HvJ EU: lidstaten mogen buitenlandse pornowebsites niet algemeen verplichten tot leeftijdsverificatie
HvJ EU 16 juni 2026, IEF 23643; IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 (WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat). In deze gevoegde zaken staat de vraag centraal in hoeverre lidstaten regels mogen opleggen aan online diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Het Hof van Justitie buigt zich over de Franse regels die pornografische websites verplichten een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren om minderjarigen de toegang te ontzeggen, en over regels die aanbieders van navigatie- en verkeersapps verbieden informatie over bepaalde politiecontroles door te geven. Het Hof schetst daarbij uitvoerig de reikwijdte van het begrip “gecoördineerd gebied” in de Richtlijn elektronische handel, de verhouding tussen dat gecoördineerde gebied en de (beperkte) harmonisatie in hoofdstuk II en III, en de ruimte die lidstaten behouden om op te treden ter bescherming van fundamentele belangen zoals de waardigheid van minderjarigen, de openbare orde en de openbare veiligheid. De eerste zaak betreft twee Tsjechische ondernemingen die pornografische websites exploiteren. Op grond van Franse wetgeving mogen minderjarigen geen toegang hebben tot pornografische inhoud. Een eenvoudige verklaring van de gebruiker dat hij of zij meerderjarig is, volstaat daarvoor niet. De Franse strafbepaling verbiedt in algemene en abstracte bewoordingen het aanbieden van bepaalde content die door minderjarigen kan worden gezien, en wordt uitgewerkt in een regeling die de toezichthouder (ARCOM) in staat stelt concrete aanbieders individueel aan te schrijven en hen te verplichten technische maatregelen te nemen die de leeftijd van gebruikers daadwerkelijk controleren. De ondernemingen voeren aan dat Frankrijk hiermee de Richtlijn elektronische handel schendt, omdat aanbieders van informatiemaatschappijdiensten in beginsel uitsluitend onder het recht van hun lidstaat van vestiging vallen. De tweede zaak draait om de Franse navigatie-app van Coyote. De Franse wetgever heeft bepaald dat aanbieders van elektronische rijhulpen en navigatiediensten gedurende een beperkte periode en binnen een geografisch beperkt gebied geen meldingen mogen verspreiden over bepaalde alcohol- en drugscontroles of politieacties tegen personen die worden gezocht voor ernstige misdrijven of een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. Volgens Coyote vormt dit een ontoelaatbare beperking van de vrije dienstverrichting en legt deze regeling in feite een verboden algemene toezichtverplichting op. Het Hof begint met een principiële uitleg van de Richtlijn elektronische handel. Volgens het Hof is het zogenoemde “gecoördineerde gebied” niet beperkt tot de onderwerpen die uitdrukkelijk zijn geharmoniseerd in hoofdstuk II en III van de richtlijn. Ook nationale regels die niet zijn geharmoniseerd vallen daaronder, mits zij betrekking hebben op de toegang tot of de uitoefening van een activiteit van een informatiemaatschappijdienst en niet vallen onder de expliciete uitzonderingen in de richtlijn (zoals belasting, gegevensbescherming, kansspelen e.d.). Dat geldt eveneens voor regels van strafrechtelijke aard en voor regels die de openbare orde, openbare veiligheid of de bescherming van minderjarigen dienen. De richtlijn sluit dergelijke terreinen niet categorisch uit en de in de bijlage genoemde derogaties vormen een uitputtende lijst van materies waarvoor het art. 3‑mechanisme niet geldt. Daaruit volgt volgens het Hof dat zowel een verplichting om de leeftijd van gebruikers van pornografische websites te controleren als een verbod om bepaalde verkeersinformatie door te geven, kwalificeren als eisen die betrekking hebben op de uitoefening van een informatiemaatschappijdienst (toegangsvoorwaarden, inhoud/functionaliteit van de dienst). Deze nationale regels vallen daarom binnen het gecoördineerde gebied van de richtlijn en moeten worden getoetst aan het stelsel van artikel 3 daarvan, waarin het uitgangspunt geldt dat een dienst in beginsel wordt gereguleerd door de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd en andere lidstaten de vrije dienstverrichting niet mogen beperken, behoudens een beroep op de derogatie van artikel 3, lid 4. Het Hof maakt vervolgens een onderscheid tussen algemene wetgeving en individuele maatregelen.
Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes
Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.
Artikel geschreven door Ilona Kuipers, ICTRecht.
Van Wegiz tot Wet GIS: de Nederlandse invulling van de EHDS
In februari schreven we al in een blog over de hoofdlijnen van de implementatie van de European Health Data Space verordening (EHDS) met als doel het beter beschikbaar maken van gezondheidsgegevens. Sindsdien is er veel gebeurd en met de kamerbrief van 18 mei 2026 worden eerder aangekondigde keuzes geconcretiseerd. Daarnaast zijn de eerste conceptstukken van de bijbehorende uitvoeringswet inmiddels beschikbaar gemaakt: het wetsvoorstel Wet op het gezondheidsinformatiestelsel (Wet GIS) en de bijbehorende Memorie van Toelichting.[1]
Daarmee geeft de wetgever, na een lange tijd onduidelijkheid, een beeld van hoe Nederland de EHDS juridisch gaat inrichten. De uitvoering van de EHDS gaat in tranches plaatsvinden, waarbij de eerste tranche, de wet GIS, zich richt op het fundament van het stelsel, zoals het aanwijzen van de instanties die worden belast met taken op grond van de EHDS. De inhoudelijke bepalingen rond primair gebruik, secundair gebruik en EPD-systemen komen pas in de tweede tranche aan de orde. In dit blog lichten wij de huidige stand van zaken toe en gaan we in op de gemaakte keuzes in de wet GIS.
De wet GIS
De wetgever heeft ervoor gekozen om de nationale wetgeving in tranches te wijzigen met meerdere wetsvoorstellen die gezamenlijk de Stelselwet gegevensverwerking in de zorg gaan vormen. De wet GIS geeft als eerste tranche uitvoering aan de bepalingen uit de EHDS voor zover die per 26 maart 2027 van toepassing worden. Deze bepalingen zien op de aanwijzing van de instanties die belast zijn met uitvoeringstaken en het toezicht- en handhavingskader. Ook wordt in de Wet GIS een aanpassing van de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg (Wegiz) voorgesteld, namelijk op het gebied van de conformiteitsbeoordeling.[2]
De internetconsultatie ter voorbereiding op de Wet GIS is gestart op 28 mei 2026 en sluit op 8 juli 2026. Of je nu zorgaanbieder, patiënt(organisatie), EPD-leverancier, onderzoeker of anderszins betrokken bent: dit is hét moment om van je te laten horen. Reageren kan via internetconsultatie.nl.
Gerecht BES: IT-dienstverlener moet dienstverlening voortzetten tijdens overstap naar nieuwe leverancier
Gerecht Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 februari 2026, IT&Recht 5320; ECLI:NL:OGEABES:2026:39 (Telbo tegen Netpro). In deze zaak tussen Telbo en Netpro staat de afwikkeling centraal van een overeenkomst op grond waarvan Netpro IT-diensten verleent aan telecommunicatieprovider Telbo op Bonaire. Nadat de overeenkomst was opgezegd, ontstond een geschil over de wijze waarop de dienstverlening moest worden beëindigd en overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener. Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba oordeelt in kort geding dat beide partijen onvoldoende voortvarend hebben gehandeld bij de afwikkeling van de overeenkomst. Netpro moet haar dienstverlening daarom voorlopig voortzetten, terwijl Telbo binnen tien dagen de benodigde nieuwe apparatuur moet bestellen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Telbo en Netpro sloten in 2019 een zogenoemde Managed Services Agreement (MSA), op grond waarvan Netpro verschillende IT-diensten aan Telbo leverde. In de overeenkomst waren onder meer bepalingen opgenomen over de beëindiging van de samenwerking, waaronder een exitregeling en afspraken over de overdracht van de dienstverlening aan een andere leverancier. Partijen verschillen van mening over het moment waarop de overeenkomst precies is geëindigd, maar zijn het erover eens dat de MSA inmiddels is beëindigd en moet worden afgewikkeld. Daarbij moeten de door Netpro beheerde systemen worden overgezet naar een nieuwe IT-dienstverlener van Telbo. Voor dat migratietraject is medewerking van beide partijen vereist. In de MSA is bepaald dat het migratietraject als project onder verantwoordelijkheid van Telbo moet worden georganiseerd. Volgens Telbo werkt Netpro onvoldoende mee aan de afwikkeling en bestaat het risico dat Netpro haar dienstverlening voortijdig staakt. Telbo vreest dat daardoor haar eigen dienstverlening en facturatie aan inwoners van Bonaire in gevaar komen. Netpro wijst er juist op dat Telbo zelf verantwoordelijk is voor de vertraging van het migratietraject en stelt dat zij niet onbeperkt verantwoordelijk wil blijven voor dienstverlening op verouderde apparatuur. Netpro verlangt daarom onder meer een vrijwaring voor eventuele aansprakelijkheid en heeft daarnaast een voorschotvergoeding voor haar dienstverlening gevorderd. Het Gerecht stelt voorop dat beide partijen een gemeenschappelijk belang hebben bij een spoedige afwikkeling van de overeenkomst. Vervolgens oordeelt het dat zowel Netpro als Telbo steken hebben laten vallen. Netpro had op grond van de MSA al binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst een concept-exitplan moeten opstellen. Dat gebeurde niet. Ook nadat Telbo de overeenkomst had opgezegd, verstrekte Netpro lange tijd geen exitplan en werden technische gegevens pas in januari 2026 gedeeld. Op vragen van het Gerecht over deze vertraging kon Netpro geen duidelijke verklaring geven. Ook Telbo treft volgens het Gerecht een verwijt.
Morgen is het zover: WK & Recht in Amsterdam.
Na de winst van Oranje afgelopen zaterdag zijn er meer ogen gericht op het WK dan ooit tevoren. De spanning loopt op, de oranje merchandise ligt al in de schappen en merken staan klaar om mee te juichen.
Bij WK & Recht kijken we naar de juridische kant van al die Oranjekoorts. Van privacy in stadions en gezichtsherkenning tot wedstrijddata, sponsoring, licenties en WK-campagnes: het toernooi leeft ook buiten het veld.
Onder leiding van Sabin Tigu bespreken we dit met Eliëtte Vaal, Lars Boer, Tim Wilms, Dolf Segaar, Bram Bogaerts en Hans Schakel.
Dinsdag 23 juni 2026 | Buro de Pijp, Amsterdam
Meer informatie en aanmelden: https://www.delex.nl/shop/opleidingen/wk-recht-dinsdag-23-juni-2026
Geen dwaling over antivirus- en anti-ransomwarediensten: IT-dienstverlener leverde overeengekomen securitydiensten
Rb. Amsterdam 6 juni 2026, IT&Recht 5318; ECLI:NL:RBAMS:2025:4025 (Knooppunt tegen Hands On). In deze zaak staat de vraag centraal of een IT-dienstverlener kosten in rekening heeft gebracht voor antivirus- en anti-ransomwarediensten die volgens de afnemer nooit zijn geleverd. Daarnaast is in geschil of de afnemer bij het aangaan van de beheersovereenkomst heeft gedwaald over de inhoud van deze diensten en of de IT-dienstverlener aansprakelijk kan worden gehouden voor mogelijke toekomstige schade als gevolg van een onvoldoende beveiligde IT-omgeving. Knooppunt exploiteert een fysiotherapiepraktijk en maakt deel uit van een groep praktijkvennootschappen. Hands On levert IT-diensten, waaronder advisering, beheer en ondersteuning. In 2021 sluiten partijen een consultancyovereenkomst, een licentieovereenkomst en een beheersovereenkomst. In de beheersovereenkomst is een zogenoemd SLA Comfort overeengekomen, dat onder meer ziet op monitoring, onderhoud, licentie- en contractmanagement, incidentafhandeling, back-updiensten en securitydiensten. Onder die securitydiensten vallen een antivirusdienst, een anti-ransomwaredienst en multi-factor authenticatie. De licentieovereenkomst eindigt in 2022. De beheersovereenkomst wordt door Knooppunt opgezegd tegen het einde van de looptijd en eindigt op 30 juni 2024. Daarna neemt een andere IT-dienstverlener, RoRo, het beheer van de IT-omgeving over. Knooppunt stelt zich op het standpunt dat Hands On gedurende de looptijd van de beheersovereenkomst uitsluitend gebruik heeft gemaakt van Microsoft Defender, terwijl daarvoor afzonderlijk antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Volgens Knooppunt waren deze diensten onderdeel van de standaard Microsoft-licenties en heeft Hands On geen aanvullende werkzaamheden verricht. Daarnaast voert Knooppunt aan dat Microsoft Defender geen afdoende bescherming biedt tegen virussen en ransomware. Omdat Hands On volgens Knooppunt ten onrechte de indruk heeft gewekt dat zij onmisbare beveiligingsdiensten leverde, beroept Knooppunt zich op dwaling. Zij vordert wijziging van de beheersovereenkomst en terugbetaling van de bedragen die volgens haar ten onrechte voor antivirus- en anti-ransomwarediensten in rekening zijn gebracht. Daarnaast verzoekt zij een verklaring voor recht dat Hands On aansprakelijk is voor eventuele toekomstige schade als gevolg van een ondeugdelijke beveiliging van haar gegevens. De rechtbank overweegt dat eerst moet worden vastgesteld welke afspraken partijen precies hebben gemaakt over de antivirus- en anti-ransomwarediensten. Volgens Hands On maakten deze diensten onderdeel uit van een breder pakket aan beheers- en securitydiensten.
Rb. Amsterdam: tussenpersoon niet aansprakelijk voor foutief reserveringstarief
Rb. Amsterdam 11 mei 2026, IT&Recht 5316; ECLI:NL:RBAMS:2026:5686 ([verzoeker] tegen Booking). In deze zaak staat de vraag centraal of Booking aansprakelijk is voor schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden nadat een via het platform geboekte accommodatie is geannuleerd wegens een onjuist, te laag reserveringstarief. [verzoeker] had via Booking een accommodatie in Frankrijk geboekt voor de periode van 27 december 2025 tot 3 januari 2026. Enkele maanden later laat Booking weten dat de aanbieder een foutief reserveringstarief heeft doorgegeven. [verzoeker] weigert akkoord te gaan met de hogere prijs, waarna de aanbieder de reservering annuleert. De procedure wordt gevoerd in het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV). Booking exploiteert een online reserveringsplatform waarop accommodaties van derden worden aangeboden. In de algemene voorwaarden staat onder meer dat Booking geen partij is bij de overeenkomst tussen de klant en de aanbieder, dat de aanbieder verantwoordelijk is voor de reiservaring en dat prijzen, beschikbaarheid en annuleringsvoorwaarden afkomstig zijn van de aanbieder. Ook is opgenomen dat duidelijke fouten of drukfouten niet bindend zijn en dat een boeking in dat geval kan worden geannuleerd. De rechtbank stelt eerst vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Omdat Booking in Amsterdam is gevestigd, volgt die bevoegdheid uit artikel 4 van de Brussel I-bis Verordening. Vervolgens beoordeelt de rechtbank welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 6 Rome I geldt in beginsel Nederlands recht, omdat partijen daarvoor in de algemene voorwaarden hebben gekozen en de consument daardoor niet de bescherming verliest die hij aan het dwingende Belgische consumentenrecht kan ontlenen. Volgens de rechtbank is deze rechtskeuze dan ook niet oneerlijk. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of Booking aansprakelijk is voor de onjuiste prijsinformatie.
Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer
Rb. Rotterdam 21 april, IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.
Artikel geschreven door Chantal Bakermans, Penrose.law.
AI-aansprakelijkheid voor ondernemingen: waarom agentic AI een bestuurlijk risico is
Chantal Bakermans, 20 mei 2026.
AI-aansprakelijkheid voor ondernemingen: waarom agentic AI een bestuurlijk risico is
AI is niet langer een hulpmiddel naast het bedrijfsproces, maar een procesdeelnemer met toegang tot data, externe input en de bevoegdheid om namens de organisatie te handelen. Die combinatie verandert AI-risico van een IT-vraagstuk in een juridisch en bestuurlijk vraagstuk. Dit artikel bespreekt waar de aansprakelijkheid ligt, welke regelgeving van toepassing is (AI Act, AVG, NIS2, DORA, productaansprakelijkheid) en welke stappen ondernemingen nu zouden moeten zetten.
Opzegvergoeding energiecontract blijft in stand: digitale overdracht algemene voorwaarden voldoende
Rb. Oost-Brabant 27 mei 2026, IT&Recht 5314; ECLI:N:RBOBR:2026:3623 (Clean Energy tegen [gedaagde]). In deze zaak staat de vraag centraal of [gedaagde] een opzegvergoeding verschuldigd is wegens het voortijdig beëindigen van een driejarig zakelijk energiecontract met Clean Energy. Daarnaast is de vraag of de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden en contractvoorwaarden rechtsgeldig van toepassing zijn verklaard en of het daarin opgenomen opzegbeding vernietigbaar is op grond van artikel 6:233 BW en artikel 6:234 BW. Nu [gedaagde] als kleinzakelijke partij optreedt, beoordeelt de rechtbank zijn beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden inhoudelijk. Tussen Clean Energy en [gedaagde] is op 14 november 2022 een zakelijke overeenkomst gesloten voor de levering van gas en elektriciteit aan het bedrijfsadres van [gedaagde]. De overeenkomst heeft een looptijd van drie jaar, van 1 december 2022 tot 1 januari 2026, tegen vaste tarieven. [gedaagde] kampt vrijwel vanaf het begin met betalingsachterstanden. Op 16 januari 2024 stelt Clean Energy een eindafrekening over 2023 op van € 14.358,20, die onbetaald blijft. Vervolgens stapt [gedaagde] per 15 april 2024 over naar een andere energieleverancier, waardoor de overeenkomst voortijdig eindigt. De eindafrekening over 2024 bedraagt uiteindelijk € 19.335,16, waarvan € 13.465,36 ziet op een opzegvergoeding. Ook deze factuur blijft onbetaald. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] tijdens de looptijd van de overeenkomst is overgestapt naar een andere energieleverancier. Daarmee is de overeenkomst met Clean Energy voortijdig beëindigd. Het standpunt van [gedaagde] dat een overstap niet automatisch tot beëindiging van de overeenkomst leidt, volgt de rechtbank niet. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat hij niet gelijktijdig meerdere energieleveranciers op dezelfde aansluiting kon hebben. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de algemene voorwaarden en contractvoorwaarden van toepassing zijn. Clean Energy heeft uitvoerig toegelicht dat de overeenkomst tot stand is gekomen via het digitale verkoopsysteem Salesdock, waarbij [gedaagde] tijdens het offerteproces expliciet akkoord moest gaan met de toepasselijkheid van de voorwaarden voordat de offerte kon worden geaccepteerd. De voorwaarden waren gedurende het proces via hyperlinks beschikbaar, konden worden opgeslagen als pdf en werden na acceptatie nogmaals per e-mail toegezonden. Ter ondersteuning heeft Clean Energy een verklaring overgelegd van de betrokken tussenpersoon en schermafbeeldingen van het systeem.



























