IT 5299
8 juni 2026
Uitspraak

HvJ EU: Europese mediavrijheidsverordening niet van toepassing op publicatie van vóór 8 november 2024

 
IT 5298
8 juni 2026
Uitspraak

Stichting Sint Maartenskliniek mocht EPD-overeenkomst ontbinden: leverancier kon fatale implementatiedeadline niet halen

 
IT 5301
8 juni 2026
Artikel

Nieuwe uitspraak: wanneer is online delen auteursrechtinbreuk?

 
IT 5299

HvJ EU: Europese mediavrijheidsverordening niet van toepassing op publicatie van vóór 8 november 2024

HvJ EU 21 mei 2026, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége), https://itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-europese-mediavrijheidsverordening-niet-van-toepassing-op-publicatie-van-voor-8-november-2024

Hof van Justitie EU 21 mei 2026, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége). De zaak speelde naar aanleiding van een op 17 maart 2024 gepubliceerd bericht van het Hongaarse online nieuwsplatform 24.hu. In dat bericht werd een verklaring aangehaald van de CEO van Spar Austria, die stelde dat de Hongaarse premier Viktor Orbán de Spar-groep zou hebben gevraagd een familielid van hem te laten investeren in de Hongaarse dochteronderneming van het concern. Orbán verzocht daarop om rectificatie, stellende dat deze bewering onjuist was. Nadat 24.hu het verzoek niet had ingewilligd maar wel een aanvulling had geplaatst waarin melding werd gemaakt van het rectificatieverzoek, startte Orbán een procedure bij de Hongaarse rechter. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie onder meer of artikel 3 van de Europese mediavrijheidsverordening van toepassing is op een dergelijke procedure. Daarbij wees de rechter erop dat de Hongaarse rectificatieregels in de praktijk een zware bewijslast bij media leggen, ook wanneer zij slechts informatie overnemen uit publicaties die onder redactionele verantwoordelijkheid in een andere lidstaat zijn verschenen. Volgens de verwijzende rechter rees de vraag of een dergelijke regeling verenigbaar is met de doelstellingen van de Europese mediavrijheidsverordening en met de vrijheid van meningsuiting en informatie.

IT 5298

Stichting Sint Maartenskliniek mocht EPD-overeenkomst ontbinden: leverancier kon fatale implementatiedeadline niet halen

Rechtbank Midden-Nederland 1 apr 2026, IT 5298; ECLI:NL:RBMNE:2026:2848 (Stichting Sint Maartenskliniek tegen Nexus c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/stichting-sint-maartenskliniek-mocht-epd-overeenkomst-ontbinden-leverancier-kon-fatale-implementatiedeadline-niet-halen

Rb. Midden-Nederland 1 april 2026, IT 5298; ECLI:NL:RBMNE:2026:2848 (Sint Maartenskliniek tegen Nexus c.s.). De rechtbank Midden-Nederland heeft in een geschil over de implementatie van een elektronisch patiëntendossier (hierna: EPD) geoordeeld dat de Sint Maartenskliniek (hierna: SMK) haar overeenkomst met softwareleverancier NEXUS rechtsgeldig heeft ontbonden. SMK had in 2023 verschillende overeenkomsten gesloten met NEXUS voor de levering, implementatie en het onderhoud van een nieuw EPD. Het project werd uitgevoerd onder de naam ‘Project ZEBRA’. Volgens de overeenkomst moest de implementatie, inclusief acceptatie van het systeem, uiterlijk op 1 juli 2024 zijn afgerond. Die datum was contractueel aangemerkt als een fatale termijn. Op 19 januari 2024 ontbond SMK de overeenkomst omdat zij het vertrouwen had verloren dat NEXUS de afgesproken opleverdatum nog kon halen. SMK vorderde vervolgens terugbetaling van reeds betaalde facturen ter hoogte van €1.033.340 en een schadevergoeding van bijna €5 miljoen. NEXUS stelde dat partijen de oorspronkelijke opleverdatum hadden losgelaten en waren uitgegaan van een nieuwe planning met een latere ‘go live’-datum. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Uit de projectdocumentatie blijkt weliswaar dat over uitstel werd gesproken, maar volgens de contractuele governancestructuur kon een wijziging van de deadline uitsluitend door de directies van beide partijen worden goedgekeurd. Een dergelijk besluit is nooit genomen. Dat binnen het project met alternatieve planningen werd gewerkt, betekende daarom niet dat de oorspronkelijke fatale termijn was vervallen.

IT 5301

Artikel geschreven door Annette de Bont, ICTRecht.

Nieuwe uitspraak: wanneer is online delen auteursrechtinbreuk?

Annette de Bont, 26 mei 2026. 

Inleiding

Op 30 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (‘HvJ’) een arrest gewezen waarin de auteursrechtelijke handeling van ‘een mededeling aan het publiek’ centraal staat. Het HvJ oordeelde dat het doorgeven van via satelliet ontvangen televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van bewoners van een verzorgingshuis via een intern kabelnetwerk geen afzonderlijke ‘mededeling aan het publiek’ vormt in de zin van de Auteursrechtrichtlijn.

In dit blog gaan wij in op de uitspraak en wat de praktische gevolgen ervan zijn. Om de uitspraak te kunnen begrijpen, is het echter belangrijk eerst kort stil te staan bij deze auteursrechtelijke handeling: wat wordt er precies bedoeld met ‘een mededeling aan het publiek’?

IT 5297

Energieleverancier krijgt opzegvergoeding toegewezen na beëindiging zakelijk energiecontract

Rechtbank Limburg 6 mei 2026, IT 5297; ECLI:NL:RBLIM:2026:4276 (Innova tegen [de V.O.F.]), https://itenrecht.nl/artikelen/energieleverancier-krijgt-opzegvergoeding-toegewezen-na-beeindiging-zakelijk-energiecontract

Rb. Limburg 6 mei 2026, IT 5297; ECLI:NL:RBLIM:2026:4276 (Innova tegen [de V.O.F]). Innova en [de V.O.F.] sloten op 23 juli 2024 via een tussenpersoon een overeenkomst voor de levering van gas en elektriciteit met een looptijd van drie jaar. De overeenkomst zou op 1 september 2024 ingaan. Een dag later zei [de V.O.F.] het contract op, waarna de overeenkomst op 2 september 2024 werd beëindigd. Innova bracht daarop een eindafrekening in rekening van € 1.314,29, waarvan € 1.306,46 zag op een contractuele opzegvergoeding wegens voortijdige beëindiging. Volgens [de V.O.F.] was geen opzegvergoeding verschuldigd omdat nauwelijks of geen energie was geleverd, Innova haar schade niet had onderbouwd en sprake zou zijn van een afkoelperiode. Ook voerden zij aan dat de toepasselijke voorwaarden pas na het sluiten van de overeenkomst waren verstrekt.

IT 5296

AI-surveillance tijdens het WK 2026: hoe ver reiken de AI-verordening en de AVG?


Het FIFA WK 2026 wordt het grootste sporttoernooi ooit. Naar verwachting zullen miljoenen supporters de wedstrijden bezoeken in de Verenigde Staten, Canada en Mexico. Om de veiligheid van dergelijke evenementen te waarborgen wordt steeds vaker gekeken naar AI-systemen voor biometrische identificatie, waaronder gezichtsherkenning.

Dat roept een interessante juridische casus op. De Europese AI-verordening bevat enkele van de strengste regels ter wereld voor biometrische AI-systemen. Bovendien kunnen biometrische gegevens onder de AVG als bijzondere persoonsgegevens kwalificeren. Maar zijn deze kaders in dit geval wel van toepassing, gelet op de locatie van het toernooi? En zo ja, welke Europese waarborgen reizen met supporters mee naar het buitenland?

Interesse in dit onderwerp en andere juridische vraagstukken rond het WK? We verwelkomen u graag bij ons WK & Recht event op dinsdag 23 juni 2026 in Buro de Pijp, Amsterdam.

IT 5295

Veilig Thuis mag dossier over gezin bewaren ondanks beroep op AVG-recht op vergetelheid

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 feb 2026, IT 5295; ECLI:NL:GHSHE:2026:523 (Veilig Thuis tegen [verweerders] c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/veilig-thuis-mag-dossier-over-gezin-bewaren-ondanks-beroep-op-avg-recht-op-vergetelheid

Hof 's-Hertogenbosch 26 februari 2026, IT 5295; ECLI:NL:GHSHE:2026:523 (Veilig Thuis tegen [verweerders] c.s.). In deze zaak stond de vraag centraal of Stichting Veilig Thuis verplicht was een dossier over een gezin te vernietigen na een verzoek van de ouders op grond van de AVG en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het dossier bevatte drie zorgmeldingen uit 2019 en 2020 over de opvoed- en leefsituatie van drie minderjarige kinderen. De rechtbank Limburg had het verzoek tot vernietiging toegewezen, maar het hof komt tot een andere uitkomst. De meldingen waren afkomstig van het Centrum voor Jeugd en Gezin, de gemeente en een kraamcentrum. Daarbij werden onder meer zorgen geuit over verwaarlozing, onvoldoende structuur in het gezin, gebrek aan voedsel en psychische problematiek bij de ouders. Naar aanleiding van deze meldingen verrichtte de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek. Hoewel de Raad in 2020 concludeerde dat een kinderbeschermingsmaatregel niet nodig was, werd daarbij wel vastgesteld dat er zorgen bestonden over de draagkracht van de ouders en de opvoedsituatie. De benodigde hulpverlening was volgens de Raad op dat moment voldoende aanwezig. De ouders verzochten in 2024 om vernietiging van het dossier. Zij stelden dat de meldingen door het rapport van de Raad waren weerlegd en dat de aanwezigheid van het dossier ertoe leidde dat eerdere meldingen telkens werden betrokken bij nieuwe zorgmeldingen. Veilig Thuis wees het verzoek af omdat bewaring van het dossier volgens haar van aanmerkelijk belang bleef. 

IT 5294

A-G: oordeel over oneerlijkheid prijswijzigingsbeding Vattenfall berust op te beperkte toetsing

Hoge Raad 29 jun 2026, IT 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541 (Vattenfall tegen [consument-afnemer]), https://itenrecht.nl/artikelen/a-g-oordeel-over-oneerlijkheid-prijswijzigingsbeding-vattenfall-berust-op-te-beperkte-toetsing

Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2026, IT&R 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541(Vattenfall tegen [consument-afnemer]). A-G Valk concludeert in een cassatiezaak tussen Vattenfall en een consument over een prijswijzigingsbeding in een energieleveringsovereenkomst met variabel tarief. De kantonrechter en het hof Amsterdam hadden geoordeeld dat het prijswijzigingsbeding uit de Algemene Voorwaarden 2017 van Vattenfall oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, het beding vernietigd, Vattenfall verboden de tarieven per 1 april 2022 te verhogen en daarnaast voor recht verklaard dat Vattenfall zich schuldig had gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk door op haar website te vermelden dat variabele tarieven twee keer per jaar wijzigen. De A-G benadrukt dat de zaak een grote maatschappelijke uitstraling heeft, omdat het betrokken beding is ontleend aan de algemene voorwaarden van Energie-Nederland en vergelijkbare bedingen breed in de energiesector zijn gebruikt. Als de lijn van rechtbank en hof juist zou zijn, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor lopende en eerdere variabele energiecontracten, onder meer doordat tariefverhogingen mogelijk als onverschuldigd betaald zouden moeten worden teruggedraaid. De omvang van die gevolgen verandert volgens de A-G echter niets aan de toepasselijke regels van het consumentenrecht: als een beding oneerlijk is, moet de gebruiker daarvan de gevolgen dragen.

IT 5293

OM schond geheimhoudingsplicht Wpg door documentairemakers mee te laten lopen met FIOD-onderzoek

Gerechtshof Den Haag 28 apr 2026, IT 5293; ECLI:NL:GHDHA:2026:664 (de Staat tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]), https://itenrecht.nl/artikelen/om-schond-geheimhoudingsplicht-wpg-door-documentairemakers-mee-te-laten-lopen-met-fiod-onderzoek

Hof Den Haag 28 april 2026, IT&R 5293; ECLI:NL:GHDHA:2026:664 (de Staat tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2]). Het Hof Den Haag oordeelt in dit tussenarrest dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens twee voormalig leidinggevenden van de SUMO-restaurantketen door documentairemakers van Selfmade Films mee te laten lopen tijdens het FIOD-opsporingsonderzoek naar belastingfraude binnen het SUMO-concern. Op grond van een Mediacontract mochten de documentairemakers aanwezig zijn bij onder meer voorbereidingen, doorzoekingen, overleggen en andere onderzoekshandelingen voor een documentaire over het werk van de FIOD. Het hof acht aannemelijk dat zij daarbij op meerdere momenten kennis hebben genomen van politiegegevens die tot de betrokkenen herleidbaar waren, waaronder namen, adressen, verdenkingen, herkenbare beelden, locaties en andere details. Dat deze gegevens in de uiteindelijk uitgezonden documentaire zijn geblurd of weggepiept, is niet beslissend: de schending vond al plaats doordat de documentairemakers in de opsporingsfase kennis kregen van gegevens die onder de geheimhoudingsplicht van artikel 7 lid 1 Wet politiegegevens vielen. Het hof verwerpt het betoog van de Staat dat nog geen sprake was van “verwerkte” politiegegevens, omdat verwerking in de zin van artikel 1 Wpg ook het verzamelen van gegevens omvat. Ook het beroep op de strafrechtelijke beoordeling van artikel 272 Sr slaagt niet, omdat de civielrechtelijke toets aan de Wpg een andere is dan de vraag of sprake is van strafbare schending van een ambtsgeheim.

IT 5292

AVG-verzoek tot verwijdering BKR-, IVR- en EVR-registraties strandt na bindend Kifid-advies

Rechtbank Midden-Nederland 28 apr 2026, IT 5292; ECLI:NL:RBMNE:2026:2289 ([verzoekster] tegen WUB), https://itenrecht.nl/artikelen/avg-verzoek-tot-verwijdering-bkr-ivr-en-evr-registraties-strandt-na-bindend-kifid-advies

Rb. Midden-Nederland 28 april 2026, IT&R 5292; ECLI:NL:RBMNE:2026:2289 ([verzoekster] tegen WUB). De Rechtbank Midden-Nederland verklaart verzoekster deels niet-ontvankelijk en wijst haar overige verzoeken af in een procedure op grond van artikel 35 UAVG tegen ING Bank N.V., handelend onder de naam West Utrecht Bank. Verzoekster stelde dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig had verwerkt door haar te registreren in het BKR-register, het Intern Verwijzingsregister (IVR), het Extern Verwijzingsregister (EVR) en eventuele interne zwarte lijsten. Ook stelde zij dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig met derden had gedeeld. Zij verzocht onder meer om een verklaring voor recht dat WUB haar persoonsgegevens onrechtmatig had verwerkt en gedeeld, verwijdering van alle registraties, een verbod op verdere verwerking of verspreiding, een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens en een bevel aan WUB om melding te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens. WUB voerde aan dat over de rechtmatigheid van de registraties al was beslist in een procedure bij de Geschillencommissie van het Kifid. Die commissie had op 7 februari 2025 bij bindend advies geoordeeld dat WUB de BKR-registratie niet hoefde te verwijderen en dat de duur van de IVR- en EVR-registraties werd teruggebracht tot zes jaar. Verzoekster had geen vernietiging van dat bindend advies gevorderd en bracht in deze procedure geen nieuwe relevante feiten of stukken naar voren.

IT 5079

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.