Artikel geschreven door Pieter Ballings, Holla.
AI Act verplichtingen voor de IT-leverancier als aanbieder
De EU AI Act (Verordening (EU) 2024/1689) stelt geharmoniseerde regels vast voor artificiële intelligentie. De verordening brengt concrete verplichtingen mee voor IT-leveranciers die AI-systemen ontwikkelen en op de markt brengen van chatbots en analysetools tot generatieve AI via SaaS-platforms. Hieronder de belangrijkste verplichtingen vanuit het perspectief van de IT-leverancier als aanbieder.
Wanneer ben je aanbieder?
De AI Act definieert een aanbieder als iedere natuurlijke of rechtspersoon die een AI-systeem of AI-model voor algemene doeleinden ontwikkelt of laat ontwikkelen en dit onder eigen naam of merk in de handel brengt of in gebruik stelt, al dan niet tegen betaling.
Als IT-leverancier val je hieronder wanneer je eigen SaaS-oplossingen, white-label producten of maatwerkprojecten levert. De verordening geldt bovendien extraterritoriaal: zij is van toepassing op aanbieders die AI-systemen in de Europese Unie in de handel brengen of in gebruik stellen, ongeacht of zij in de Unie of in een derde land zijn gevestigd. Ook wanneer uitsluitend de output van een AI-systeem in de EU wordt gebruikt, kan de verordening gelden.
Bijzonder relevant: wie een bestaand AI-systeem onder eigen naam op de markt brengt, substantieel wijzigt, of het beoogde doel zodanig verandert dat het hoog-risico wordt, wordt zelf als aanbieder aangemerkt met alle bijbehorende verplichtingen. Dit treft IT-leveranciers die Large Language Models van derden integreren in eigen toepassingen.
AI en auteursrecht medio 2026: internationale consensus over output, verdeeldheid over input
In aanloop naar het ALAI Congress 2026 in Den Haag zijn achttien nationale rapporten gepubliceerd over auteursrecht en AI. De rapporten zijn afkomstig uit verschillende rechtsstelsels, waaronder diverse EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Mexico, Argentinië en Zwitserland. Daarnaast organiseerde deLex afgelopen week een online update over AI en auteursrecht met professor Daniel Gervais, waarin de meest recente internationale ontwikkelingen op dit terrein werden besproken.
De rapporten en online update bieden samen een scherp overzicht van de huidige stand van het internationale debat rond AI en auteursrecht. Daarbij valt een duidelijke tweedeling op. Over de outputzijde van generatieve AI bestaat veel consensus, terwijl de opvattingen over de inputzijde juist uiteenlopen. In dit artikel bespreken we deze ontwikkelingen uitgebreider.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig
Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IT & Recht
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van IT & Recht. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IT & Recht
Rb Den Haag: de term “glasvezel-kabel(netwerk)’ in de zaak tussen KPN en Ziggo is niet misleidend
Rb. Den Haag 15 april 2026, RB 4009; IT5270; ECLI:NL:RBDHA:2026:8997 (KPN tegen Ziggo). In deze procedure bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of de wijze waarop Ziggo haar netwerk aanduidt als “glasvezel‑kabel(netwerk)” en haar diensten promoot, misleidend is in de zin van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken en vergelijkende reclame. KPN stelt dat Ziggo ten onrechte de indruk wekt dat sprake is van een volledig glasvezelnetwerk en dat consumenten daardoor worden misleid bij de keuze voor een internetabonnement. Daarnaast verwijt KPN Ziggo dat zij haar netwerk en diensten op onjuiste wijze vergelijkt met die van KPN. De rechtbank wijst de vorderingen van KPN af. Zij stelt voorop dat de beoordeling van misleiding plaatsvindt vanuit het perspectief van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument. Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat de aanduiding “glasvezel‑kabel(netwerk)” op zichzelf niet misleidend is. Van belang is dat Ziggo in haar communicatie duidelijk maakt dat het gaat om een hybride netwerk, waarbij glasvezel wordt gecombineerd met een kabelverbinding tot aan de woning. De enkele omstandigheid dat KPN een volledig glasvezelnetwerk aanbiedt, betekent niet dat Ziggo deze terminologie niet mag gebruiken. Ook de door KPN bestreden 97%-claim van Ziggo, inhoudende dat 97% van het internetsignaal via glasvezel en 3% via coax loopt, houdt stand.
Hof gelast bewijslevering in geschil over ontwikkeling digitale taxatietool
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2026, IT 5267; ECLI:NL:GHARL:2026:2284 (Visualmedia tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een geschil over de ontwikkeling van een digitale taxatietool geoordeeld dat nog niet kan worden vastgesteld of softwareontwikkelaar Visualmedia tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen. Het hof laat opdrachtgever [geïntimeerde], een bedrijfsmakelaar, toe tot bewijslevering over gestelde tekortkomingen bij de ontwikkeling van de applicatie. Partijen sloten eind 2018 een overeenkomst voor de ontwikkeling van een digitale taxatietool voor commercieel vastgoed. De tool moest taxatiegegevens via SBR Nexus in XBRL-formaat kunnen aanleveren aan banken. Volgens [geïntimeerde] had Visualmedia toegezegd een volledige taxatietool te ontwikkelen die beter zou zijn dan de bestaande NVM-tool Flux. Ook stelde hij dat de ontwikkeling veel duurder uitviel dan aanvankelijk begroot en dat uiteindelijk geen bruikbaar eindresultaat werd opgeleverd. Visualmedia betwistte dat sprake was van een resultaatsverbintenis. Volgens het web- en marketingbureau zag de oorspronkelijke offerte slechts op een basisversie van de software, ontwikkeld in sprints, waarbij tussentijds steeds aanvullende wensen en werkzaamheden werden toegevoegd.
Kantonrechter: blokkade domeinnamen gerechtvaardigd wegens onbetaalde hostingfacturen
Rb. Midden-Nederland 22 april 2026, IEF23545; IT5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak staat een geschil centraal tussen een webhosting- en onderhoudsbedrijf ([eiser]) en een ondernemer ([gedaagde]) over onbetaalde facturen voor technisch websiteonderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Tussen partijen bestond een overeenkomst op grond waarvan [eiser] technisch onderhoud verrichtte aan de websites van [gedaagde] en daarnaast zorgde voor webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Volgens [eiser] waren drie facturen – na een gedeeltelijke betaling op één daarvan – onbetaald gebleven, voor een totaalbedrag van € 373,97. Later vermeerderde [eiser] haar eis met een vierde factuur voor domeinregistratie na de datum waarop de overeenkomst was ontbonden. [gedaagde] erkende een deel van de facturen verschuldigd te zijn, maar voerde onder meer aan dat een abonnement al in februari 2024 zou zijn opgezegd en dat sommige facturen hem nooit hadden bereikt. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de vermeende opzeggingsbrief [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar artikel 3:37 lid 3 BW, waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft zodra deze de geadresseerde heeft bereikt. Omdat [gedaagde] niet kon aantonen dat de opzegging was verzonden of ontvangen, liep de overeenkomst door en bleef hij de abonnementskosten verschuldigd. Ook het verweer dat facturen niet zouden zijn ontvangen slaagt niet, nu de facturen later alsnog per e-mail zijn toegestuurd en ontvangst daarvan niet werd betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [gedaagde] na het verstrijken van de in de aanmaningen en ingebrekestellingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt, zodat wettelijke handelsrente verschuldigd is. Verder stond vast dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen een betalingsachterstand had laten ontstaan. De kantonrechter acht die tekortkoming ernstig genoeg om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [eiser] al sinds 2016 correspondeerde over onbetaalde facturen en dat ook na juridisch advies geen volledige betaling volgde.
Raad van State: hyperlinks naar fysieke vestigingen op gokwebsite kwalificeren als reclame
Raad van State 22 april 2026, RB 4008; IT 5266; ECLI:NL:RVS:2026:2287 (Holland Casino tegen de Ksa). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Kansspelautoriteit (Ksa) Holland Casino terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens verboden reclame-uitingen op haar online kansspelinterface. Centraal stond de vraag of hyperlinks naar fysieke vestigingen en restaurants van Holland Casino op de website voor online kansspelen kwalificeren als “wervings- en reclameactiviteiten” in de zin van het Besluit kansspelen op afstand (Bkoa). Holland Casino beschikte sinds 1 oktober 2021 naast vergunningen voor fysieke casino’s ook over een vergunning voor online kansspelen. Op de online kansspelwebsite stonden navigatieknoppen met onder meer de teksten “vestigingen” en “restaurants”. Via deze hyperlinks konden bezoekers doorklikken naar pagina’s over de fysieke casino’s en horeca-activiteiten van Holland Casino. Volgens de Ksa was dit in strijd met artikel 4.2 lid 5 Bkoa, dat bepaalt dat op de kansspelinterface geen reclame mag worden gemaakt voor andere goederen of diensten dan de vergunde online kansspelen. Daarom legde de Ksa een last onder dwangsom van maximaal €25.000 op.
Voldoende menselijke tussenkomst bij gebruik selectiemodel Belastingdienst
Rb. Den Haag 19 februari 2026, IT 5265; ECLI:NL:RBDHA:2026:5199 ([eiseres] tegen de inspecteur van de Belastingdienst). De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst het risicoselectiemodel “OB Negatief” rechtmatig mocht gebruiken bij de selectie van een onderneming voor een boekenonderzoek naar omzetbelasting. De onderneming stelde dat sprake was van verboden geautomatiseerde besluitvorming in strijd met de AVG en verwees daarbij onder meer naar het Schufa-arrest van het Hof van Justitie van de EU [IT 3789].





























