IT 5461
24 augustus 2026
Uitspraak

Geen zelfstandige inzagevordering tijdens lopende hoofdzaak en geen verstrekking identiteit melder

 
IT 5460
24 augustus 2026
Uitspraak

Afwijzing wijziging identiteitsgegevens in BRP wegens onvoldoende bewijs dat brondocumenten op [appellant] betrekking hebben

 
IT 5458
21 augustus 2026
Uitspraak

Geen recht op verwijdering of verdere rectificatie van KMar-mutatie op grond van artikel 28 Wpg

 
IT 5461

Geen zelfstandige inzagevordering tijdens lopende hoofdzaak en geen verstrekking identiteit melder

Gerechtshof Den Haag 28 jul 2026,, IT 5461; ECLI:NL:GHDHA:2026:2487 ([appellant] tegen de Nationale Politie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-zelfstandige-inzagevordering-tijdens-lopende-hoofdzaak-en-geen-verstrekking-identiteit-melder

Hof Den Haag 28 juli 2026, IT 5461; ECLI:NL:GHDHA:2026:2487 ([appellant] tegen de Nationale Politie). In deze zaak vordert [appellant] in kort geding inzage in en afschrift van het volledige, niet-geanonimiseerde mutatierapport dat de Politie heeft opgesteld nadat zij op 29 december 2023 zijn woning was binnengetreden naar aanleiding van informatie dat daar een vuurwapen zou liggen. Bij de doorzoeking werd geen vuurwapen aangetroffen. [appellant] had reeds een bodemprocedure tegen de Politie aanhangig gemaakt waarin hij schadevergoeding vordert wegens het volgens hem onrechtmatige binnentreden. Daarnaast wilde hij met het ongeschoonde mutatierapport achterhalen wie de melding had gedaan en onder welke omstandigheden, om te kunnen beoordelen of sprake was van een valse of kwaadwillige melding en of hij tegen de melder civiel- of strafrechtelijke stappen kon ondernemen. Hij baseerde zijn inzagevordering op art. 197 jo. 194 Rv. De voorzieningenrechter wees de vordering af, waarna [appellant] hoger beroep instelde.

IT 5460

Afwijzing wijziging identiteitsgegevens in BRP wegens onvoldoende bewijs dat brondocumenten op [appellant] betrekking hebben

Overige instanties 29 jul 2026,, IT 5460; ECLI:NL:RVS:2026:4440 ([appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afwijzing-wijziging-identiteitsgegevens-in-brp-wegens-onvoldoende-bewijs-dat-brondocumenten-op-appellant-betrekking-hebben

RvS 29 juli 2026, IT 5460; ECLI:NL:RVS:2026:4440 ([appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht). [appellant] verzocht het college om zijn in de basisregistratie personen (BRP) geregistreerde voornaam en geslachtsnaam te wijzigen, omdat de identiteit waaronder hij sinds zijn asielprocedure in 1995 stond geregistreerd volgens hem vals was. Die gegevens waren destijds op basis van een verklaring onder ede in de BRP opgenomen en [appellant] had op basis daarvan ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ter onderbouwing van de door hem gestelde Algerijnse identiteit legde hij onder meer verschillende geboorteakten, een Algerijns paspoort, identiteitskaarten en een uittreksel van een huwelijksakte over. Bureau Documenten van de IND achtte de meeste documenten echt, maar kon wegens onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen oordeel geven over de correcte opmaak en afgifte. Daarnaast verschilden twee gezichtsvergelijkende onderzoeken van conclusie: Securitech achtte het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dezelfde persoon, terwijl Bureau Documenten slechts redelijke steun vond voor die hypothese. Het college wees het verzoek af omdat niet voldoende vaststond dat de overgelegde documenten daadwerkelijk betrekking hadden op [appellant]. De rechtbank Limburg liet die afwijzing in stand. 

IT 5458

Geen recht op verwijdering of verdere rectificatie van KMar-mutatie op grond van artikel 28 Wpg

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 jul 2026,, IT 5458; ECLI:NL:RBZWB:2026:6670 ([eiser] tegen de minister van Defensie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-recht-op-verwijdering-of-verdere-rectificatie-van-kmar-mutatie-op-grond-van-artikel-28-wpg

Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2026, IT 5458; ECLI:NL:RBZWB:2026:6670 ([eiser] tegen de minister van Defensie). Deze uitspraak gaat over twee verzoeken van eiser om verwijdering dan wel rectificatie van de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Naar aanleiding van een staandehouding op 31 juli 2019 had de KMar een mutatierapport opgesteld. Eiser verzocht in 2024 primair om volledige verwijdering van die mutatie, omdat volgens hem een wettelijke grondslag voor de verwerking ontbrak en de klachtencommissie van de KMar eerder had geoordeeld dat geen gegronde reden bestond om hem om legitimatie te vragen. Subsidiair verzocht hij om rectificatie van verschillende passages, onder meer over zijn kijkgedrag naar passerende voertuigen, het lopen dan wel oversteken van de weg, een vermeende voorbijganger en de omschrijving dat hij ‘verbaal agressief’ zou hebben gereageerd. Ter onderbouwing verwees eiser onder meer naar een geluidsopname van de staandehouding. De minister wees de verzoeken grotendeels af, omdat de gegevens rechtmatig in het kader van de dagelijkse politietaak waren verwerkt en de betwiste passages volgens hem grotendeels indrukken en waarnemingen van KMar-ambtenaren betroffen.

IT 5454

Betalingsverplichting consument 20% verminderd wegens niet-naleven afsluitregeling

Rechtbank Midden-Nederland 4 mrt 2026,, IT 5454; ECLI:NL:RBMNE:2026:658 (Engie Nederland Retail B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/betalingsverplichting-consument-20-verminderd-wegens-niet-naleven-afsluitregeling

Rb. Midden-Nederland 4 maart 2026, IT 5454; ECLI:NL:RBMNE:2026:658 (Engie Nederland Retail B.V. tegen [gedaagde]). Engie vordert in een verstekprocedure betaling van openstaande bedragen uit een op afstand gesloten energieovereenkomst met een consument, die voor onbepaalde tijd is aangegaan en inmiddels is beëindigd. De kantonrechter toetst ambtshalve of Engie de toepasselijke consumentenbeschermende regels heeft nageleefd. Naar aanleiding van een tussenvonnis legt Engie onder meer herinneringsbrieven over en blijkt dat zij de consument heeft aangemeld bij een schuldhulpverleningsinstantie. Uit de dagvaarding en de nadere akte blijkt echter niet dat Engie een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden met een voorstel voor de betaling en afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat is op grond van artikel 4Aa van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas vereist voordat de levering van elektriciteit en gas mag worden beëindigd. De kantonrechter acht daarom een sanctie passend en vermindert de betalingsverplichting van de consument met 20%.

IT 5451

Google hoeft negatieve reviews over incassobureau niet te verwijderen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 aug 2026,, IT 5451; ECLI:NL:GHARL:2026:5138 (Debtt c.s. tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/google-hoeft-negatieve-reviews-over-incassobureau-niet-te-verwijderen

Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2026, IT 5451; ECLI:NL:GHARL:2026:5138 (Debtt c.s. tegen Google). Debtt B.V., een incassobureau, en Credit Management B.V., haar enig bestuurder en aandeelhouder, verzoeken Google tien negatieve reviews bij de bedrijfsvermelding van Debtt op Google Search en Google Maps te verwijderen. Google verwijdert vóór de procedure zeven reviews en na de dagvaarding nog één, zodat in hoger beroep nog twee reviews overblijven. Debtt c.s. stellen onder meer dat deze reviews niet echt zijn, onderdeel vormen van een georganiseerde lastercampagne, ongefundeerde strafrechtelijk getinte beschuldigingen bevatten en in strijd zijn met Googles eigen contentmoderatiebeleid. Het hof stelt voorop dat een internetplatform als Google kan worden verplicht door derden geplaatste informatie te verwijderen wanneer de inhoud en bewoordingen daarvan kennelijk onrechtmatig zijn jegens degene die om verwijdering verzoekt. Daarvan kan sprake zijn wanneer een review niet op daadwerkelijke ervaringen berust en/of feitelijk onjuist dan wel onnodig grievend is. Partijen zijn het er bovendien over eens dat het onrechtmatige karakter voor het platform op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld, zonder aanvullend onderzoek naar de feitelijke achtergrond van de review of de relatie tussen recensent en degene over wie wordt geschreven. Bij de beoordeling komt tevens gewicht toe aan het zakelijke en maatschappelijke belang van Google om gebruikers kritische en betrouwbare reviews te laten plaatsen, welk belang nauw samenhangt met de uitingsvrijheid van art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet.

IT 5462

Vertrouwelijkheidsregime voor bedrijfsgevoelige stukken van Google in WAMCA-procedure

Rechtbank Amsterdam 3 jun 2026,, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vertrouwelijkheidsregime-voor-bedrijfsgevoelige-stukken-van-google-in-wamca-procedure

Rb. Amsterdam 3 juni 2026, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.). In deze zaak beslist de rechtbank in een WAMCA-procedure over het vertrouwelijkheidsregime voor stukken die Google c.s. in het kader van haar verweer aan Stichting App Stores Claims (ASC) ter beschikking moet stellen. Google had delen van haar conclusie van antwoord en producties zwartgemaakt omdat deze volgens haar vertrouwelijke informatie bevatten. Partijen waren het erover eens dat voor bepaalde informatie een vertrouwelijkheidsregime kon gelden, maar konden geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden daarvan. De rechtbank stelt daarom voorlopig, op grond van art. 28 lid 1 onder b en art. 22a lid 3 Rv en naar analogie van art. 1019ib Rv, een vertrouwelijkheidsregime vast. Google mag de betrokken rapporten, onderliggende informatie, getuigenverhoren en commerciële overeenkomsten onderbrengen in twee digitale datarooms: ‘Confidential’ en ‘Highly Confidential’. De eerste is toegankelijk voor advocaten, vertegenwoordigers van ASC en door ASC ingeschakelde deskundigen; de tweede uitsluitend voor advocaten en externe deskundigen. Personen met toegang mogen niet verbonden zijn aan de procesfinancier van ASC.

IT 5464

Technische mogelijkheid van cameratoezicht kan onrechtmatige privacy-inbreuk opleveren

Rechtbank Noord-Holland 20 jul 2026,, IT 5464; ECLI:NL:RBNNE:2026:3083 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/technische-mogelijkheid-van-cameratoezicht-kan-onrechtmatige-privacy-inbreuk-opleveren

Rb. Noord-Nederland 20 juli 2026, IT 5464; ECLI:NL:RBNNE:2026:3083 ([eiser] tegen [gedaagden]). In deze zaak vordert [eiser] in kort geding dat zijn buren, [gedaagden], twee beveiligingscamera’s verwijderen dan wel zodanig aanpassen dat deze niet op zijn woning en tuin kunnen worden gericht en geen geluid van zijn perceel kunnen opnemen. De camera’s hangen in de tuin van [gedaagden] op een hoogte van ten minste 2,40 meter, steken boven de schutting uit en zijn vanuit de tuin van [eiser] zichtbaar; de beweegbare camera is ook vanuit zijn slaapkamer te zien. [eiser] stelt dat hij hierdoor niet onbespied van zijn tuin kan gebruikmaken en dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. [gedaagden] voeren aan dat de camera’s vanwege eerdere conflicten tussen partijen ter beveiliging zijn geplaatst, uitsluitend hun eigen woning en tuin filmen en geen geluid opnemen. Uit door hen verstrekte screenshots zou bovendien blijken dat de tuin van [eiser] niet in beeld komt. 

IT 5457

Veroordeling voor computervredebreuk en diefstal van Bitcoin en Bitcoin Cash via RDP-toegang

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 jul 2026,, IT 5457; ECLI:NL:GHARL:2026:4367 (Hoger beroep computervredebreuk), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/veroordeling-voor-computervredebreuk-en-diefstal-van-bitcoin-en-bitcoin-cash-via-rdp-toegang

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2026, IT 5457; ECLI:NL:GHARL:2026:4367 (Hoger beroep computervredebreuk). Deze strafzaak gaat over computervredebreuk en de diefstal van 30 Bitcoin en 30 Bitcoin Cash door een systeembeheerder die op afstand toegang had tot de computer van zijn klant. [verdachte] verrichtte vanuit zijn eenmanszaak gedurende langere tijd systeembeheer voor [benadeelde] en wist uit hoofde daarvan dat deze cryptomunten bezat. In september en oktober 2017 werd via Remote Desktop Protocol (RDP) meermalen op afstand ingelogd op de werkcomputer van [benadeelde], waarna met onrechtmatig verkregen inloggegevens toegang werd verkregen tot diens cryptowallet. Op 2 september 2017 werden 30 Bitcoins ter waarde van € 115.380 weggenomen en op 20 en 23 oktober 2017 in totaal 30 Bitcoin Cash ter waarde van € 4.922. Een gespecialiseerd cybersecuritybedrijf onderzocht de diefstal en legde onder meer verdachte RDP-sessies en blockchaintransacties bloot. Tijdens een gesprek met medewerkers van dit bedrijf bekende [verdachte] verantwoordelijk te zijn voor het wegnemen van de cryptomunten en verklaarde hij hoe hij het wachtwoord van [benadeelde] had achterhaald; diezelfde dag maakte hij € 77.950 en 2,94 Bitcoin aan [benadeelde] over. Ook uit een latere Chainalysis-analyse bleek dat vijf transacties via het cryptowisselplatform Shapeshift.io konden worden herleid van de wallet van [benadeelde] naar accounts van [verdachte], waarna de ontvangen Bitcoins werden omgezet en op zijn bankrekeningen werden uitbetaald. De verdediging verzocht om vrijspraak en betoogde onder meer dat de bekentenis onder druk was afgelegd, niet kon worden vastgesteld dat [verdachte] over de private key beschikte of achter de relevante RDP-sessies zat en dat derden mogelijk door een hack toegang tot de wallet hadden verkregen.

IT 5453

Wpg-inzageverzoek vereist aanvullende zoekslag naar telefoonnummers

Overige instanties 22 jul 2026,, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/wpg-inzageverzoek-vereist-aanvullende-zoekslag-naar-telefoonnummers

ABRvS 22 juli 2026, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal). [appellant] verzocht de Rijksrecherche op grond van art. 25 Wpg om inzage in alle hem betreffende politiegegevens. Het college van procureurs-generaal, dat voor de Rijksrecherche als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, meldde aanvankelijk dat geen persoonsgegevens van [appellant] waren verwerkt, maar gaf hem later alsnog inzage in registraties uit een strafrechtelijk onderzoeksdossier. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank verrichtte het college een aanvullende zoekslag, waarbij 53 verwerkingen van persoonsgegevens van [appellant] werden aangetroffen. De rechtbank Amsterdam oordeelde vervolgens dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de mailboxen van voormalige medewerkers niet waren doorzocht en waarom niet was gezocht op de nieuwe naam van een onderneming van [appellant], maar achtte een aanvullende zoekslag op zijn woonadres en telefoonnummers niet noodzakelijk. [appellant] kwam daartegen in hoger beroep op en stelde dat de zoekslag nog steeds onvolledig was, onder meer omdat in het strafrechtelijke onderzoek telefoongesprekken van de hoofdverdachte waren getapt en reeds een tapverslag was gevonden waarin zijn persoonsgegevens voorkwamen.

IT 5449

Negatieve Google-reviews over advocaat-mediator zijn niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 11 aug 2026,, IT 5449; ECLI:NL:RBAMS:2026:8145 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/negatieve-google-reviews-over-advocaat-mediator-zijn-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 11 augustus 2026, IT 5449; ECLI:NL:RBAMS:2026:8145 ([eiser] tegen [gedaagde]). [Eiser] is advocaat-mediator en begeleidt de echtscheiding tussen [gedaagde] en haar ex-echtgenoot. Nadat [eiser] in juni 2026 weigert een nieuwe opdracht over een gezagskwestie aan te nemen, plaatst [gedaagde] een twee-sterrenreview op Google over haar dienstverlening. Daarin schrijft zij onder meer dat [eiser] goede bedoelingen heeft, maar professionaliteit en competentie mist, haar neutraliteitsplicht als mediator herhaaldelijk heeft geschonden en daardoor emotionele belasting en hoge, onnodige kosten heeft veroorzaakt. Ook de ex-echtgenoot plaatst vervolgens een negatieve review. [Eiser] stelt dat de review onwaar, bewust reputatieschadend en uit rancune geschreven is en vordert in kort geding verwijdering van beide reviews. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging tussen het belang van [eiser] bij bescherming van haar goede naam en reputatie en het belang van [gedaagde] om zich vrijelijk in het openbaar te kunnen uitlaten. Daarbij geldt dat het in beginsel is toegestaan om ook negatieve ervaringen met een dienstverlener op internet te delen, mits die reviews berusten op daadwerkelijke ervaringen en niet feitelijk onjuist en/of onnodig grievend zijn.