IT 5188
7 april 2026
Uitspraak

AVG-verzoek ingetrokken: [verzoeker] betaalt voor proceskosten

 
IT 5186
7 april 2026
Uitspraak

Frauderegistratie onder de AVG: duur van de registratie moet proportioneel zijn

 
IT 5182
7 april 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over een digitaal klachtenboek

 
IT 5188

AVG-verzoek ingetrokken: [verzoeker] betaalt voor proceskosten

Rechtbank Amsterdam 5 mrt 2026, IT 5188; ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 ([verzoeker] tegen ING), https://itenrecht.nl/artikelen/avg-verzoek-ingetrokken-verzoeker-betaalt-voor-proceskosten

Rb. Amsterdam 5 maart 2026, IT 5188; ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 ([verzoeker] tegen ING). In deze procedure op grond van artikel 35 van de UAVG heeft [verzoeker] zijn verzoek kort vóór de geplande mondelinge behandeling ingetrokken. Partijen waren het erover eens dat de zitting geen doorgang hoefde te vinden, maar discussie ontstond over de proceskosten. ING verzocht de rechtbank om alsnog bij beschikking te beslissen over de proceskosten, nu deze ondanks de intrekking niet waren voldaan.

IT 5186

Frauderegistratie onder de AVG: duur van de registratie moet proportioneel zijn

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 dec 2025, IT 5186; ECLI:NL:GHARL:2025:7685 ([appellante] tegen ASR), https://itenrecht.nl/artikelen/frauderegistratie-onder-de-avg-duur-van-de-registratie-moet-proportioneel-zijn

Hof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2025, IT 5186; ECLI:NL:GHARL:2025:7685 ([appellante] tegen ASR). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat een verzekeraar (ASR) persoonsgegevens mag opnemen in interne en externe frauderegisters bij opzettelijke misleiding door een verzekeringnemer, maar dat de duur van die registratie afzonderlijk moet worden getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel van de AVG. De zaak betreft een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) die was aangevraagd in het kader van een financieringstraject. Bij de aanvraag had [appellante] in de gezondheidsverklaring relevante medische informatie niet gemeld, waaronder een recent verkeersongeval en langdurige klachten. Nadat de verzekeraar via externe bronnen kennis kreeg van deze informatie, werd een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot registratie van [appellante] in het Interne Verwijzingsregister (IVR) en het Externe Verwijzingsregister (EVR) voor de maximale duur van acht jaar. Centraal stond de vraag of deze registratie in strijd was met de Algemene verordening gegevensbescherming en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).

IT 5182

Prejudiciële vragen gesteld over een digitaal klachtenboek

HvJ EU 12 nov 2025, IT 5182; C-720/25 (IO, Associação Ius Omnibus tegen Contextlogic B.V.), https://itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-een-digitaal-klachtenboek

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 12 november 2025, RB 3998; IT 5182; C-720/25 (IO, Associação Ius Omnibus tegen Contextlogic B.V.) via MinBuza. Verweerster is ‘Contextlogic B.V.’, een vennootschap met statutaire zetel in Nederland, ingeschreven in het Portugese handelsregister. Verzoekende partij is een gekwalificeerde betalingsinstelling die stelt dat verweerster niet voldoet aan de verplichting om Portugese consumenten een digitaal klachtenboek ter beschikking te stellen. Het is de vraag of de diensten die verweerster verleent vallen onder ‘diensten van een informatiemaatschappij’. Daarnaast is het de vraag of de Portugese regels, indien zij gelden voor dienstverleners die geen statutaire zetel of vestiging in Portugal hebben, verenigbaar zijn met richtlijn 2000/31 (beginsel van controle aan de bron van diensten van de informatiemaatschappij).  

IT 5179

Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht

Gerechtshof Den Haag 10 mrt 2026, IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/totaalverbod-op-online-kansspelen-niet-in-strijd-met-art-56-vweu-afwijzing-vordering-tot-rectificatie-van-om-persbericht

Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.

IT 5178

Niet-ontvankelijkheid inzageverzoek ex art. 35 UAVG en afwijzing overige verzoeken tegen hostingprovider

Rechtbank Midden-Nederland 11 mrt 2026, IT 5178; ECLI:NL:RBMNE:2026:1115 ([verzoeker] tegen Mijndomein), https://itenrecht.nl/artikelen/niet-ontvankelijkheid-inzageverzoek-ex-art-35-uavg-en-afwijzing-overige-verzoeken-tegen-hostingprovider

Rb. Midden-Nederland 11 maart 2026, IT 5178; ECLI:NL:RBMNE:2026:1115 ([verzoeker] tegen Mijndomein). In deze beschikking staat een geschil centraal tussen een particuliere gebruiker en webhostingprovider Mijndomein over een tweede account dat niet op naam van verzoeker zelf, maar op naam en met de NAW-gegevens van een derde, [B], was geregistreerd. Aan dat tweede account waren domeinnamen gekoppeld, waaronder een domeinnaam die eerder ook aan het eerste account van verzoeker gekoppeld was. Nadat verzoeker Mijndomein had gevraagd om dat tweede account op te heffen, heeft Mijndomein dat geweigerd, omdat volgens haar alleen de geregistreerde accounthouder een dergelijk verzoek kon doen. Nadat [B] had gemeld dat het account zonder haar toestemming met haar persoonsgegevens was aangemaakt en zij Mijndomein een kopie van haar aangifte had toegestuurd, heeft Mijndomein het tweede account met de daaraan gekoppelde domeinen op 26 mei 2025 opgeheven. In de procedure verzocht verzoeker vervolgens onder meer te bepalen dat Mijndomein zijn persoonsgegevens niet zonder rechtsgeldige grondslag mocht verwerken, voor recht te verklaren dat Mijndomein onrechtmatig jegens hem had gehandeld, opheffing en bevestiging van opheffing van het tweede account te bevelen, inzage in persoonsgegevens te geven op grond van de AVG, en Mijndomein te veroordelen tot betaling van € 160 materiële schade en € 2.000 immateriële schade. De rechtbank stelt eerst procesrechtelijk vast dat een deel van deze verzoeken materieel gezien thuishoort in een dagvaardingsprocedure, maar ziet af van verwijzing op de voet van art. 69 Rv, omdat de verzoeken nauw met elkaar samenhangen, het debat tussen partijen voldoende is uitgekristalliseerd en Mijndomein daardoor niet in haar belangen is geschaad.

IT 5174

Digitale vormfout bij processtukken: herstel boven niet-ontvankelijkheid

Hoge Raad 27 mrt 2026, IT 5174; ECLI:NL:HR:2026:514 ([de vrouw] tegen [de man]), https://itenrecht.nl/artikelen/digitale-vormfout-bij-processtukken-herstel-boven-niet-ontvankelijkheid

HR 27 maart 2026, IT 5174; ECLI:NL:HR:2026:514 ([de vrouw] tegen [de man]). De Hoge Raad heeft zich in deze beschikking uitgelaten over de gevolgen van een onjuiste wijze van elektronische indiening van een processtuk. Centraal stond de vraag of een beroepschrift dat binnen de appeltermijn per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend, maar niet via het voorgeschreven systeem van “Veilig Mailen”, kan leiden tot ontvankelijkheid in hoger beroep. In de onderliggende echtscheidingsprocedure had de man tijdig hoger beroep ingesteld door zijn beroepschrift per e-mail aan het hof te sturen. Deze wijze van indiening was alleen in strijd met het toepasselijke procesreglement, dat een limitatief stelsel van indieningswijzen kent en elektronische indiening uitsluitend via beveiligde kanalen toestaat. De papieren versie van het beroepschrift werd pas na afloop van de beroepstermijn ontvangen. Het hof verklaarde de man desondanks ontvankelijk, mede vanwege een destijds niet eenduidige praktijk rondom e-mailindiening.

IT 5177

Geen tekortkoming van netbeheerder wegens uitblijven tijdige verzwaring van elektriciteitsaansluiting; geen bindende oplevertoezegging en geen overschrijding van een redelijke termijn

Rechtbank Oost-Brabant 18 mrt 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-tekortkoming-van-netbeheerder-wegens-uitblijven-tijdige-verzwaring-van-elektriciteitsaansluiting-geen-bindende-oplevertoezegging-en-geen-overschrijding-van-een-redelijke-termijn

Rb. Oost-Brabant 18 maart 2026, IT 5177; ECLI:NL:RBOBR:2026:1773 ([eiser] tegen Enexis). In deze bodemzaak vorderde een taxibedrijf schadevergoeding van Enexis Netbeheer B.V. omdat de verzwaring van haar elektriciteitsaansluiting en de beschikbaarstelling van voldoende transportvermogen volgens haar te laat waren gerealiseerd voor de inzet van 50 elektrische bussen. Het taxibedrijf had op 31 januari 2023 een aanvraag gedaan voor wijziging van de bestaande aansluiting van 3x250 ampère naar een aansluiting van 1.750 kVA op haar terrein. Op 13 april 2023 ondertekende zij de offerte van Enexis. In die offerte stond als gewenste opleverdatum 3 juli 2023, maar ook dat de verwachte levertijd van 33 weken slechts een indicatie was, dat daaraan geen rechten konden worden ontleend en dat de levertijd langer zou worden indien eerst een netuitbreiding nodig was. Na een telefoongesprek bevestigde Enexis op 19 april 2023 per e-mail dat de voorkeursdatum van 3 juli 2023 niet haalbaar was, dat de datum “nu [was] gezet op week 2 van 2024” en dat voor realisatie van de aansluiting ook een netuitbreiding nodig was. Het taxibedrijf stelde dat Enexis daarmee had toegezegd, althans het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt, dat de aansluiting in week 2 van 2024 gereed zou zijn, en dat zij in dat vertrouwen op 10 juli 2023 50 elektrische bussen had besteld. De rechtbank stelt echter vast dat eiseres haar oorspronkelijke beroep op overschrijding van de 18-wekentermijn van artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998 tijdens de mondelinge behandeling had verlaten, gelet op het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 april 2025, waarin die termijn buiten toepassing is gelaten wegens strijd met artikel 47 Handvest. De zaak moest daarom worden beoordeeld op de gewijzigde grondslag dat Enexis onjuiste of misleidende informatie zou hebben verstrekt en de aansluiting niet binnen een redelijke termijn zou hebben gerealiseerd.

IT 5180

Afwijzing AVG-schadevordering en verklaring voor recht wegens bindende kracht van eerdere beschikking over dezelfde correspondentie

Rechtbank Gelderland 18 feb 2026, IT 5180; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/afwijzing-avg-schadevordering-en-verklaring-voor-recht-wegens-bindende-kracht-van-eerdere-beschikking-over-dezelfde-correspondentie

Rb. Gelderland 18 februari 2026, IEF 23442; IT 5180; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak tussen een voormalig onderbewindgestelde en zijn voormalige bewindvoerder vorderde eiser een verklaring voor recht dat de bewindvoerder in verzuim was wegens schending van de artikelen 12, 15 en 5 lid 1 AVG, artikel 843a Rv en artikel 6:82 BW, alsmede betaling van € 1.325 schadevergoeding en € 198,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Aan die vorderingen legde hij ten grondslag dat de bewindvoerder niet had gereageerd op zijn e-mail van 1 oktober 2024, waarin hij vroeg om alle correspondentie waarbij zijn oude e-mailadres was gebruikt en om correspondentie uit 2014 en 2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma en termijnbetalingen. De bewindvoerder voerde daartegen aan dat over diezelfde correspondentie en over de daaraan gekoppelde schade al eerder tussen partijen was beslist in een eerdere procedure, die had geleid tot een beschikking van 31 januari 2025, welke inmiddels kracht van gewijsde had gekregen. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 236 Rv ook ten aanzien van beschikkingen beslissende betekenis kan hebben en dat moet worden beoordeeld of een nieuw oordeel zich zou verdragen met de eerdere uitspraak. Daarbij komt het aan op de grondslag van de eerdere vordering, het processuele debat en de eerdere beslissing.

IT 5181

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IT 5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://itenrecht.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IT 5176

Stilzwijgende verlenging van marketingovereenkomst na niet-bewezen tijdige opzegging; gedeeltelijke afwijzing factuurvordering wegens niet-aangetoonde Google AdWords-dienstverlening

18 mrt 2026, IT 5176; ECLI:NL:RBLIM:2026:2385 (Proximedia tegen [gedaagden]), https://itenrecht.nl/artikelen/stilzwijgende-verlenging-van-marketingovereenkomst-na-niet-bewezen-tijdige-opzegging-gedeeltelijke-afwijzing-factuurvordering-wegens-niet-aangetoonde-google-adwords-dienstverlening

Rb. Limburg 18 maart 2026, IT 5176; ECLI:NL:RBLIM:2026:2385 (Proximedia tegen [gedaagden]). In deze bodemzaak tussen Proximedia Nederland B.V. en haar contractspartij stond een overeenkomst centraal op grond waarvan Proximedia een landingspagina/miniwebsite zou maken, het ontvangen en traceren van oproepen mogelijk zou maken en een Google AdWords-campagne zou maken en beheren. Partijen hadden eerst op 16 april 2019 een overeenkomst gesloten voor 24 maanden, met € 90 aan opstartkosten, een maandvergoeding van € 229,90 inclusief btw en daarnaast een maandbudget van € 36,30 inclusief btw voor Google AdWords. Op 9 april 2020 sloten zij een nieuwe overeenkomst ter vervanging van de eerdere overeenkomst. Die nieuwe overeenkomst had een looptijd van 36 maanden; de diensten en het Google AdWords-budget bleven gelijk, maar de maandvergoeding werd verlaagd naar € 181,50 inclusief btw. De wederpartij stelde dat zij de overeenkomst op 9 januari 2023 per aangetekende brief had opgezegd, maar kon niet bewijzen dat die opzegging Proximedia had bereikt. De kantonrechter oordeelt daarom, onder toepassing van artikel 3:37 lid 3 BW, dat niet is komen vast te staan dat de verklaring Proximedia heeft bereikt. Bovendien zou die opzegging, zelfs als zij Proximedia wel had bereikt, niet tijdig zijn geweest, omdat de overeenkomst uiterlijk drie maanden vóór het einde van de looptijd moest worden opgezegd. Daardoor is de overeenkomst op grond van het contract stilzwijgend met één jaar verlengd, dus tot en met 8 april 2024. In de periode mei 2023 tot en met januari 2024 had Proximedia vervolgens onbetaalde facturen gestuurd voor in totaal € 1.524,60.