Overeenkomst met IT-dienstverlener vernietigd wegens geschonden informatieplichten en oneerlijke handelspraktijken
Rb. Amsterdam 23 juli 2026, RB 4070; IT 5401; ECLI:NL:RBAMS:2026:7689 ([eisers] tegen [gedaagde]). Twee consumenten sloten bij hen thuis mondeling een overeenkomst met een IT-dienstverlener voor een servicepakket van € 27,50 per maand. Omdat de overeenkomst buiten de verkoopruimte was gesloten, moest de dienstverlener voldoen aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m BW en de vormvoorschriften van artikel 6:230t BW. De vernietigingsvordering was niet verjaard, omdat de consumenten pas in februari 2024 daadwerkelijk bekend werden met de feiten en omstandigheden waarop zij de vernietiging baseerden. De dienstverlener had hen onvoldoende geïnformeerd over de voornaamste kenmerken van de diensten en zijn vergaande zeggenschap over onder meer de domeinnamen en digitale omgevingen, de wijze van betaling via automatische incasso, het herroepingsrecht, de duur van de overeenkomst en de opzeggingsvoorwaarden. Ook had hij de vereiste informatie en een bevestiging van de overeenkomst niet op papier of een andere duurzame gegevensdrager verstrekt. Daarmee schond hij de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1, onder a, g, h en o, en artikel 6:230t leden 1 en 2 BW. Voor de minimumduur als bedoeld in artikel 6:230m lid 1, onder p, BW bestond geen informatieplicht, omdat geen minimumduur was overeengekomen. De schendingen waren zo ernstig en betroffen zozeer de kern van de overeenkomst dat deze op grond van artikel 3:40 lid 2 BW vernietigbaar was. Het weglaten van de essentiële informatie vormde bovendien een misleidende omissie. De e-mails waarin de dienstverlener na de opzegging dreigde de ICT-diensten te blokkeren en druk uitoefende om het abonnement voort te zetten, leverden een agressieve handelspraktijk op. De overeenkomst was daarom ook op grond van artikel 6:193j lid 3 BW vernietigbaar.
Gemeente moet camerabeelden tonen na belangenafweging onder de AVG
Rb. Gelderland 17 juni 2026, IT 5396; ECLI:NL:RBGEL:2026:5205 ([verzoekende partij] tegen gemeente Nijmegen). In deze zaak tussen [verzoekende partij] en de gemeente Nijmegen staat de vraag centraal of de gemeente camerabeelden van een ongeval op een ijsbaan beschikbaar moet stellen. De zoon van [verzoekende partij] liep bij het incident tandletsel op. De beelden zijn nodig om de aansprakelijkheid van een andere betrokkene te beoordelen. De gemeente had de camerabeelden veiliggesteld, maar weigerde een kopie te verstrekken omdat daarop ook andere bezoekers te zien zijn en de beelden niet zonder meer konden worden geblurd. Volgens de gemeente stond de AVG daarom aan afgifte in de weg.
Rb. Noord-Nederland: 36 maanden cel voor handel in leads en grootschalige online fraude
Rb. Noord-Nederland 16 juni 2026, IT 5395; ECLI:NL:RBNNE:2026:2388 (het OM tegen de verdachte). In deze strafzaak tegen [verdachte] staat zijn betrokkenheid bij de handel in persoonsgegevens, het ronselen van geldezels en verschillende vormen van online fraude centraal. De rechtbank veroordeelt hem onder meer voor het handelen in zogenoemde leads, het medeplegen van het verzamelen van inloggegevens en bankpassen, oplichting, diefstal met een valse sleutel en een poging tot kind-in-noodfraude. De politie onderzocht de handel in leads en combolijsten via Telegram. Via het account [account 1] werden persoonsgegevens aangeboden en bankpassen en bankrekeningen gezocht. De rechtbank stelt vast dat dit account door [verdachte] werd gebruikt. Op zijn telefoon en laptop werden honderden leadslijsten aangetroffen, evenals software en handleidingen voor phishing, het genereren van leadslijsten en het verzenden van bulkberichten. Ook verkocht hij tweemaal leads aan undercoveragenten. Daarnaast ronselde [verdachte] samen met zijn broer geldezels. Zij verzamelden onder meer bankpassen, simkaarten en inloggegevens van bank- en crypto-accounts. Een van deze rekeningen werd gebruikt bij bankhelpdeskfraude, waarbij bijna € 140.000 van een slachtoffer werd weggenomen. Volgens de rechtbank was de bijdrage van [verdachte] voldoende wezenlijk om hem als medepleger voor het volledige bedrag verantwoordelijk te houden.
AVG-rectificatieverzoek biedt geen route om kinderbeschermingsmaatregelen inhoudelijk te laten beoordelen
RvS 17 juni 2026, IT 5390; ECLI:NL:RVS:2026:3763 ([appellante] en de staatssecretaris voor Rechtsbescherming). Een moeder verzocht de staatssecretaris voor Rechtsbescherming op grond van artikel 16 lid 1 AVG om rectificatie van twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming uit 2018 over haar oudste zoon. Volgens haar bevatten de rapporten grotendeels onjuiste informatie en werd daarop nog steeds teruggegrepen in procedures over het gezag en de omgang met haar zoon. De staatssecretaris wees het verzoek gedeeltelijk toe en paste de rapporten aan waar verschillende onjuistheden waren vastgesteld. Klachten over het handelen of nalaten van de Raad voor de Kinderbescherming vielen volgens de staatssecretaris buiten de AVG-procedure. De Rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep ongegrond. Zij overwoog dat het rectificatierecht van artikel 16 AVG niet is bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies te corrigeren of te verwijderen alleen omdat de betrokkene zich daarmee niet kan verenigen. Ook kan de bestuursrechter in deze procedure niet beoordelen welke gevolgen de Raad voor de Kinderbescherming of de civiele rechter aan de gerectificeerde rapporten moet verbinden. Over het verzoek om wissing van de rapporten was bovendien al in een andere procedure beslist.
Uitspraak ingezonden door Dirk Visser en Jasper Klopper, Visser Schaap & Kreijger.
Beroep op parodie-exceptie faalt bij commerciële exploitatie ABBA-parodie ‘Dikke Pens’
Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026, IEF 23721; IT 5394; ECLI:NL:RBMNE:2026:4647 (De Kapotte Kachels tegen Universal Music Publishing). De carnavalsband De Kapotte Kachels bracht het nummer Dikke Pens (Clap Your Pens) uit, waarin de melodie van Take A Chance On Me van ABBA wordt gebruikt met een nieuwe, carnavaleske tekst. Universal Music Publishing, die namens de rechthebbenden van ABBA optreedt, liet het nummer van onder meer Spotify verwijderen wegens auteursrechtinbreuk. De Kapotte Kachels vorderen daarop onder meer verklaringen voor recht dat Dikke Pens een toegestane parodie is in de zin van artikel 18b Auteurswet.
HvJ EU: dynamische streamingdienst valt onder begrip digitale dienst
HvJ EU 9 juli 2026, IT 5392; RB 4066; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation). In deze zaak biedt Sky Österreich een streamingdienst aan waarmee consumenten via een link of applicatie toegang krijgen tot programma’s die op een server zijn opgeslagen. De programma’s kunnen live of on demand worden bekeken en, afhankelijk van de beschikbare licenties, worden gedownload en offline worden bekeken. Een download kan slechts eenmaal worden bekeken en moet binnen 48 uur vanaf het begin van het afspelen volledig zijn bekeken. Bij het online afsluiten van een abonnement moet de consument instemmen met een beding waarin hij ermee akkoord gaat dat Sky Österreich vóór het verstrijken van de herroepingstermijn van veertien dagen met de uitvoering van de overeenkomst begint en erkent dat hij daardoor zijn herroepingsrecht verliest. De Oostenrijkse consumentenorganisatie Verein für Konsumenteninformation (VKI) stelt dat deze informatie ontoereikend is, omdat het streamingabonnement een digitale dienst vormt en het herroepingsrecht pas vervalt wanneer die dienst volledig is geleverd. Sky Österreich stelt daarentegen dat zij digitale inhoud levert, zodat het herroepingsrecht volgens haar is uitgesloten zodra de uitvoering van de overeenkomst een aanvang neemt. Nadat VKI in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, vraagt het Oberste Gerichtshof het Hof van Justitie in wezen of een dergelijke streamingdienst moet worden aangemerkt als de levering van digitale inhoud in de zin van artikel 2, punt 11, en artikel 16, eerste alinea, onder m, Richtlijn 2011/83.
ABN AMRO moet overzicht geven van persoonsgegevens uit interne notities en correspondentie
Rb. Amsterdam 13 september 2018, IT 5387; ECLI:NL:RBAMS:2018:6438 ([verzoekster] tegen ABN AMRO). Een voormalige werkneemster van ABN AMRO verzocht de bank op grond van artikel 35 lid 2 Wbp om een volledig en begrijpelijk overzicht van de persoonsgegevens die over haar waren verwerkt. Tussen partijen had van 2001 tot en met 2011 een arbeidsverhouding bestaan en daarnaast was sprake geweest van een hypothecaire geldlening. Hoewel de Wbp tijdens de procedure was vervallen en de Uitvoeringswet AVG inmiddels van toepassing was, beoordeelt de rechtbank het verzoek op grond van de Wbp. Uit artikel 48 lid 10 Uitvoeringswet AVG volgt namelijk dat op verzoeken die bij de inwerkingtreding van die wet al aanhangig waren, het voordien geldende recht van toepassing blijft. Het verzoek betreft drie categorieën: het voormalige e-mailaccount van verzoekster, interne notities en correspondentie van medewerkers en juristen van ABN AMRO en gegevens over de hypotheek. Het verzoek ten aanzien van het e-mailaccount wordt afgewezen. ABN AMRO had al een overzicht verstrekt van de gevonden e-mails, met onder meer de datum, het onderwerp en de afzender en ontvanger. De bank had bovendien toegelicht dat het e-mailaccount na de uitdiensttreding was opgeheven en had na navraag bij de beheerder alsnog enkele e-mails gevonden en overgelegd. Daartegenover betwistte verzoekster onvoldoende gemotiveerd dat nog meer e-mails bestonden.
Financieel oogmerk en patroon van AVG-inzageverzoeken leiden tot niet-ontvankelijkheid
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5385; ECLI:NL:RBNHO:2026:8438 ([verzoeker] tegen Rydo). Verzoeker was als gemachtigde betrokken bij een procedure van een derde tegen Rydo Telecom over de gestelde niet-ontvangst van twee bestelde telefoons. In het kader van het onderzoek naar die kwestie had Rydo onder meer contact opgenomen met PostNL. Verzoeker diende vervolgens op 20 december 2023 een inzageverzoek in op grond van de AVG. Namens Rydo werd meegedeeld dat er op dat moment geen reden werd gezien om aan het verzoek te voldoen. Verzoeker sommeerde Rydo daarna alsnog inzage te geven en kondigde € 925 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten en een gerechtelijke procedure aan. In juli 2025 deelde Rydo mee dat zij in verband met de eerdere procedure alleen verzoekers naam, e-mailadres en een verklaring van PostNL had verwerkt en dat deze gegevens na sluiting van het dossier waren verwijderd. Verzoeker verlangde daarop onder meer inzage in de voormalige verwerking, bewijs van verwijdering door een onafhankelijke derde, informatie over verstrekkingen aan derden en de volledige verwerkingshistorie. Hij dreigde met een procedure, dwangsommen, schadevergoeding en vergoeding van kosten en stelde daarnaast voor de kwestie tegen betaling van € 3.250 te beëindigen. Kort voor de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 35.000, en een proceskostenveroordeling. De aanvankelijk gevorderde buitengerechtelijke kosten en werkelijke proceskosten handhaafde hij niet.
Artikel geschreven door Stefaan Meuwissen, Knowledge Lawyer I.P. bij Hogan Lovells International LLP.
AI roept nieuwe vragen op in domeinnaamgeschillen
Stefaan Meuwissen, 21 juli 2026.
Generatieve AI kan binnen enkele seconden een professioneel ogende UDRP-klacht of reactie opstellen, compleet met ogenschijnlijk relevante rechtsleer, gestructureerde juridische argumenten en verwijzingen naar zaken. Dat heeft een voordeel: het kan de praktische drempels voor deelname verlagen en ertoe leiden dat meer verweerders inhoudelijk reageren in plaats van verstek te laten gaan, en door AI ondersteunde reacties zouden uiteindelijk eerder regel dan uitzondering kunnen worden. Er is echter ook een keerzijde. De vloeiendheid en schijnbare autoriteit van door AI gegenereerde tekst kunnen ernstige zwaktes verhullen,waaronder verzonnen gezaghebbende bronnen, onjuiste citaten, irrelevante juridische analyses en feitelijke stellingen waarvoor geen gelijktijdig bestaand bewijs beschikbaar is. AI verandert ook het bewijs waarop partijen zich beroepen. Zoekresultaten, website-inhoud, bedrijfsplannen en waarderingen van domeinnamen kunnen inmiddels allemaal door AI worden gegenereerd. In sommige gevallen maakt het door AI gegenereerde materiaal zelf deel uit van het betwiste gedrag, bijvoorbeeld een website die vrijwel volledig door een geautomatiseerd hulpmiddel is gebouwd en die volgens een partij kwade trouw zou aantonen. Voor advocaten en panelleden is de praktische vraag voortaan zelden of AI is gebruikt. De vraag is of het resulterende stuk of bewijs nauwkeurig, relevant, verifieerbaar en voldoende is om vast te stellen wat de UDRP daadwerkelijk vereist.
Hoge Raad verduidelijkt representativiteitseis in collectieve privacyactie tegen Oracle en Salesforce
HR 17 juli 2026, IT 5384; ECLI:NL:HR:2026:1198 (Oracle tegen TPC/Salesforce tegen TPC). Stichting The Privacy Collective (TPC) stelde namens ongeveer tien miljoen Nederlandse internetgebruikers een collectieve actie in tegen Oracle en Salesforce wegens gestelde privacyschendingen die verband houden met het plaatsen van cookies en het opbouwen en gebruiken van gebruikersprofielen voor onder meer gerichte reclame. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht, ge- en verboden en tegen ieder van de ondernemingen betaling van € 5 miljard, althans € 500 per persoon uit de relevante achterban. De Rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde dat oordeel, verklaarde TPC ontvankelijk en verwees de zaak terug naar de rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW in hoger beroep in beginsel ex nunc worden getoetst. De rechter mag dus rekening houden met feiten, omstandigheden en herstelde gebreken die zich na het uitbrengen van de dagvaarding hebben voorgedaan. De tekst en wetsgeschiedenis van de WAMCA geven geen aanleiding om op dit punt af te wijken van het algemene uitgangspunt dat de appelrechter beslist naar de toestand ten tijde van zijn uitspraak.



























