Zuyderland kon softwarelicentie niet per 29 oktober 2025 beëindigen
Rb. Limburg 12 augustus 2026, IT 5504; ECLI:NL:RBLIM:2026:8059 (Logis.P tegen Zuyderland). Logis.P en Zuyderland sloten in oktober 2020 een overeenkomst voor de gefaseerde implementatie van een digitaal aanmeld- en registratiesysteem voor patiënten, bestaande uit onder meer hardware, softwarelicenties, koppelingen met het EPD en aanvullende diensten. Tussen partijen stond vast dat voor de software een minimale contractduur van vijf jaar gold, maar zij verschilden van mening over de aanvang daarvan. Zuyderland meende dat de looptijd op 29 oktober 2020, de datum van ondertekening, was begonnen en zegde de overeenkomst daarom op tegen 29 oktober 2025. Logis.P stelde dat de licentietermijn pas op 1 april 2021 was aangevangen. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst veeleer als een raamovereenkomst dan als één integrale duurovereenkomst. Voor verschillende onderdelen waren nadere overeenkomsten voorzien en ook voor de softwarelicentie was oorspronkelijk een afzonderlijke licentie- en onderhoudsovereenkomst beoogd, die uiteindelijk niet afzonderlijk is ondertekend. Uit de tekst van de overeenkomst, waarin staat dat het softwareabonnement na installatie en vervolgens maandelijks vooruit wordt gefactureerd, in samenhang met de feitelijke uitvoering, volgt volgens de rechtbank dat partijen de aanvang van de minimale contractduur hebben gekoppeld aan de installatie van de software en de daaropvolgende facturering. Nu de eerste licentiekosten per 1 april 2021 in rekening zijn gebracht, is de minimale looptijd op die datum aangevangen.
Artikel 54 AVG sluit toepassing Woo op toezichtsinformatie AP niet uit
Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5503; ECLI:NL:RBAMS:2026:6692 (eiseres tegen de AP en GGD GHOR). Eiseres heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de Wet open overheid verzocht om informatie over een datalek uit januari 2021 waarbij de GGD-systemen CoronIT, HPZone en HPZone Lite waren betrokken en over het onderzoek van de AP daarnaar. De AP wees het verzoek volledig af en stelde onder meer dat art. 54 lid 2 AVG, dat een beroepsgeheim oplegt aan leden en personeel van toezichthoudende autoriteiten, eraan in de weg staat dat deze gevoelige toezichtsinformatie onder de Woo openbaar wordt gemaakt. De rechtbank volgt dat niet. Hoewel de AVG als rechtstreeks werkende Unierechtelijke verordening voorrang heeft boven nationaal recht, bevat art. 54 lid 2 AVG volgens de rechtbank geen regeling die documenten die bij de AP berusten aan openbaarmaking onttrekt. De bepaling ziet op het beroepsgeheim van personen die bij de toezichthouder werkzaam zijn ten aanzien van vertrouwelijke informatie die hun bij de uitoefening van hun taken bekend is geworden. Anders dan bijvoorbeeld een bepaling die uitdrukkelijk het verstrekken van informatie regelt, biedt art. 54 lid 2 AVG geen grond om de openbaarmakingsregels van de Woo buiten toepassing te laten. De AP moet daarom aan de hand van de Woo beoordelen of en in hoeverre de gevraagde documenten openbaar kunnen worden gemaakt.
Belastingdienst mag persoonsgegevens leden businessclub opvragen; gegevens over evenementbezoek gaan te ver
Rb. Noord-Holland 2 september 2026, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]). De Belastingdienst vordert in kort geding dat een exploitant van luxe herenmodezaken op grond van art. 47, 49 en 53 AWR gegevens verstrekt over de leden van haar businessclub. Volgens de onderneming gaat het om een ongeoorloofde fishing expedition en vormt de bulkuitvraag van rechtstreeks herleidbare persoonsgegevens een disproportionele inmenging in de privacy van haar klanten, in strijd met de AVG en art. 8 EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 47 en 53 AWR de Belastingdienst een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Niet vereist is dat vooraf voor iedere individuele belastingplichtige concrete aanwijzingen bestaan; ook serievragen over een afgebakende categorie derden zijn toegestaan. De uitvraag betreft hier een vooraf bepaalde, inhoudelijk samenhangende groep – de leden van de businessclub gedurende een beperkt aantal fiscale jaren – en de Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens relevant kunnen zijn voor onder meer de fiscale verwerking van kleding, shoptegoeden en deelname aan activiteiten. Van een fishing expedition of détournement de pouvoir is daarom geen sprake. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
Aanstaande woensdag: Entertainment & Recht 2026 – schrijf je nu nog in!
Aanstaande woensdag 9 september vindt het seminar Entertainment & Recht 2026 plaats. In één middag word je bijgepraat over de belangrijkste juridische ontwikkelingen in de entertainmentsector. Dagvoorzitters Marijn Kingma (Höcker) en Michiel Odink (Leeway) openen de middag met de Entertainment Top 10. Daarna bespreekt Peter Marx (MVVP) de juridische aspecten van sync, gaat Merel Teunissen (Liaise Advocaten) in op Film & AI en recente ontwikkelingen in het filmrecht en behandelen Janneke Popma (Höcker) en Vera Nederpelt (Dikhoff Van Dongen Advocaten) exploitatiecontracten. De middag wordt afgesloten met een paneldiscussie over muziekcontracten, auteurscontractenrecht, beëindiging en billijke vergoeding.
Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus wil je erbij zijn? Schrijf je dan nu nog in! Het programma vindt plaats van 12.30 tot 17.15 uur (inloop vanaf 12.00 uur), levert 4 opleidingspunten op en wordt afgesloten met een netwerkborrel.
Betalingsverplichting consument met 20% verminderd wegens schending informatieplichten; incassobeding Riverty vernietigd
Rb. Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2026, IT 5501; ECLI:NL:RBZWB:2026:7598 (Riverty tegen [gedaagde]). Riverty vordert € 149,99 van een consument voor een bestelling bij Decathlon die via achteraf betalen is afgerekend. De consument voert aan dat hij de bestelling heeft geannuleerd en daarom niets verschuldigd is. De kantonrechter volgt dit verweer niet. Uit het door Riverty overgelegde betaaloverzicht blijkt dat op naam en adres van de consument een bestelling is geplaatst, terwijl hij de juistheid daarvan onvoldoende concreet heeft betwist. Uit de door de consument overgelegde screenshot van een annuleringsmail kan bovendien niet worden afgeleid dat deze betrekking heeft op de specifieke bestelling waarvoor Riverty betaling vordert. Daarbij weegt mee dat de consument pas in december 2025 voor het eerst heeft aangevoerd dat de bestelling was geannuleerd, terwijl Riverty hem al in 2023 en 2024 over de openstaande vordering had aangeschreven. De kantonrechter concludeert daarom dat de consument in beginsel gehouden is het aankoopbedrag te betalen.
Rechtbank: politie handelt onrechtmatig door politiegegevens met ANWB te delen
Rb. Den Haag 29 juli 2026, IT 5494; ECLI:NL:RBDHA:2026:21977 ([eisers] tegen de politie). De rechtbank oordeelt dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door in 2022 politiegegevens over een ondernemer met de ANWB te delen. De politie heeft de ANWB meegedeeld dat de ondernemer werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en heeft conclusies uit een proces-verbaal met restinformatie gedeeld. Volgens de rechtbank vond deze gegevensverstrekking plaats op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) en niet op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Artikel 19 Wpg staat incidentele verstrekking van politiegegevens aan derden slechts toe voor bepaalde wettelijke doeleinden en indien dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, waarbij ook aan proportionaliteit en subsidiariteit moet zijn voldaan. De politie heeft onvoldoende onderbouwd hoe de verstrekking aan de ANWB kon bijdragen aan de bestrijding van drugscriminaliteit of het voorkomen van reputatieschade bij de ANWB. Daarbij weegt mee dat de politie de ANWB ook wilde bewegen de licentieovereenkomst met de ondernemer te heroverwegen en daarmee probeerde in te grijpen in hun civielrechtelijke relatie. Ook mondeling of informeel verstrekte persoonsgegevens vallen onder de Wpg.
Vrijspraak voor oplichting, gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk wegens onvoldoende bewijs van onbevoegd inloggen
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2026, IT 5490; ECLI:NL:GHARL:2026:4573 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt verdachte vrij van oplichting, subsidiair gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk. Vaststaat dat op 13 december 2023 via het bedrijfsaccount van [benadeelde] goederen zijn besteld en dat deze de volgende dag op het woonadres van verdachte zijn afgeleverd. Verdachtes telefoonnummer stond op de pakbon en de bezorger heeft via dat nummer specifieke afleverinstructies gekregen. Het hof acht het daarom bewezen dat verdachte de bezorger telefonisch te woord heeft gestaan, hem heeft opgewacht en de goederen in ontvangst heeft genomen. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde oplichting moest echter óók kunnen worden vastgesteld dat verdachte degene was die onbevoegd op het bedrijfsaccount had ingelogd en daarmee de bestelling had geplaatst. Dat kan het hof niet vaststellen. Onderzoek aan zijn telefoon heeft niet uitgewezen dat daarmee van de bestelapplicatie gebruik is gemaakt en van onderzoek naar andere apparaten waarmee verdachte mogelijk had kunnen inloggen, is niet gebleken. Nu bovendien ieder ander technisch digitaal spoor ontbreekt dat verdachte aan het onbevoegde inloggen en plaatsen van de bestelling koppelt, ontbreekt voldoende bewijs voor het primair tenlastegelegde.
Artikel door prof. mr. Dirk Visser. Oorspronkelijk verschenen op AI-Forum.
Het verschil tussen een tomaat en Mickey Mouse
Prof. mr. D.J.G. Visser is hoogleraar IE in Leiden (d.j.g.visser@law.leidenuniv.nl) en advocaat in Amsterdam.
Als ik ChatGPT vraag om een “fotorealistische weergave van een tomaat” krijg ik het volgende resultaat:
Gemeente Amsterdam moet zoekslag naar persoonsgegevens beter motiveren
Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5489; ECLI:NL:RBAMS:2026:6773 (eiser tegen het college). De rechtbank oordeelt in een tussenuitspraak dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe het heeft gezocht naar persoonsgegevens van eiser naar aanleiding van diens inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. Eiser, voormalig werknemer van de gemeente Weesp, stelde dat zijn personeelsdossier meer documenten moest bevatten dan het college had verstrekt. Tijdens de procedure bleek na een nieuwe zoekslag dat nog drie documenten uit 2008 en 2009 waren aangetroffen. Volgens vaste rechtspraak geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat bepaalde documenten niet of niet meer onder hem berusten en die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het vervolgens aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat de documenten toch onder het bestuursorgaan berusten. Daarvoor moet het bestuursorgaan wel voldoende inzichtelijk maken hoe de zoekslag is uitgevoerd. Dat heeft het college hier niet gedaan: uit de besluitvorming blijkt niet in welke systemen is gezocht, welke zoektermen zijn gebruikt, bij welke personen navraag is gedaan en welke vragen daarbij zijn gesteld. Ook de latere toelichting dat in het fysieke dossier en in Decos is gezocht, acht de rechtbank onvoldoende. Het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.
Rechtbank: voormalig vrijwilligster moet beheerdersrechten Facebookpagina overdragen
Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juli 2026, IT 5493; ECLI:NL:RBZWB:2026:7232 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat een voormalig vrijwilligster de beheerdersrechten van een Facebookpagina aan de eisende organisatie moet overdragen. De vrijwilligster beheerde de pagina tijdens de samenwerking, maar weigerde na beëindiging daarvan de beheerdersrechten, waaronder de inlogcodes, te verstrekken omdat zij zich op het standpunt stelde rechthebbende op de Facebookpagina te zijn. De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisend belang aanwezig. De betreffende pagina heeft ongeveer 41.000 volgers en de organisatie heeft met verklaringen van donateurs voldoende onderbouwd dat het ontbreken van toegang tot de pagina gevolgen heeft voor de donaties. Voor de beantwoording van de vraag aan wie de beheerdersrechten toekomen, is volgens de voorzieningenrechter niet doorslaggevend wie volgens Facebook over die beheerdersrechten beschikt.






























