknopingspunten voor iedereen die zich met het merkenrecht bezighoudt.
Binnenkort verkrijgbaar bij uitgeverij deLex.
Ziekenhuis moet loggegevens medisch dossier nader toelichten op grond van AVG
Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IT 5583; ECLI:NL:RBMNE:2026:7063 ([verzoeker] tegen Diakonessenhuis). Verzoekster heeft na een videocapsule-endoscopie bij het Diakonessenhuis meerdere verzoeken ingediend om inzage te krijgen in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Zij verzoekt onder meer om volledige logoverzichten van haar medisch dossier, een afschrift van dat dossier, loggegevens uit de MiroView-software en informatie over de medewerkers die haar gegevens hebben geraadpleegd. De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het Diakonessenhuis niet volledig aan zijn inzageverplichting heeft voldaan. Hoewel artikel 15 AVG geen recht geeft op logoverzichten die voldoen aan de NEN 7513, moet de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 15 lid 3 AVG wel een getrouwe en begrijpelijke reproductie van de verwerkte persoonsgegevens verstrekken. De verstrekte logoverzichten vermelden slechts welke schermen door medewerkers zijn geraadpleegd, maar niet welke persoonsgegevens daadwerkelijk zijn ingezien. Ook ontbreekt informatie over de doeleinden van de raadplegingen, waarop verzoekster op grond van artikel 15 lid 1 onder a AVG recht heeft. Het ziekenhuis moet daarom binnen een maand de verstrekte logoverzichten nader toelichten door te specificeren welke persoonsgegevens door de betrokken medewerkers zijn geraadpleegd en met welk doel.
Gerecht EU: Commissie mocht Stripchat op basis van bezoekersgegevens aanwijzen als zeer groot onlineplatform onder de DSA
Gerecht EU 14 oktober 2026, IT 5591; ECLI:EU:T:2026:670 (Technius tegen Commissie). Technius, de exploitant van het onlineplatform Stripchat, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Europese Commissie van 20 december 2023 om Stripchat op grond van artikel 33 van de Digital Services Act (DSA) aan te wijzen als zeer groot onlineplatform. Technius had het gemiddelde aantal maandelijks actieve afnemers in de Europese Unie vastgesteld op ongeveer 31,8 miljoen, terwijl de Commissie uitging van ruim 62 miljoen. Beide berekeningen waren gebaseerd op gegevens van marktonderzoeksbureau Similarweb. Technius had het aantal unieke bezoekers na correctie voor dubbeltellingen echter met ongeveer 49% verminderd om zogenoemde bouncebezoeken uit te sluiten. Dit zijn bezoeken waarbij een gebruiker de website verlaat zonder aan de aangeboden inhoud te zijn blootgesteld. De Commissie verwierp deze aanvullende correctie, omdat Similarweb bij het vaststellen van het aantal unieke bezoekers al een groot deel van dergelijke bezoeken uitsloot. Het Gerecht oordeelt dat de Commissie de methode van Technius op dit punt terecht onbetrouwbaar heeft geacht. De Commissie mocht zich baseren op de beschikbare bezoekersgegevens en hoefde bij gebrek aan nauwkeurigere gegevens niet zelf een alternatieve berekening van het aantal bouncebezoeken te maken. Daarmee mocht zij ervan uitgaan dat Stripchat de DSA-drempel van gemiddeld 45 miljoen maandelijks actieve afnemers in de Unie overschreed.
Leeuwarder Courant hoeft kritisch artikel over snackbarhouder niet te verwijderen
Rb. Noord-Nederland 16 oktober 2026, IEF 23935; IT 5601; ECLI:NL:RBNNE:2026:4470 ([eiser] tegen LC). Een horecaondernemer vordert in kort geding dat de Leeuwarder Courant (LC) een artikel over zijn voormalige snackbar van haar website verwijdert en rectificeert. In het artikel verklaren oud-medewerkers en leveranciers dat de ondernemer salarissen en facturen niet of te laat betaalde. Volgens de ondernemer bevat de publicatie feitelijke onjuistheden, is onvoldoende wederhoor toegepast en wordt zijn eer en goede naam aangetast. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen de vrijheid van meningsuiting van LC en het recht van de ondernemer op bescherming van zijn eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer. Daarbij weegt mee dat de ondernemer als bekende lokale horecaondernemer als publiek figuur moet worden aangemerkt en daarom meer publiciteit en kritiek moet dulden dan een willekeurig ander persoon.
Geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op AVG-verzoek, eiser opnieuw gewaarschuwd voor misbruik van recht
Rb. Rotterdam 8 oktober 2026, IT 5582; ECLI:NL:RBROT:2026:13825 (eiser tegen ACNL). Eiser heeft beroep ingesteld omdat Airport Coordination Netherlands (ACNL) volgens hem niet tijdig heeft beslist op een AVG-verzoek dat hij op 28 februari 2022 zou hebben ingediend. Eiser stelt dat hierdoor dwangsommen zijn verbeurd. De Rechtbank Rotterdam oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser destijds daadwerkelijk een aanvraag bij ACNL heeft ingediend. Wanneer een bestuursorgaan de ontvangst van een aanvraag ontkent, moet de afzender aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maken dat het bericht is verzonden. Eiser heeft dit niet gedaan. Ook de latere toezending van de processtukken door de rechtbank aan ACNL geldt niet als indiening van een aanvraag door eiser. Deze toezending vond plaats op grond van artikel 8:39 lid 1 Awb en niet op grond van artikel 2:3 Awb. ACNL heeft de stukken onverplicht als een alsnog ingediend verzoek behandeld en daarop op 27 mei 2025 beslist. Volgens de rechtbank is geen beslistermijn overschreden en zijn geen dwangsommen verbeurd. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. Het beroep dat op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 27 mei 2025, wordt kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser geen inhoudelijke gronden tegen dat besluit heeft aangevoerd.
Voormalig werknemer krijgt gedeeltelijk inzage in persoonsgegevens op grond van AVG
Rb. Midden-Nederland 1 oktober 2026, IT 5578; ECLI:NL:RBMNE:2026:6977 ([verzoeker] tegen [verweerder]). De rechtbank oordeelt over een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG van een voormalig werknemer aan zijn voormalige werkgever. De verzoeker was oprichter van een online platform en uitgaansagenda, had zijn onderneming in 2017 verkocht aan de verweerder en was vervolgens bij deze onderneming in dienst getreden. Via zijn vennootschap bleef hij aandeelhouder. Nadat in 2025 een conflict tussen de aandeelhouders was ontstaan en zijn dienstverband was beëindigd, verzocht hij om volledige inzage in de door zijn voormalige werkgever verwerkte gegevens, waaronder e-mails, Slack-berichten, WhatsApp-communicatie en personeelsgegevens. De rechtbank stelt voorop dat een betrokkene op grond van artikel 15 AVG recht heeft op inzage in zijn persoonsgegevens en de bijbehorende informatie over de verwerking. Dat een inzageverzoek mogelijk wordt gedaan om de procespositie in andere juridische procedures te versterken, doet aan dit recht niet af. Het begrip persoonsgegevens moet ruim worden uitgelegd en omvat ook subjectieve informatie, zoals meningen en beoordelingen, voor zover deze betrekking hebben op de betrokkene. Het inzagerecht strekt echter niet zonder meer tot het verkrijgen van integrale kopieën van documenten of volledige bedrijfsgegevens.
Koopovereenkomst voor webshop voorshands tot stand gekomen via WhatsApp-berichten
Rb. Overijssel 7 oktober 2026, IT 5577; ECLI:NL:RBOVE:2026:6043 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter oordeelt in kort geding over de vraag of tussen twee ondernemers een koopovereenkomst tot stand is gekomen voor de overname van een webshop in vloerbedekking, inclusief voorraad, abonnementen en lopende contracten. De verkoper had zijn webshop via Marktplaats aangeboden, waarna partijen via WhatsApp onderhandelden over een overnameprijs van € 20.000, de betalingsregeling en de overdrachtsdatum. Nadat de koper op 29 mei 2026 op een concreet voorstel had gereageerd met ‘Zeker akkoord’, werden de afspraken over de overdrachtsdatum en betaling nader gewijzigd en betaalde hij een aanbetaling van € 2.000. Vervolgens ontstond discussie over het schriftelijk vastleggen van de afspraken, waarna de koper van de overname wilde afzien. Volgens de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat partijen al op 29 mei 2026 overeenstemming hadden bereikt over de essentialia van de koopovereenkomst. Daarbij past de kantonrechter de wilsvertrouwensleer toe: bepalend is wat partijen uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten afleiden. Dat partijen de overeenkomst nog juridisch wilden laten vastleggen en over enkele niet-essentiële punten verder onderhandelden, staat niet aan de totstandkoming ervan in de weg. Ook het beroep van de koper op dwaling wegens vermeend onjuiste informatie over de voorraadwaarde slaagt niet. Hij had de voorraad vóór het sluiten van de overeenkomst bezichtigd en pas daarna om nadere informatie over de waarde gevraagd.
HvJ EU: kosten voor openbaredienstverplichtingen mogen afzonderlijk worden doorberekend en historische kosten kunnen grondslag vormen voor nettarieven
HvJ EU 15 oktober 2026, IT 5590; ECLI:EU:C:2026:862 (Fluvius Halle-Vilvoorde e.a. tegen Vlaamse Nutsregulator). Acht Vlaamse distributiesysteembeheerders hebben bij het Hof van Beroep Brussel beroep ingesteld tegen het besluit van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG), inmiddels de Vlaamse Nutsregulator, tot vaststelling van de tariefmethodologie voor de distributie van elektriciteit en aardgas voor de periode 2025-2028. Het geschil betreft onder meer de doorberekening van kosten voor openbare dienstverplichtingen in de nettarieven en het gebruik van historische kosten bij de vaststelling van die tarieven. Het Hof van Justitie oordeelt dat artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) 2019/943, gelezen in samenhang met Richtlijn (EU) 2019/944, zich niet verzet tegen een nationale regeling die toestaat dat niet anderszins gefinancierde kosten voor openbare dienstverplichtingen aan netgebruikers worden doorberekend. Daarbij geldt als voorwaarde dat deze kosten geen onderdeel vormen van de methode voor de berekening en vaststelling van de nettarieven die onder de bevoegdheid van de nationale regulerende instantie valt en duidelijk van die tarieven worden onderscheiden. Volgens het Hof is de enkele omstandigheid dat dergelijke kosten boekhoudkundig aan de nettarieven worden toegerekend niet voldoende om strijd met het Unierecht aan te nemen. Van belang is of de kosten in werkelijkheid een afzonderlijke tariefcomponent vormen en geen invloed hebben op de berekening van de eigenlijke nettarieven. Het is aan de verwijzende rechter om dit te controleren en na te gaan of aan het transparantievereiste wordt voldaan.






























