Aanstaande woensdag: Entertainment & Recht 2026 – schrijf je nu nog in!
Aanstaande woensdag 9 september vindt het seminar Entertainment & Recht 2026 plaats. In één middag word je bijgepraat over de belangrijkste juridische ontwikkelingen in de entertainmentsector. Dagvoorzitters Marijn Kingma (Höcker) en Michiel Odink (Leeway) openen de middag met de Entertainment Top 10. Daarna bespreekt Peter Marx (MVVP) de juridische aspecten van sync, gaat Merel Teunissen (Liaise Advocaten) in op Film & AI en recente ontwikkelingen in het filmrecht en behandelen Janneke Popma (Höcker) en Vera Nederpelt (Dikhoff Van Dongen Advocaten) exploitatiecontracten. De middag wordt afgesloten met een paneldiscussie over muziekcontracten, auteurscontractenrecht, beëindiging en billijke vergoeding.
Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus wil je erbij zijn? Schrijf je dan nu nog in! Het programma vindt plaats van 12.30 tot 17.15 uur (inloop vanaf 12.00 uur), levert 4 opleidingspunten op en wordt afgesloten met een netwerkborrel.
Betalingsverplichting consument met 20% verminderd wegens schending informatieplichten; incassobeding Riverty vernietigd
Rb. Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2026, IT 5501; ECLI:NL:RBZWB:2026:7598 (Riverty tegen [gedaagde]). Riverty vordert € 149,99 van een consument voor een bestelling bij Decathlon die via achteraf betalen is afgerekend. De consument voert aan dat hij de bestelling heeft geannuleerd en daarom niets verschuldigd is. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Uit het door Riverty overgelegde betaaloverzicht blijkt dat op naam en adres van de consument een bestelling is geplaatst, terwijl hij de juistheid daarvan onvoldoende concreet heeft betwist. Uit de door de consument overgelegde screenshot van een annuleringsmail kan bovendien niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de specifieke bestelling waarvoor Riverty betaling vordert. Daarbij weegt mee dat de consument pas in december 2025 voor het eerst heeft aangevoerd dat de bestelling was geannuleerd, terwijl Riverty hem al in 2023 en 2024 over de openstaande vordering had aangeschreven. De kantonrechter concludeert daarom dat de consument in beginsel gehouden is het aankoopbedrag te betalen.
Rechtbank: politie handelt onrechtmatig door politiegegevens met ANWB te delen
Rb. Den Haag 29 juli 2026, IT 5494; ECLI:NL:RBDHA:2026:21977 ([eisers] tegen de politie). De rechtbank oordeelt dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door in 2022 politiegegevens over een ondernemer met de ANWB te delen. De politie heeft de ANWB meegedeeld dat de ondernemer werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en heeft conclusies uit een proces-verbaal met restinformatie gedeeld. Volgens de rechtbank vond deze gegevensverstrekking plaats op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en niet op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel 19 Wpg staat incidentele verstrekking van politiegegevens aan derden slechts toe voor bepaalde wettelijke doeleinden en indien dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, waarbij ook aan proportionaliteit en subsidiariteit moet zijn voldaan. De politie heeft onvoldoende onderbouwd hoe de verstrekking aan de ANWB kon bijdragen aan de bestrijding van drugscriminaliteit of het voorkomen van reputatieschade bij de ANWB. Daarbij weegt mee dat de politie de ANWB ook wilde bewegen de licentieovereenkomst met de ondernemer te heroverwegen en daarmee probeerde in te grijpen in hun civielrechtelijke relatie. Ook mondeling of informeel verstrekte persoonsgegevens vallen onder de Wpg.
Vrijspraak voor oplichting, gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk wegens onvoldoende bewijs van onbevoegd inloggen
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2026, IT 5490; ECLI:NL:GHARL:2026:4573 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt verdachte vrij van oplichting, subsidiair gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk. Vaststaat dat op 13 december 2023 via het bedrijfsaccount van [benadeelde] goederen zijn besteld en dat deze de volgende dag op het woonadres van verdachte zijn afgeleverd. Verdachtes telefoonnummer stond op de pakbon en de bezorger heeft via dat nummer specifieke afleverinstructies gekregen. Het hof acht het daarom bewezen dat verdachte de bezorger telefonisch te woord heeft gestaan, hem heeft opgewacht en de goederen in ontvangst heeft genomen. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde oplichting moest echter óók kunnen worden vastgesteld dat verdachte degene was die onbevoegd op het bedrijfsaccount had ingelogd en daarmee de bestelling had geplaatst. Dat kan het hof niet vaststellen. Onderzoek aan zijn telefoon heeft niet uitgewezen dat daarmee van de bestelapplicatie gebruik is gemaakt en van onderzoek naar andere apparaten waarmee verdachte mogelijk had kunnen inloggen, is niet gebleken. Nu bovendien ieder ander technisch digitaal spoor ontbreekt dat verdachte aan het onbevoegde inloggen en plaatsen van de bestelling koppelt, ontbreekt voldoende bewijs voor het primair tenlastegelegde.
Artikel door prof. mr. Dirk Visser. Oorspronkelijk verschenen op AI-Forum.
Het verschil tussen een tomaat en Mickey Mouse
Prof. mr. D.J.G. Visser is hoogleraar IE in Leiden (d.j.g.visser@law.leidenuniv.nl) en advocaat in Amsterdam.
Als ik ChatGPT vraag om een “fotorealistische weergave van een tomaat” krijg ik het volgende resultaat:
Gemeente Amsterdam moet zoekslag naar persoonsgegevens beter motiveren
Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5489; ECLI:NL:RBAMS:2026:6773 (eiser tegen het college). De rechtbank oordeelt in een tussenuitspraak dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het heeft gezocht naar persoonsgegevens van eiser naar aanleiding van diens inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. Eiser, voormalig werknemer van de gemeente Weesp, stelde dat zijn personeelsdossier meer documenten moest bevatten dan het college had verstrekt. Tijdens de procedure bleek na een nieuwe zoekslag dat nog drie documenten uit 2008 en 2009 waren aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat bepaalde documenten niet of niet meer onder hem berusten en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het vervolgens aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat de documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Daarvoor moet het bestuursorgaan wel voldoende inzichtelijk maken hoe de zoekslag is uitgevoerd. Dat heeft het college hier niet gedaan: uit de besluitvorming blijkt niet in welke systemen is gezocht, welke zoektermen zijn gebruikt, bij welke personen navraag is gedaan en welke vragen daarbij zijn gesteld. Ook de latere toelichting dat in het fysieke dossier en in Decos is gezocht, acht de rechtbank onvoldoende. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
Rechtbank: voormalig vrijwilligster moet beheerdersrechten Facebookpagina overdragen
Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juli 2026, IT 5493; ECLI:NL:RBZWB:2026:7232 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat een voormalig vrijwilligster de beheerdersrechten van een Facebookpagina aan de eisende organisatie moet overdragen. De vrijwilligster beheerde de pagina tijdens de samenwerking, maar weigerde na beëindiging daarvan de beheerdersrechten, waaronder de inlogcodes, te verstrekken omdat zij zich op het standpunt stelde rechthebbende op de Facebookpagina te zijn. De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisend belang aanwezig. De betreffende pagina heeft ongeveer 41.000 volgers en de organisatie heeft met verklaringen van donateurs voldoende onderbouwd dat het ontbreken van toegang tot de pagina gevolgen heeft voor de donaties. Voor de beantwoording van de vraag aan wie de beheerdersrechten toekomen, is volgens de voorzieningenrechter niet doorslaggevend wie volgens Facebook over die beheerdersrechten beschikt.
Rechtbank Amsterdam bevoegd in Google Shopping-schadezaak; Google NL kan als ankergedaagde dienen
Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, RB 4125; IT 5497; ECLI:NL:RBAMS:2026:8656 (Dooyoo c.s. tegen Google c.s.). Dooyoo c.s. vordert in de hoofdzaak schadevergoeding van verschillende Nederlandse, Amerikaanse en andere buitenlandse Google-vennootschappen wegens het door de Europese Commissie vastgestelde misbruik van machtspositie door Google bij de bevoordeling van haar eigen prijsvergelijkingsdienst Google Shopping. In dit bevoegdheidsincident staat centraal of de rechtbank Amsterdam ook internationaal bevoegd is ten aanzien van de buitenlandse gedaagden. Voor Google NL en Google NL Holdings volgt de internationale bevoegdheid uit artikel 4 Brussel I-bis, omdat zij in Amsterdam zijn gevestigd. Voor de overige in de Europese Unie gevestigde gedaagden beoordeelt de rechtbank de bevoegdheid aan de hand van artikel 8, punt 1, Brussel I-bis en voor de in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gevestigde gedaagden aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. Daarbij sluit zij aan bij het arrest van het HvJ van 16 april 2026 in de zaken Stroomkabels en Kartonverpakkingen. In het kader van de bevoegdheidsvraag hoeft nog niet definitief te worden vastgesteld dat de ankergedaagde met de andere Google-vennootschappen één economische eenheid vormt. Een prima facie-beoordeling volstaat: voldoende is dat niet is uitgesloten dat zij tot dezelfde onderneming behoren en dat aannemelijk is dat aan de Sumal-criteria is voldaan. Daarvoor moet onder meer een concreet verband bestaan tussen de economische activiteit van de dochtervennootschap en het voorwerp van de mededingingsinbreuk.
HvJ EU: socialmediapost kan auteursrechtelijk beschermd werk zijn; algemeen verbod op commercieel voordeel bij actualiteitsverslaggeving niet toegestaan
HvJ EU 3 september 2026, IEF 23795; IT 5499; IEFbe 4288; ECLI:EU:C:2026:682 (CY tegen Gândul Media Network SRL en HO). CY, een Roemeense lerares, publiceert op Facebook een tekst van 22 regels waarin zij ouders laat weten geen cadeaus te willen ontvangen bij de start van het schooljaar. Enkele dagen later neemt journalist HO de tekst integraal over in een artikel op de website van het online dagblad Gândul, zonder voorafgaande toestemming van CY. Volgens de verwijzingsbeslissing worden haar naam en een hyperlink naar de Facebookpagina pas later toegevoegd. Nadat de Roemeense rechters in eerste aanleg en hoger beroep oordelen dat de tekst niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, vraagt de hoogste Roemeense rechter het Hof van Justitie om uitleg van artikel 2 onder a Richtlijn 2001/29. Het Hof oordeelt dat een tekst die op een sociaal netwerk is gepubliceerd en een mening over maatschappelijke praktijken bevat, onder het begrip ‘werk’ kan vallen wanneer hij een eigen intellectuele schepping vormt die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt. De lengte van de tekst, de online publicatie en het al dan niet behoren tot een bepaald literair genre zijn daarbij op zichzelf niet relevant. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of CY bij het schrijven van de tekst vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt die in de tekst tot uitdrukking komen.
Uitspraak ingezonden door Jurre Reus, Marco Moeskops en Lucy de Graaf, Houthoff.
51 eisers niet-ontvankelijk in AVG-inzagevorderingen tegen Risepoint wegens vertegenwoordiging door Dynamiet Nederland
Rb. Den Haag 2 september 2026, IT 5498, C/09/697386 (51 eisers tegen Risepoint Limited en Kindred Group Limited). Een groep van 51 Nederlandse consumenten die vóór 1 oktober 2021 via Unibet deelnam aan door Risepoint geëxploiteerde online kansspelen, vordert op grond van artikel 15 AVG inzage in onder meer persoonsgegevens, contract- en accountgegevens, betaaltransacties en gegevens over hun gokgedrag. De vorderingen zijn na een zogenoemde spoorwissel uitsluitend nog tegen Risepoint gericht. De Rechtbank Den Haag acht zich bevoegd op grond van artikel 79 lid 2 AVG, omdat de eisers gewoonlijk in Nederland verblijven en Risepoint als verwerkingsverantwoordelijke geldt. Het beroep van Risepoint op Maltese regelgeving die onder omstandigheden beperkingen op AVG-rechten toestaat, staat niet zonder meer aan de inzagevorderingen in de weg. Ook naar Maltees recht kan het inzagerecht slechts worden beperkt als dat noodzakelijk en proportioneel is. Het enkele feit dat de gevraagde gegevens mogelijk worden gebruikt in een lopende of toekomstige procedure tegen Risepoint rechtvaardigt daarom niet automatisch een weigering. Risepoint heeft evenmin aangetoond dat sprake is van buitensporige inzageverzoeken die uitsluitend zijn gedaan om kunstmatig een AVG-schending te creëren.





























