IT 5149
19 maart 2026
Artikel

Digitale Omnibus uitgelegd: de achtergrond (1/4)

 
IT 5148
19 maart 2026
Uitspraak

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

 
IT 5145
19 maart 2026
Uitspraak

Geen rechtsgeldige ontbinding van overeenkomst tot appontwikkeling wegens ontbreken fatale termijn

 
IT 5149

Artikel geschreven door Gijs van Berkel, Holla.

Digitale Omnibus uitgelegd: de achtergrond (1/4)

Het digitale landschap staat op het punt te veranderen. De Uniewetgever haalt de bezem door de digitale regelgeving met de introductie van de Digitale Omnibus. Met dit pakket wordt bestaande wetgeving opgeschoond, geharmoniseerd en beter op elkaar afgestemd. Onder andere de AI-Verordening, de AVG en de Data Act worden aangepast. 

Vierdelige blogreeks
In deze vierdelige blogreeks zetten wij op een rij wat er (mogelijk) verandert en wat dat voor jouw organisatie kan betekenen. In de volgende delen bespreken we de veranderingen binnen de AVG, de AI‑Verordening en de Data Act. In dit eerste deel zetten we uiteen waarom het Digitale Omnibus er komt en schetsen wij een tijdlijn. 

IT 5148

HvJEU: "Koop op rekening” is een verkoopbevorderende aanbieding, transparantie vereist

HvJ EU 15 mei 2025, IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix Handelsgesellschaft mbH), https://itenrecht.nl/artikelen/hvjeu-koop-op-rekening-is-een-verkoopbevorderende-aanbieding-transparantie-vereist

HvJ EU 25 mei 2025, RB 3984; IT 5148; ECLI:EU:C:2025:352 (Verbraucherzentrale Hamburg tegen bonprix). In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal of een onlinereclame waarin een bijzondere betalingswijze (koop op rekening) wordt aangeboden, kwalificeert als een verkoopbevorderende aanbieding in de zin van artikel 6, onder c), van Richtlijn 2000/31/EG (e-commercerichtlijn). De Duitse consumentenorganisatie betoogt dat de reclame misleidend is, omdat niet direct wordt vermeld dat gebruik van deze betaalmethode afhankelijk is van een kredietwaardigheidscontrole.

IT 5145

Geen rechtsgeldige ontbinding van overeenkomst tot appontwikkeling wegens ontbreken fatale termijn

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 aug 2025, IT 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-rechtsgeldige-ontbinding-van-overeenkomst-tot-appontwikkeling-wegens-ontbreken-fatale-termijn

Hof 's-Hertogenbosch 19 augustus 2025, IT&R 5145; ECLI:NL:GHSHE:2025:2269 ([X B.V.] tegen Myler). In dit hoger beroep stond een overeenkomst centraal waarbij [X B.V.] aan Myler Media B.V. opdracht had gegeven een app en een cms te ontwikkelen voor een digitale restaurantgids met een in-app purchase-model. In het vooraf opgestelde plan van aanpak was als “target date” of gewenste releasedatum 26 maart 2020 genoemd, maar partijen waren het erover eens dat daarmee géén fatale termijn was overeengekomen. Na de start van het project op 5 november 2019 volgde intensief overleg over ontwikkeling, planning en inhoud van de app. [X B.V.] schoof de beoogde releasedatum later zelf op naar 19 april 2020 en legde op 6 februari 2020 per e-mail vast dat op 27 februari een eerste testversie gereed zou zijn, dat eventuele technische en inhoudelijke aanpassingen daarna “zo spoedig mogelijk” zouden worden verwerkt en dat men “alles op alles” zou zetten om de app bij voorkeur uiterlijk 3 maart 2020 bij Apple aan te leveren. Myler reageerde daarop dat geen garanties konden worden gegeven voor een volledig crashvrije app. Nadat op 27 februari 2020 een testversie was gepresenteerd, meende [X B.V.] dat nog verschillende gebreken bestonden. Op 29 februari 2020 beëindigde zij de samenwerking, onder meer nadat was gebleken dat de testversie per ongeluk in de Google Play Store was geplaatst, en op 3 maart 2020 stelde zij Myler alsnog een laatste termijn tot 10 maart 2020 om de app volledig af te ronden, op straffe van buitengerechtelijke ontbinding. Myler betwistte dat zij tekortgeschoten was, reageerde inhoudelijk op de lijst met openstaande punten en wees erop dat voor afronding nog input, keuzes en toegang van [X B.V.] nodig waren. Nadat die uitbleven, ontbond Myler op 26 mei 2020 de overeenkomst partieel voor zover het de nog uit te voeren werkzaamheden betrof en vorderde zij betaling van het resterende loon. De rechtbank had geoordeeld dat de ontbinding door [X B.V.] geen werking had en dat de partiële ontbinding door Myler wel rechtsgeldig was; in hoger beroep bestreed [X B.V.] dat met onder meer grieven over ontbinding, zorgplichtschending, onjuiste advisering, dwaling, bedrog en onrechtmatige daad.

IT 5144

IT-leverancier moet BC-project hervatten en opleveren; opschorting wegens openstaande facturen faalt

Rechtbank Noord-Holland 24 dec 2025, IT 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS), https://itenrecht.nl/artikelen/it-leverancier-moet-bc-project-hervatten-en-opleveren-opschorting-wegens-openstaande-facturen-faalt

Rb. Noord-Holland 24 december 2025, IT&R 5144; ECLI:NL:RBNHO:2025:15321 (De Nederlandse tegen DHS). In dit kort geding tussen De Nederlandse Fashion Support B.V. en Dynamic Hosting Services B.V. (DHS) stond een in mei 2023 gesloten opdrachtovereenkomst centraal, op grond waarvan DHS de bestaande logistieke processen van De Nederlandse, die waren ondergebracht in het systeem Fashion Partner en in Exact, moest overbrengen naar Dynamics 365 Business Central (BC) en moest uitbreiden met de benodigde WMS-functionaliteit. Oorspronkelijk was voorzien dat het project in december 2023 zou worden opgeleverd zodat het per 1 januari 2024 operationeel zou zijn, bij een indicatief budget van € 77.300 exclusief btw op basis van nacalculatie, maar die planning werd niet gehaald. Nadat partijen in september en oktober 2024 opnieuw afspraken hadden gemaakt over de nog uit te voeren werkzaamheden en de verdeling van de aanvullende kosten, liet De Nederlandse uitdrukkelijk weten dat BC uiterlijk per 1 januari 2025 operationeel moest zijn omdat de bestaande leverancier Insys zijn ondersteuning zou beëindigen; ook die datum werd niet gehaald. Vervolgens werden nieuwe tijdelijke oplossingen gezocht, terwijl DHS uiteindelijk haar werkzaamheden opschortte wegens onbetaald gelaten facturen van in totaal € 6.300. In het geding vorderde De Nederlandse onder meer onmiddellijke hervatting van de werkzaamheden, behoorlijke oplevering van het BC-project inclusief training van personeel, en afgifte van de broncode en het functioneel ontwerpdocument van BC; daarnaast vorderde zij ook voorzieningen met betrekking tot een eerder door zustervennootschap DSS geleverde Sorter. DHS voerde daartegen aan dat geen fatale oplevertermijn was overeengekomen, dat de vertraging mede aan De Nederlandse te wijten was omdat zij als voorzitter van de stuurgroep onvoldoende regie zou hebben gevoerd, en dat zij haar werkzaamheden mocht opschorten wegens de openstaande facturen.

IT 5143

A-G: cassatieberoep in IT-implementatiegeschil faalt wegens schending onderzoeks- en waarschuwingsplicht

Hoge Raad 16 jan 2026, IT 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/a-g-cassatieberoep-in-it-implementatiegeschil-faalt-wegens-schending-onderzoeks-en-waarschuwingsplicht

Parket bij de Hoge Raad 16 januari 2026, IT&R 5143; ECLI:NL:PHR:2026:93 (GAC tegen Verano c.s.). Deze conclusie betreft een cassatieprocedure in een IT-implementatiegeschil tussen GAC, als professionele IT-leverancier, en Verano c.s., die haar bestaande systeem wilde vervangen door een nieuw ERP-systeem. Het hof had de rechtsverhouding gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, zodat op GAC de maatstaf van art. 7:401 BW rustte: zij moest handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Tegen die achtergrond oordeelde het hof dat GAC in het voortraject onvoldoende onderzoek had gedaan naar de organisatie en behoeften van Verano c.s. en evenmin voldoende had gewaarschuwd voor de gevolgen daarvan, terwijl dat gebrek aan onderzoek en waarschuwing wél doorwerkte in de verwachtingen die GAC bij Verano c.s. had gewekt over de implementatie van de standaardsoftware en de te verwachten omvang van meer- en maatwerk. Daarbij was van bijzonder belang dat GAC zelf had aangevoerd dat een zogeheten “Diagnose” juist bedoeld was om de benodigde software, kosten en implementatieduur beter in kaart te brengen, maar dat die Diagnose niet is uitgevoerd. Volgens het hof had GAC dat, gelet op haar professionele positie en het complexe karakter van het project, niet zonder meer mogen laten passeren zonder duidelijk te maken dat zij dan niet over de vereiste informatie beschikte. Op die grond kwam het hof tot het oordeel dat GAC was tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst; niet omdat de software als zodanig ondeugdelijk was gebleken, maar omdat GAC haar onderzoeks- en waarschuwingsplicht had geschonden ten aanzien van de geschiktheid van de oplossing en de te verwachten kosten van het benodigde meerwerk.

IT 5146

Rechtbank Amsterdam: volledige eliminatie van beide misbruikselementen bepalend voor schadeberekening in Google Shopping-zaak

Rechtbank Amsterdam 5 nov 2025, IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google), https://itenrecht.nl/artikelen/rechtbank-amsterdam-volledige-eliminatie-van-beide-misbruikselementen-bepalend-voor-schadeberekening-in-google-shopping-zaak

Rb. Amsterdam 5 november 2025, RB 3983; IT 5146; ECLI:NL:RBAMS:2025:8356 (Wolfson tegen Google). Dit tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam gaat over een follow-on schadeprocedure naar aanleiding van het besluit van de Europese Commissie over misbruik van machtspositie door Google [IT 4618]. De Commissie had vastgesteld dat Google haar eigen productvergelijkingsdienst (Google Shopping) systematisch bevoordeelde ten opzichte van concurrerende diensten. Dit besluit is inmiddels definitief bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarmee de inbreuk en de onrechtmatigheid vaststaan. In deze procedure vordert Wolfson Capital Limited schadevergoeding, gebaseerd op aan haar gecedeerde vorderingen van de productvergelijkers Compare en Kieskeurig. De procedure bevindt zich in de fase van schadebegroting. Centraal staat de vraag welk hypothetisch scenario zonder inbreuk (de counterfactual) moet worden gehanteerd om de schade te bepalen. De kern van het geschil is of bij dit scenario beide elementen van het door de Commissie vastgestelde misbruik moeten worden weggedacht, of slechts één. Het misbruik bestond uit een combinatie van twee praktijken: (i) de prominente en gunstige weergave van Google Shopping in de zoekresultaten en (ii) de minder gunstige rangschikking van concurrerende productvergelijkers door middel van algoritmes. Wolfson stelt dat beide elementen moeten worden geëlimineerd om een reëel beeld te krijgen van de situatie zonder inbreuk. Google betoogt daarentegen dat het volstaat om slechts één element weg te denken, en dat verschillende alternatieve scenario’s denkbaar zijn waarin haar gedrag deels gehandhaafd blijft.

IT 5141

Exoneratiebeding van softwareontwikkelaar houdt stand na verwijzing naar schadestaat

Rechtbank Gelderland 23 jul 2025, IT 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists ), https://itenrecht.nl/artikelen/exoneratiebeding-van-softwareontwikkelaar-houdt-stand-na-verwijzing-naar-schadestaat

Rb. Gelderland 23 juli 2025, IT&R 5141; ECLI:NL:RBGEL:2025:11617 (Primedinners tegen Media Artists). In deze procedure stond vast dat Media Artists tegenover Primedinners aansprakelijk was wegens tekortkoming in de nakoming van een samenwerkingsovereenkomst uit 2017 over de ontwikkeling van websites, een app en een softwareplatform; dat was reeds bindend beslist in eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof had geoordeeld dat partijen, in afwijking van de algemene voorwaarden, fatale oplevertermijnen waren overeengekomen, dat Media Artists die termijnen had overschreden en daardoor van rechtswege in verzuim was geraakt, en dat Primedinners de overeenkomst daarom op 23 november 2018 rechtsgeldig buitengerechtelijk had ontbonden. Omdat de schade nog niet kon worden begroot, had het hof de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure en daarbij overwogen dat een beroep van Media Artists op het exoneratiebeding uit haar algemene voorwaarden in die procedure moest worden beoordeeld. In de onderhavige bodemprocedure vorderde Primedinners vervolgens een verklaring voor recht dat de aansprakelijkheid van Media Artists niet op grond van dat beding was uitgesloten of beperkt. De rechtbank verwerpt het niet-ontvankelijkheidsverweer van Media Artists: de verwijzing door het hof naar de schadestaatprocedure was geen bindende eindbeslissing over een geschilpunt tussen partijen, zodat Primedinners het geschil over het exoneratiebeding ook in deze afzonderlijke procedure aan de rechtbank kon voorleggen. Eveneens oordeelt de rechtbank dat de algemene voorwaarden van Media Artists op de samenwerkingsovereenkomst van toepassing zijn, nu dat punt door het hof reeds was beslist en dus gezag van gewijsde heeft; het enkele feit dat partijen later van art. 2.2 van die voorwaarden zijn afgeweken, betekent niet dat de algemene voorwaarden als geheel buiten toepassing zijn geraakt.

IT 5142

Onvoorwaardelijke marketingovereenkomst aangenomen; algemene voorwaarden vernietigd wegens gebrekkige elektronische toegankelijkheid

Rechtbank Amsterdam 12 nov 2025, IT 5142; ECLI:NL:RBAMS:2025:9157 (Nailbar tegen The Next Ad), https://itenrecht.nl/artikelen/onvoorwaardelijke-marketingovereenkomst-aangenomen-algemene-voorwaarden-vernietigd-wegens-gebrekkige-elektronische-toegankelijkheid

Rb. Amsterdam 12 november 2025, IT&R 5142; ECLI:NL:RBAMS:2025:9157 (Nailbar tegen The Next Ad). In deze procedure stonden Nailbar B.V. en haar bestuurder tegenover The Next Ad B.V., een digital-marketingbureau waarmee Nailbar in november 2023 een overeenkomst had gesloten voor het ontwikkelen, publiceren, optimaliseren en beheren van Google-advertentiecampagnes. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de samenwerking zou starten bij de livegang van een nieuwe website, maar nadat Nailbar zelf had aangedrongen op een eerdere aanvang, hebben partijen in een addendum de ingangsdatum vervroegd naar 14 december 2023, zonder daarbij een opschortende voorwaarde op te nemen. Nailbar stelde in conventie dat daarom geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen en vorderde onder meer een verklaring voor recht, terugbetaling van betaalde facturen en schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel tekortkoming. De rechtbank verwerpt dat betoog met toepassing van art. 6:217 BW, art. 3:37 BW en de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Uit de verklaringen en gedragingen van partijen volgt volgens de rechtbank dat wél een onvoorwaardelijke overeenkomst is gesloten: Nailbar wilde zelf eerder starten, het addendum bevatte geen voorbehoud ten aanzien van de nieuwe website, The Next Ad is vervolgens met haar werkzaamheden begonnen en Nailbar heeft de facturen gedurende langere tijd voldaan. Ook de inhoudelijke verwijten treffen geen doel. De rechtbank oordeelt dat The Next Ad niet verantwoordelijk was voor eventuele gebreken aan de nieuwe website, omdat daarvoor een afzonderlijke overeenkomst met een andere partij gold; dat een door The Next Ad geïntroduceerde derde die website bouwde, maakt dat niet anders. Evenmin is komen vast te staan dat The Next Ad tekort is geschoten in de uitvoering van de marketingovereenkomst: zij had haar werkzaamheden met maandrapportages voldoende onderbouwd, de keuze om op Google in te zetten was in overleg gemaakt, omzet- en bezoekersdalingen bewijzen zonder overeengekomen resultaatsverbintenis geen tekortkoming, en ook de tijdelijke blokkade van het Google-account en de gestelde onjuiste voorstelling over de hoedanigheid van een derde leiden niet tot aansprakelijkheid. De vorderingen van Nailbar in conventie worden daarom integraal afgewezen.

IT 5140

Deelname aan The Base en opruiing tot terroristische misdrijven via Telegram

Gerechtshof Den Haag 12 mrt 2026, IT 5140; ECLI:NL:GHDHA:2026:380 (het OM / de Staat tegen [naam verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/deelname-aan-the-base-en-opruiing-tot-terroristische-misdrijven-via-telegram

Hof Den Haag 12 maart 2026, IT&R 5140; ECLI:NL:GHDHA:2026:380 (het OM / de Staat tegen [naam verdachte]). In dit arrest heeft het Gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan de rechtsextremistische terroristische organisatie The Base, aan het in het openbaar opruien tot terroristische misdrijven via een door hem beheerde Telegramgroep en aan het verspreiden van afbeeldingen waarin tot terroristische misdrijven werd opgeruid. Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van april tot en met augustus 2024 propaganda maakte en verspreidde voor The Base, contact onderhield met aan The Base gelieerde Telegramaccounts, en op 15 augustus 2024 zelfs een Nederlandse cel van die organisatie oprichtte en daarvoor personen rekruteerde. Daarnaast plaatste hij in zijn Telegramgroep onder meer racistische, antisemitische en homohaatdragende berichten en beelden, waaronder verwijzingen naar een rassenoorlog, oproepen tot geweld tegen moslims en joden, afbeeldingen met nazisymboliek en beelden van geweld, schiettraining en het gebruik van een molotovcocktail. Het hof verwerpt het verweer dat geen sprake was van openbare opruiing of van opruiing tot terroristische misdrijven: de Telegramgroep was volgens het hof voldoende openbaar, omdat toetreding relatief eenvoudig was, leden via openbare propaganda werden geworven en de groep in korte tijd sterk groeide. Gelet op de inhoud, strekking en context van de uitingen oordeelt het hof dat werd aangespoord tot onder meer moord en brandstichting met terroristisch oogmerk, namelijk het aanjagen van ernstige vrees bij delen van de bevolking en het ontwrichten van de fundamentele sociale structuren van Nederland.

IT 5138

Hoge Raad vernietigt beschikking over ontslag op staande voet wegens onvoldoende waarborging van hoor en wederhoor bij camerabeelden

Hoge Raad 13 mrt 2026, IT 5138; ECLI:NL:HR:2026:409 (de werknemer tegen PostNL), https://itenrecht.nl/artikelen/hoge-raad-vernietigt-beschikking-over-ontslag-op-staande-voet-wegens-onvoldoende-waarborging-van-hoor-en-wederhoor-bij-camerabeelden

HR 13 maart 2026, IT&R 5138; ECLI:NL:HR:2026:409 (de werknemer tegen PostNL). In deze beschikking van 13 maart 2026 beoordeelt de Hoge Raad een ontslag op staande voet van een PostNL-chauffeur. De werknemer was sinds september 2019 in dienst als chauffeur Groot Vervoer. In de nacht van 18 op 19 juli 2023 vervoerde hij pakketten van het distributiecentrum van PostNL in Tilburg naar dat in Son. Daarbij laadde hij in Tilburg rolcontainers met pakketten in, waarna de trailer werd verzegeld. Bij aankomst in Son verbrak hij, in strijd met de instructies van PostNL, zelf de verzegeling, terwijl dat door een medewerker van het distributiecentrum had moeten gebeuren. Op 25 juli 2023 werd de werknemer op non-actief gesteld wegens onregelmatigheden en op 27 juli 2023 op staande voet ontslagen. In deze procedure verzocht hij onder meer om een verklaring voor recht dat aan de opzegging geen dringende reden ten grondslag lag, alsmede om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter wees die verzoeken toe, maar het Hof ’s-Hertogenbosch vernietigde die beslissing. Daarbij baseerde het hof zijn oordeel mede op camerabeelden die voorafgaand aan de mondelinge behandeling door PostNL waren toegezonden via een link, maar die alleen met speciale software konden worden bekeken. De advocaat van de werknemer had het hof laten weten dat het hem om technische redenen niet was gelukt die beelden vooraf te openen, hoewel hij dat wel had willen doen. Het hof had de beelden zelf wél vooraf bekeken en heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de beelden die tijdens de zitting zijn getoond.