ROC mag softwareopdracht niet zonder aanbesteding gunnen wegens onvoldoende onderbouwde technische exclusiviteit
Rb. Midden-Nederland 26 juni 2026, IT 5383; ECLI:NL:RBMNE:2026:4009 ([eiseres] tegen ROC en [belanghebbende]). ROC Midden-Nederland wilde een opdracht voor de aanschaf en implementatie van één geïntegreerd softwarepakket voor E-HRM en Finance zonder openbare aanbesteding gunnen aan haar bestaande softwareleverancier. ROC beriep zich daarbij op artikel 2.32 lid 1, onder b, onder 2°, Aanbestedingswet 2012 en stelde dat mededinging om technische redenen ontbrak. Bij een eerdere marktconsultatie had alleen de bestaande leverancier inhoudelijk gereageerd. Nadat andere ondernemingen bezwaar hadden gemaakt, stelde ROC hen alsnog in de gelegenheid hun oplossingen te presenteren, maar dit leidde volgens ROC niet tot een geschikt alternatief. Een concurrerende softwareleverancier vorderde in kort geding een verbod op de voorgenomen gunning en, wanneer ROC de opdracht nog wilde verstrekken, een gebod om een passende aanbestedingsprocedure te organiseren. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze onderneming voldoende belang heeft bij haar vorderingen, omdat zij bij een aanbestedingsprocedure in ieder geval de kans krijgt om mee te dingen naar de opdracht.
Uitspraak ingezonden door Xavier Koehoorn, Dillinger Law & Kristien Wevers, GSJ Advocaten.
Argenta moet gegevens rekeninghouder verstrekken voor onderzoek naar mogelijke merkinbreuk
Ondernemingsrechtbank Antwerpen 2 juli 2026, IEF 23711; IEFbe 4266; IT 5391; A/26/02126 (Volkswagen tegen Argenta Spaarbank). In deze zaak vordert Volkswagen dat Argenta Spaarbank wordt bevolen de identiteit en contactgegevens te verstrekken van de houder van een bankrekening waarop inkomsten uit vermeend nagemaakte wieldoppen met het Volkswagen-logo zijn ontvangen. Volkswagen heeft vastgesteld dat dergelijke wieldoppen via 2dehands.be worden verkocht. Uit een door de anti-namaakorganisatie ABAC-BAAN verrichte proefaankoop blijkt dat de betrokken verkoper gebruikmaakt van een bankrekening bij Argenta. Volkswagen verzoekt om verstrekking van de volledige naam, de adresgegevens, het eventuele ondernemingsnummer, het telefoonnummer en het e-mailadres van de rekeninghouder, om te kunnen onderzoeken of sprake is van een inbreuk op haar merkrechten en daartegen zo nodig op te treden. Argenta betwist de vordering tot verstrekking van deze gegevens in essentie niet en gedraagt zich wat dat betreft naar de wijsheid van de rechtbank. Zij verzet zich wel tegen de oplegging van een dwangsom, omdat zij aankondigt het vonnis te zullen naleven.
Plaatsing van afnemersindicatie in BRP is verwerking van persoonsgegevens
Rb. Overijssel 3 juli 2026, IT 5389; ECLI:NL:RBOVE:2026:3768 ([verzoekster] tegen het college). Ten verzoekster vroeg het college van burgemeester en wethouders van Enschede op grond van de artikelen 12 en 15 AVG om inzage in de verwerking van haar persoonsgegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het college verstrekte informatie over vijf raadplegingen: één op 24 februari 2022 en vier op 7 november 2022. Volgens verzoekster was deze informatie onvolledig. De rechtbank oordeelt dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 24 februari 2022 alleen haar naam-, adres- en woonplaatsgegevens en haar burgerservicenummer zijn geraadpleegd om in het documentmanagementsysteem Corsa een dossier voor inkomende post aan te maken. Dat het overzicht van gegevensverstrekkingen uit de BRP ook andere gegevenscategorieën vermeldde, betekent niet dat al die gegevens daadwerkelijk zijn geraadpleegd. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat de vier raadplegingen van 7 november 2022 niet door het college zijn verricht. Deze vonden plaats via DigiD, terwijl het college niet over de DigiD-gegevens van verzoekster beschikt. De rechtbank wijst het verzoek om een IT-forensisch deskundige aan te stellen af. Het college heeft de relevante raadplegingen en verwerkingen voldoende toegelicht en een deskundigenonderzoek draagt volgens de rechtbank niet bij aan het door verzoekster beoogde doel.
ICT-dienstverlener moet betalingen terugbetalen wegens schending informatieplichten en onrechtmatige permanente toegang tot laptop
Rb. Gelderland 27 mei 2026, IT 5380; ECLI:NL:RBGEL:2026:4741 ([de eiser] tegen [de gedaagde]). Een consument sloot tijdens een huisbezoek een overeenkomst met een ICT-dienstverlener voor ICT-ondersteuning tegen een maandelijks bedrag. De consument zette daarbij op een elektronisch scherm een “krabbel” en betaalde vervolgens gedurende 21 maanden de maandelijkse bedragen. De kantonrechter oordeelt dat rechtsgeldig een overeenkomst tot stand is gekomen. Een overeenkomst is in beginsel vormvrij en uit de gemaakte afspraken en de langdurige uitvoering blijkt dat de consument het aanbod heeft aanvaard. Omdat de overeenkomst in de woning van de consument is gesloten, kwalificeert deze als een overeenkomst buiten de verkoopruimte. De dienstverlener heeft vóór het sluiten van de overeenkomst onvoldoende duidelijkheid gegeven over de ingangsdatum, de looptijd en het ontbindingsrecht. Ook heeft hij de vereiste informatie niet tijdig op papier of, met instemming van de consument, op een andere duurzame gegevensdrager verstrekt. Daarmee schendt hij artikel 6:230m lid 1, onder a en h, en artikel 6:230t lid 1 BW. De kantonrechter stelt geen schending vast ten aanzien van de betaalwijze en de opzegmogelijkheden. Het weglaten van de essentiële informatie vormt tevens een misleidende omissie als bedoeld in artikel 6:193d BW.
AVG-inzageverzoek met financieel oogmerk leidt tot niet-ontvankelijkheid en vergoeding van werkelijke proceskosten
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5381; ECLI:NL:RBNHO:2026:8285 ([verzoeker] tegen Tuinmeubelwereld). Verzoeker had in 2023 via kerstland.nl twee bestellingen geplaatst bij Tuinmeubelwereld. In 2025 diende hij een inzageverzoek in op grond van artikel 15 AVG. Nog voordat Tuinmeubelwereld inhoudelijk op het verzoek had gereageerd, kondigde verzoeker € 925 exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten aan. Vervolgens liet hij een conceptdagvaarding sturen waarin naast volledige inzage en dwangsommen een bedrag van ongeveer € 3.500 werd gevorderd en deed hij een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel van € 1.250. Tuinmeubelwereld verstrekte daarna informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens en verschillende onderliggende documenten. Verzoeker legde niet concreet uit waarom die reactie ontoereikend was of welke persoonsgegevens volgens hem nog ontbraken, maar bleef aandringen op betaling van een vergoeding en dreigen met een procedure. Ook stelde hij voor om een tuchtklacht tegen de advocaat van Tuinmeubelwereld in te trekken als onderdeel van een minnelijke regeling. Kort voor de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot uitsluitend volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 35.000.
Patroon van AVG-inzageverzoeken met financieel oogmerk levert misbruik van recht op
Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, IT 5379; ECLI:NL:RBNHO:2026:8436 ([verzoeker] tegen VDIS). Verzoeker had na bestellingen via de website tandenbleken-thuis.nl een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG ingediend bij Van Dijk Interim Services B.V. (VDIS). Toen een reactie uitbleef, sommeerde hij VDIS om alsnog aan het verzoek te voldoen en kondigde hij € 925 aan buitengerechtelijke kosten aan. Vervolgens deed hij onder dreiging van een gerechtelijke procedure een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel van € 1.250. VDIS verstrekte daarop algemene informatie over onder meer de categorieën persoonsgegevens, verwerkingsdoeleinden, grondslagen, ontvangers en bewaartermijnen en vroeg verzoeker zijn identiteit te verifiëren. Verzoeker reageerde niet op dat verzoek. In de procedure verzocht hij aanvankelijk onder meer om schadevergoeding, buitengerechtelijke kosten en vergoeding van de werkelijke proceskosten. Pas tijdens de mondelinge behandeling verminderde hij zijn verzoek tot het verkrijgen van volledige inzage in zijn persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom.
Vijf Apple App Stores vormen één kernplatformdienst onder DMA
Gerecht EU 8 juli 2026, IT 5377; ECLI:EU:T:2026:451 (Apple tegen Europese Commissie). Het Gerecht behandelt drie voor het arrest gevoegde beroepen van Apple tegen besluiten van de Europese Commissie op grond van de Digital Markets Act (DMA). Apple meldt de Commissie op 3 juli 2023 dat zij de kwantitatieve drempels van art. 3 lid 2 DMA bereikt voor de iOS App Store, het besturingssysteem iOS, de webbrowser Safari en de chatdienst iMessage. Ten aanzien van iMessage betoogt Apple dat deze dienst niet kan worden gekwalificeerd als een nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiedienst (NI-ICS) en daarmee evenmin als een kernplatformdienst in de zin van de DMA. Subsidiair voert Apple aan dat de omstandigheden waarin iMessage wordt gebruikt meebrengen dat deze dienst geen belangrijke toegangspoort voor zakelijke gebruikers tot eindgebruikers vormt. De Commissie opent daarop een marktonderzoek naar iMessage en wijst Apple bij afzonderlijk besluit aan als poortwachter voor drie kernplatformdiensten: de App Store, iOS en Safari. Na afloop van het marktonderzoek besluit de Commissie Apple niet als poortwachter voor iMessage aan te wijzen, maar kwalificeert zij iMessage wel als NI-ICS en daarmee als kernplatformdienst. Apple stelt tegen deze besluiten drie beroepen tot nietigverklaring in. In zaak T-1079/23 vordert zij nietigverklaring van het besluit tot inleiding van het marktonderzoek en bestrijdt zij de daaraan ten grondslag liggende kwalificatie van iMessage als NI-ICS. In zaak T-1080/23 komt Apple op tegen het aanwijzingsbesluit. Zij voert ten eerste bij wege van exceptie van onwettigheid op grond van art. 277 VWEU aan dat art. 6 lid 7 DMA geen adequate toepassing van het in art. 52 lid 1 Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel waarborgt en onvoldoende bescherming biedt aan grondrechten, in het bijzonder het eigendomsrecht. Volgens Apple moet de bepaling daarom buiten toepassing worden gelaten en moet het aanwijzingsbesluit worden vernietigd voor zover de aanwijzing van iOS haar aan de daarin neergelegde interoperabiliteitsverplichtingen onderwerpt. Ten tweede bestrijdt Apple de beoordeling dat de iOS, iPadOS, watchOS, macOS en tvOS App Stores gezamenlijk één onlinetussenhandelsdienst en één kernplatformdienst vormen. Volgens Apple hebben deze App Stores verschillende doeleinden, worden zij op verschillende apparaten en door zakelijke gebruikers en eindgebruikers op verschillende wijzen gebruikt en moeten zij daarom afzonderlijk worden beoordeeld. In dat geval overschrijdt alleen de iOS App Store de drempels van art. 3 lid 2 DMA. Ten derde stelt Apple dat de Commissie iMessage ten onrechte als NI-ICS heeft gekwalificeerd. In zaak T-214/24 vorderen Apple Inc. en Apple Distribution International Ltd ten slotte nietigverklaring van het besluit tot sluiting van het marktonderzoek, voor zover de Commissie daarin vasthoudt aan de kwalificatie van iMessage als NI-ICS.
Geen hostingvrijstelling bij inhoudelijke beoordeling van YouTube-partnerkanaal met gokreclame
HvJ EU 16 juli 2026, RB 4060; IT 5365; ECLI:EU:C:2026:592 (AGCOM tegen Google Ireland). De Italiaanse toezichthouder AGCOM legt Google een bestuurlijke boete van € 750.000 op wegens video’s op vijf YouTube-kanalen waarin gokwebsites werden gepromoot. Ook beveelt AGCOM Google om 630 video’s en soortgelijke content te verwijderen. De betrokken contentmaker nam deel aan het YouTube Partner Programme, waarbij Google en de maker reclame-inkomsten delen. Het Hof maakt bij de beoordeling van de Richtlijn elektronische handel onderscheid tussen het online maken van reclame voor gokactiviteiten en het hosten van video’s waarin dergelijke reclame voorkomt. De activiteit die bestaat in het online maken van gokreclame is intrinsiek met gokactiviteiten verbonden en valt buiten het toepassingsgebied van de richtlijn. Het online hosten van video’s met gokreclame valt daarentegen wel binnen dat toepassingsgebied, omdat hosting als zodanig niet intrinsiek met gokken is verbonden en in beginsel niet verschilt naargelang de aard van de opgeslagen content.
AVG-inzagerecht geeft slechts bij uitzondering recht op originele documenten
RvS 20 juli 2026, IT 5376; ECLI:NL:RVS:2026:4254 ([appellant] tegen Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd). Een betrokkene had het Nationaal Agentschap Erasmus+ Jeugd op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Nadat de Rechtbank Den Haag zijn beroep tegen het besluit op dit verzoek ongegrond had verklaard, stelde hij hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Volgens de Afdeling moet het Nationaal Agentschap op grond van de AVG een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens verstrekken dat de betrokkene in staat stelt zijn rechten uit de AVG uit te oefenen. Het inzagerecht brengt echter niet zonder meer mee dat ook een afschrift moet worden verstrekt van de originele documenten waarin die persoonsgegevens zijn opgenomen.
Rapper verbeurt € 90.000 aan dwangsommen wegens TikTok-fragment met minderjarig kind
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23707; IT 5382; ECLI:NL:RBDHA:2026:17586 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak vordert eiser, een rapper, staking van de executie van dwangsommen die hij volgens gedaagde heeft verbeurd doordat een TikTok-fragment met beeldmateriaal van haar minderjarige kind online is blijven staan. In een eerder kort geding van 23 april 2026 is eiser veroordeeld om alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind van zijn sociale media te verwijderen en verwijderd te houden. Het bevel omvat uitdrukkelijk een videoclip waarin op de telefoon van eiser een foto van hem met het kind zichtbaar is. Aan het bevel is een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag of dagdeel dan wel, naar keuze van gedaagde, per overtreding, met een maximum van € 250.000. Het vonnis is op 29 april 2026 betekend. Een fragment van de betreffende videoclip blijft daarna op het TikTok-account van eiser staan en wordt pas op 18 mei 2026 definitief verwijderd. Op 13 mei 2026 laat gedaagde eiser bevel doen tot betaling van € 60.000 aan op dat moment opgeëiste dwangsommen en laat zij bankbeslag leggen. Over de volledige periode van 1 tot en met 18 mei 2026 stelt zij zich op het standpunt dat eiser in totaal € 90.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. Eiser vordert primair opheffing van de beslagen, staking van de executie en terugbetaling van reeds geïnde bedragen. Subsidiair vordert hij de executie op nihil te stellen, te beperken tot de periode tot en met 3 mei 2026 of tot een lager bedrag. Meer subsidiair vordert hij de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld of en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd. Volgens eiser valt het TikTok-fragment niet onder het eerdere verwijderingsbevel. Daarnaast stelt hij dat hij het fragment na een waarschuwing van gedaagde op 3 mei 2026 heeft verwijderd, maar dat het door een technische fout of storing bij TikTok zichtbaar is gebleven of opnieuw online is verschenen. Hij beroept zich op onmogelijkheid tot nakoming in de zin van art. 611d Rv en op misbruik van executiebevoegdheid.



























