Hof Amsterdam: LinkedIn verbeurt maximale dwangsom wegens plaatsing li_gc-cookie
Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IT 5492; ECLI:NL:GHAMS:2026:2154 (LinkedIn tegen [geïntimeerde]. Het hof bekrachtigt het vonnis in een executiegeschil tussen LinkedIn en een gebruiker over het plaatsen van cookies. In een kortgedingvonnis uit 2024 was LinkedIn geboden om het zonder toestemming (doen) plaatsen of uitlezen van trackingcookies of andere cookies waarvoor toestemming is vereist op de apparaten van de gebruiker te staken, op straffe van dwangsommen. Volgens de gebruiker heeft LinkedIn dit gebod overtreden door onder meer de cookies bcookie en li_gc te plaatsen. Het hof oordeelt dat het gebod niet is beperkt tot één specifieke cookie, maar in beginsel iedere trackingcookie of andere toestemmingsplichtige cookie omvat. De bcookie valt echter niet onder het gebod, omdat in het vonnis uit 2024 onvoldoende aannemelijk was geacht dat voor deze cookie toestemming was vereist. De li_gc-cookie kan wel onder het gebod vallen.
Geen risico op aanmerkelijke marktmacht op glasvezelmarkt KPN en Glaspoort
CBb 10 februari 2026, IT 5487; ECLI:NL:CBB:2026:46 (Jonaz B.V. tegen ACM, VodafoneZiggo en KPN). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt dat de ACM in haar marktanalyse lokale toegang terecht heeft geconcludeerd dat op markt I, het glasvezelnetwerk van KPN en Glaspoort, geen risico bestaat op aanmerkelijke marktmacht (AMM). Jonaz stelde onder meer dat de ACM het eerdere Toezeggingenbesluit ten onrechte in de plaats had gesteld van een zelfstandige marktanalyse. Het College volgt dit niet. De ACM moest bij haar toekomstgerichte analyse rekening houden met het op het algemene mededingingsrecht gebaseerde Toezeggingenbesluit en mocht de nog actuele informatie en onderzoeksbevindingen die daaraan ten grondslag lagen gebruiken. Het Toezeggingenbesluit fungeerde daarbij niet als rechtvaardiging voor het marktanalysebesluit, maar als relevante feitelijke informatie. Ook heeft de ACM volgens het College voldoende inhoudelijk gereageerd op de zienswijze van Jonaz, zodat geen sprake is van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek.
Skytree gebonden aan opdracht voor eerste set camera’s door schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, IT 5484; ECLI:NL:RBAMS:2026:8428 ([eiser] tegen Skytree). De rechtbank oordeelt dat tussen [eiser] en Skytree een overeenkomst tot stand is gekomen voor de eerste set van vier camera’s, hoewel de medewerker die de opdracht gaf formeel niet bevoegd was Skytree te vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW mocht [eiser] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs vertrouwen op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake was van een urgente opdracht, dat verschillende relevante medewerkers van Skytree bij de e-mailwisseling waren betrokken, dat [eiser] overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze een offerte aan de inkoper had gestuurd en dat hij bij eerdere urgente opdrachten vaker al met werkzaamheden was begonnen voordat het interne PR-traject volledig was afgerond, waarna Skytree zijn facturen betaalde. Voor de tweede set camera’s geldt dit niet. De urgentie was toen verminderd, de opdracht was gewijzigd en omvangrijker geworden en kwam van een medewerker van wie [eiser] niet eerder opdrachten had gekregen. Omdat [eiser] bovendien bekend was met het formele PR-traject, had hij vóór aanvang van deze tweede opdracht moeten controleren of deze door Skytree was goedgekeurd. Skytree is daarom alleen gehouden de werkzaamheden voor de eerste set te betalen.
deLex zoekt redactioneel stagiair
Ben jij rechtenstudent en nieuwsgierig naar de wereld van intellectueel eigendom? Van bekende merken, muziek, mode en social media tot AI, reclamecampagnes, design en grote sportevenementen: binnen het intellectuele eigendomsrecht, ICT-recht en privacyrecht komen voortdurend actuele en herkenbare onderwerpen voorbij. Bij deLex krijg je de kans om je hierin te verdiepen en mee te werken aan juridische nieuwsvoorziening voor professionals in deze specialistische rechtsgebieden.
Vanaf nu zoeken wij een redactioneel stagiair voor drie dagen per week. De exacte startdatum is in overleg. Als juridische uitgeverij bieden wij je de mogelijkheid om drie maanden lang mee te werken binnen een dynamische en gespecialiseerde praktijk.
Tijdens je stage houd je je onder meer bezig met het beheren van online databases, het meewerken aan vakbladen en het bijwonen van congressen en opleidingen. Je ontwikkelt je in het verzamelen en analyseren van juridische bronnen, scherpt je redactionele vaardigheden aan en krijgt volop gelegenheid om je netwerk binnen het juridische werkveld uit te breiden.
Ben je in de afrondende fase van je bachelor of volg je een master Rechtsgeleerdheid, en heb je bijzondere interesse in IE-, ICT- en privacyrecht? Stuur dan je cv en motivatiebrief naar rdolman@delex.nl.
Boete telecomaanbieder wegens gebrekkige beveiliging LI-gegevens verlaagd tot € 1,66 miljoen
Rb. Rotterdam 8 mei 2026, IT 5483; ECLI:NL:RBROT:2026:5480 ([aanbieder 1] tegen de staatssecretaris van Economische Zaken). In deze zaak staat centraal of de staatssecretaris terecht vijf bestuurlijke boetes van ieder € 450.000 heeft opgelegd aan [aanbieder 1] wegens overtreding van het Besluit beveiliging gegevens telecommunicatie (Bbgt). [aanbieder 1] is aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) onderzocht tussen oktober 2021 en december 2022 of zij voldoende maatregelen had getroffen om gegevens voor bevoegd aftappen door het Openbaar Ministerie, de AIVD en de MIVD te beschermen tegen kennisneming door onbevoegden. Het gaat om zogenoemde lawful interception-gegevens (LI-gegevens). De staatssecretaris stelde tekortkomingen vast op vijf onderdelen: het beveiligingsplan, uitbesteding, personeel, fysieke beveiliging en de toegangsbeveiliging van geautomatiseerde informatiesystemen. Daarvoor legde hij op grond van de Telecommunicatiewet in totaal € 2.250.000 aan boetes op. [aanbieder 1] bestrijdt onder meer de vaststelling van verschillende overtredingen, de invulling van de normen uit het Bbgt en de evenredigheid van de boetes.
Onderzoek aan telefoons zonder toestemming rechter-commissaris levert vormverzuim op zonder strafvermindering
Rb. Den Haag 28 juli 2026, IT 5482; ECLI:NL:RBDHA:2026:2127 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). In deze strafzaak wordt [verdachte] vervolgd voor zijn betrokkenheid bij twaalf gevallen van bankhelpdeskfraude, ten laste gelegd als medeplegen van oplichting, computervredebreuk en gekwalificeerde diefstal, en voor witwassen. De slachtoffers, veelal personen op leeftijd, werden gebeld door iemand die zich voordeed als bankmedewerker. Zij werden onder meer bewogen om het programma AnyDesk te installeren, inloggegevens voor hun internetbankieren af te geven en bankpassen en pincodes aan koeriers mee te geven. [verdachte] vervulde binnen het samenwerkingsverband verschillende rollen als koerier, pinner en chauffeur.
Misbruik van recht bij AVG-inzageverzoek; verzoeker niet-ontvankelijk
Rb. Noord-Holland 21 juli 2026, IT 5480; ECLI:NL:RBNHO:2026:9166 ([verzoeker] tegen At Home). De Rechtbank verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek om At Home Vastgoed Beheer B.V. te verplichten volledige inzage in zijn persoonsgegevens te verstrekken. Verzoeker had naar aanleiding van een marketingmail op grond van artikel 15 AVG om inzage gevraagd en stelde dat de reactie van At Home daarop onvolledig, onjuist en misleidend was. At Home voerde aan dat verzoeker misbruik maakte van zijn (proces)recht. De rechtbank stelt voorop dat bij het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, terughoudendheid moet worden betracht. Volgens het door de rechtbank aangehaalde Unierechtelijke beoordelingskader zijn voor misbruik zowel objectieve omstandigheden als een subjectief element vereist en moeten alle feiten en omstandigheden van het geval worden betrokken. Daarbij mag ook rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat iemand stelselmatig volgens een vergelijkbaar patroon inzageverzoeken en schadevergoedingsvorderingen indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijken.
Rectificatie afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang; uitlatingen niet aan het publiek gedaan
Rb. Noord-Holland 13 augustus 2026, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser tot rectificatie af. Eiser en gedaagde zijn voormalig zwager en schoonzus. Op 20 juni 2025 troffen zij elkaar in een supermarkt, waarbij zij elkaar op enig moment hebben aangeraakt. Gedaagde maakte hiervan melding bij de politie. Eiser stelde dat gedaagde ten onrechte zou hebben gezegd dat hij haar had mishandeld en/of geduwd en vorderde onder meer dat zij die uitlatingen zou rectificeren, het vonnis bij de politie zou laten opnemen en zich zou onthouden van soortgelijke uitlatingen. Volgens eiser hielden de gestelde uitlatingen verband met het feit dat hij sinds het incident geen omgang meer had met het door hem erkende zoontje van zijn voormalige partner. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het incident had ruim een jaar vóór het kort geding plaatsgevonden en eiser beschikte kort daarna al over camerabeelden die volgens hem zijn onschuld aantoonden. Van hem mocht daarom worden verwacht dat hij eerder actie had ondernomen. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat geen omgang meer plaatsvindt.
HRIF.EU geen belanghebbende bij overnameverbod Solvinity; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen
Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5477; ECLI:NL:RBROT:2026:10636 (HRIF.EU tegen de staatssecretaris). De voorzieningenrechter wijst het verzoek van Stichting Human Rights in Finance.EU (HRIF.EU) om een voorlopige voorziening af. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat had Kyndryl Holdings Inc. en gelieerde entiteiten op grond van artikel 14a.4 lid 1 Telecommunicatiewet verboden overwegende zeggenschap te verkrijgen in Solvinity Group B.V., omdat deze verkrijging volgens hem tot een bedreiging van het publieke belang kon leiden. Solvinity en haar aandeelhouder maakten tegen dit besluit bezwaar. Ook HRIF.EU maakte bezwaar, met het doel te worden toegelaten tot die bezwaarprocedure. Bij besluit van 25 augustus 2026 verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van HRIF.EU niet-ontvankelijk, omdat de stichting geen belanghebbende is. HRIF.EU stelde daartegen beroep in en verzocht de voorzieningenrechter onder meer om haar als deelnemer toe te laten tot de inhoudelijke hoorzitting in de bezwaarprocedure van Solvinity en haar aandeelhouder.
Taakstraf naast tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd met artikel 9 lid 4 Sr
HR 18 augustus 2026, IT 5478; ECLI:NL:HR:2026:1351 (Verdachte tegen het Openbaar Ministerie). De Hoge Raad oordeelt in deze economische strafzaak over de strafoplegging aan een verdachte die onder meer was veroordeeld voor witwassen, het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, het voorhanden hebben van munitie en het voorhanden hebben van een jammer in strijd met de Telecommunicatiewet. Het gerechtshof Amsterdam legde een gevangenisstraf van twintig maanden op, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en daarnaast een taakstraf van 240 uur. Het derde cassatiemiddel klaagde dat daarmee een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen was opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 4 Sr kan naast een gevangenisstraf een taakstraf worden opgelegd indien het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste zes maanden bedraagt. De overige cassatieklachten konden volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging leiden en zijn met toepassing van artikel 81 lid 1 RO afgedaan.





























