Mr. S.K. Martens Academie 2026/2027
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.
Werkelijke advocaatkosten toegewezen na overdracht domeinnaam tijdens kort geding
Rb. Limburg 14 juli 2026, IEF 23747; IT 5434; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter over de proceskosten nadat [eiseres] haar oorspronkelijke inhoudelijke vorderingen heeft ingetrokken. [gedaagde] is de voormalige partner van [eiseres] en heeft in het verleden werkzaamheden verricht ten behoeve van de onderneming van [eiseres], waaronder het bouwen en beheren van haar website. [gedaagde] heeft op enig moment de feitelijke controle over de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving van [eiseres] naar zich toe getrokken, [eiseres] de toegang daartoe ontzegd en vervolgens haar website offline gehaald. [eiseres] vordert oorspronkelijk, naast vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten, onder meer dat [gedaagde] wordt bevolen de controle over en toegang tot de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving aan haar terug te geven en de daarvoor noodzakelijke medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom. Nadat de procedure aanhangig is gemaakt, herstelt [gedaagde] op 28 juni 2026 de toegang tot de zakelijke mailbox en zet hij de website weer online. Op 29 juni 2026 draagt hij ook de domeinnaam aan [eiseres] over. [eiseres] trekt daarop haar inhoudelijke vorderingen in, zodat uitsluitend haar vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten resteert. [gedaagde] verschijnt niet in de procedure.
Hof constateert twee vormverzuimen bij verkrijging en onderzoek van Ennetcomdata
Hof Den Haag 11 juni 2026, IT 5427; ECLI:NL:GHDHA:2026:1924 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De zaak betreft een voormalige medewerkster van Ennetcom, een bedrijf dat aangepaste BlackBerry-toestellen verkocht waarmee versleutelde e-mails konden worden verzonden en ontvangen. De berichten verliepen via een Blackberry Enterprise Server die Ennetcom bij Bitflow Technologies in Canada huurde. Op verzoek van Nederland werden de serverdata in 2016 door de Canadese autoriteiten gekopieerd; de dataset bevatte ongeveer 3,7 miljoen berichten en notities en ook private sleutels waarmee berichten konden worden ontsleuteld. Het hof verwerpt het betoog dat het rechtshulpverzoek aan Canada als zodanig zonder verdragsrechtelijke grondslag was gedaan, maar oordeelt wél dat bij de verkrijging van de gegevens art. 125la Sv had moeten worden toegepast. Hoewel de server fysiek bij Bitflow stond, moet het aantreffen van de gegevens daar volgens het hof materieel worden gelijkgesteld met het aantreffen daarvan bij Ennetcom. Ennetcom kwalificeert daarbij als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. Voor het rechtshulpverzoek was daarom vooraf een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Die ontbrak, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarnaast is ook bij het latere onderzoek aan en gebruik van de Ennetcomdataset, waaronder de ontsleuteling, geen sprake geweest van de vereiste voorafgaande betrokkenheid van een rechter-commissaris. Ook dat levert volgens het hof een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv op. De geschonden voorschriften dienen met name ter bescherming van privacygevoelige communicatie door voorafgaand onafhankelijk rechterlijk toezicht.
Hof bevestigt boete van € 4,125 miljard voor Google wegens misbruik rond Android
HvJ EU 2 juli 2026, IT 5437; ECLI:EU:C:2026:533 (Google LLC en Alphabet Inc. tegen Europese Commissie). Het Hof verwerpt de hogere voorziening van Google en Alphabet tegen het arrest van het Gerecht in de Google Android-zaak. De Europese Commissie had Google in 2018 een boete van € 4,343 miljard opgelegd wegens één enkele voortdurende inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 EER. Google had fabrikanten van Android-apparaten en mobiele netwerkexploitanten verschillende contractuele beperkingen opgelegd om haar machtspositie op de nationale markten voor algemene zoekdiensten te beschermen en te versterken. Het ging om de verplichte pre-installatie van Google Search en Chrome als voorwaarde voor toegang tot de Play Store, antifragmentatieverplichtingen die de ontwikkeling en verkoop van niet-compatibele Android-forks beperkten en portfoliogebaseerde overeenkomsten voor inkomstendeling (RSA’s), waarbij betalingen afhankelijk waren van de exclusieve pre-installatie van Google Search. Het Gerecht oordeelde in 2022 dat onvoldoende was aangetoond dat de portfoliogebaseerde RSA’s op zichzelf misbruik vormden, onder meer vanwege fouten in de beoordeling van hun marktdekking en de door de Commissie uitgevoerde AEC-test. Daarnaast waren bij de procedure rond deze RSA’s de rechten van verdediging van Google en Alphabet geschonden. Het Gerecht verklaarde het Commissiebesluit daarom gedeeltelijk nietig, maar liet de vaststelling van misbruik voor de koppelverkoop van Google Search, de koppelverkoop van Chrome en de antifragmentatieverplichtingen in stand. Deze drie gedragingen konden volgens het Gerecht bovendien als één enkele voortdurende inbreuk worden aangemerkt. In de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht stelde het Gerecht de boete vast op € 4,125 miljard, waarbij Alphabet voor € 1,521 miljard hoofdelijk aansprakelijk bleef.
Elektronische handtekening voldoende betrouwbaar: taxatieovereenkomst heeft dwingende bewijskracht
Rb. Overijssel 28 juli 2026, IT 5432; ECLI:NL:RBOVE:2026:4805 (Fitrex tegen [gedaagde]). Tussen Fitrex en een consument is in geschil of een overeenkomst tot stand is gekomen voor de taxatie van diens woning. De consument betwist dat hij de overeenkomst digitaal heeft ondertekend en stelt dat de taxatiekosten al waren inbegrepen in het bedrag dat hij aan zijn hypotheekadviseur had betaald. De kantonrechter overweegt dat een elektronisch ondertekend geschrift als onderhandse akte dwingende bewijskracht kan hebben wanneer de gebruikte methode van ondertekening, gelet op het doel waarvoor zij is gebruikt en alle overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. Fitrex had de contactgegevens van de consument via een bij haar bekende tussenpersoon ontvangen, de overeenkomst naar diens e-mailadres gestuurd en bij de ondertekening onder meer het gebruikte e-mailadres, IP-adres, de datum en het tijdstip geregistreerd. Gelet op deze werkwijze en het doel van de overeenkomst – een eenmalige taxatie tegen een vooraf bepaalde vaste prijs – acht de kantonrechter de ondertekenmethode voldoende betrouwbaar. De overeenkomst heeft daarom tussen partijen dwingende bewijskracht van hetgeen daarin is vastgelegd, behoudens tegenbewijs. De consument heeft geen tegenbewijs geleverd of aangeboden en heeft bovendien bevestigd dat het geregistreerde e-mailadres bij hem in gebruik is. De kantonrechter concludeert dat een overeenkomst tussen Fitrex en de consument tot stand is gekomen en dat de consument € 645 voor de taxatie moet betalen. Dat hij mogelijk met zijn hypotheekadviseur had afgesproken dat de taxatiekosten in diens vergoeding waren inbegrepen, maakt dit niet anders, omdat Fitrex juridisch buiten die afspraak staat.
Onjuiste kosteninschatting softwareproject leidt tot vernietiging wegens dwaling
Rb. Gelderland 15 april 2026, IT 5426; ECLI:NL:RBGEL:2026:2973 (Growrs tegen Rhodos). Rhodos schakelde softwarebedrijf Growrs in om een eerder door het failliete Addaptive begonnen webshop- en ERP-project voort te zetten. De overeenkomst zag aanvankelijk op de webshop en op de onderdelen van het ERP-systeem die daarvoor nodig waren. Growrs gaf vooraf twee concrete kosteninschattingen: eerst € 35.000 tot € 50.000 en vervolgens in de overeenkomst € 39.000 met een marge van ± 25%. Daarbij was bepaald dat de uren op nacalculatie zouden worden afgerekend en dat de oplevertermijn een best effort-karakter had. Tijdens de uitvoering bleek dat het door Addaptive verrichte werk veel minder bruikbaar was dan Growrs bij het sluiten van de overeenkomst had aangenomen. Het project werd daardoor aanzienlijk duurder: Growrs declareerde uiteindelijk € 185.843,75 exclusief btw, waarvan Rhodos € 93.875 exclusief btw betaalde. De rechtbank oordeelt dat Rhodos bij het sluiten van de overeenkomst heeft gedwaald. Growrs ging toen zelf uit van de onjuiste feitelijke veronderstelling dat op het bestaande werk kon worden voortgebouwd en dat de werkzaamheden binnen de genoemde kostenbandbreedte konden worden uitgevoerd, en heeft die veronderstelling door haar concrete prijsindicaties aan Rhodos overgebracht. Achteraf verklaarde Growrs dat volledig opnieuw beginnen ongeveer € 80.000 tot € 100.000 zou hebben gekost en nog steeds aanzienlijk goedkoper zou zijn geweest dan de daadwerkelijk gevolgde werkwijze.
Duurzaamheid, merken en milieuclaims: kom naar Duurzaamheid & Recht
Volgens het EUIPO bevatte in 2022 14,5% van alle Uniemerkaanvragen in de omschrijving van de producten of diensten minstens één term die met milieu of duurzaamheid te maken heeft. Dat betekent niet dat 14,5% van de merken zelf een ‘groene’ naam of uitstraling had. Het gaat alleen om de woorden die werden gebruikt om aan te geven voor welke producten of diensten het merk werd aangevraagd.
Die ontwikkeling is commercieel verklaarbaar, maar juridisch niet neutraal. Een teken kan namelijk verschillende juridische functies tegelijk vervullen. Als merk dient het om de commerciële herkomst van waren of diensten te onderscheiden en wordt het beoordeeld aan de hand van onder meer Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk (UMVo), Richtlijn (EU) 2015/2436 en, voor de Benelux, het BVIE. Tegelijkertijd kan een merknaam, productnaam, logo of ander teken in een commerciële context een boodschap over de milieukenmerken van een product of onderneming overbrengen. In dat geval kan het tevens kwalificeren als milieuclaim en onder het consumentenrecht vallen. De Nederlandse implementatiewet omschrijft een milieuclaim uitdrukkelijk als een boodschap of voorstelling die onder meer via een merknaam, bedrijfsnaam of productnaam kan worden gedaan.
Meer weten over de juridische ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid? Tijdens ons evenement Duurzaamheid & Recht op vrijdag 18 september 2026 bespreken experts op het gebied van duurzaamheid de belangrijkste actuele ontwikkelingen in het IE- en reclamerecht en de gevolgen daarvan voor de praktijk. Bekijk het programma en meld je aan via de website van deLex.
Korpschef motiveert gedeeltelijke weigering van inzage in politiegegevens onvoldoende
Rb. Midden-Nederland 11 mei 2026, IT 5424; ECLI:NL:RBMNE:2026:4326 (eisers tegen korpschef van politie). Twee eisers verzochten de korpschef op grond van de Wet politiegegevens om inzage in de politiegegevens die over hen worden verwerkt. De korpschef wees de inzageverzoeken bij besluiten van 11 juli 2025 gedeeltelijk af. Hij beriep zich daarbij op art. 27 lid 1 Wpg: het vermijden van belemmering van gerechtelijke onderzoeken of procedures (onder a), het vermijden van nadelige gevolgen voor de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (onder b), de bescherming van de rechten en vrijheden van derden (onder d) en de bescherming van de nationale veiligheid (onder e). Omdat eisers de toepassing van de d-grond niet bestreden, beoordeelt de rechtbank alleen de gronden onder a, b en e. Volgens art. 27 lid 2 Wpg moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing schriftelijk worden gemotiveerd. Daaraan heeft de korpschef niet voldaan: de motivering kwam volgens de rechtbank in wezen neer op een herhaling van de wettelijke weigeringsgronden en maakte niet duidelijk waarom gedeeltelijke weigering in dit concrete geval noodzakelijk was. Ook de brieven die bij de vertrouwelijke stukken waren gevoegd, boden daarvoor onvoldoende concrete motivering. Daarnaast had de korpschef geen kenbare en toetsbare belangenafweging gemaakt waaruit bleek waarom het belang bij weigering zwaarder woog dan het belang van eisers bij inzage.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Voorzieningenrechter verbiedt fake Google-recensies en beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag
Rb. Amsterdam 8 oktober 2020, IT 5423; ECLI:NL:RBAMS:2020:4894 ([eiseres] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]). Eiseres exploiteert een praktijk voor colonhydrotherapie en kreeg in maart 2020 een relatie met een man die zij eerder als cliënt had behandeld. Nadat diens echtgenote achter de relatie kwam en de man de relatie beëindigde, dienden gedaagden klachten tegen eiseres in bij de BATC en de IGJ. In juni en juli 2020 verschenen vervolgens negen negatieve éénsterrenrecensies over haar praktijk op Google. Gedaagden erkenden dat één recensie van de echtgenote afkomstig was en stelden dat de overige recensies door familie en vrienden waren geplaatst. De voorzieningenrechter acht van belang dat deze familieleden en vrienden zelf niet bij eiseres onder behandeling waren geweest en kwalificeert de recensies daarom als fake-recensies. Als gedaagden de overige recensies niet zelf hebben geplaatst, hebben zij er volgens de voorzieningenrechter in ieder geval de hand in gehad dat familie en vrienden deze ongeveer gelijktijdig plaatsten en later in twee tranches weer verwijderden. Daarmee hadden zij voldoende regie over de recensies om hun te kunnen gebieden dergelijke uitingen in de toekomst achterwege te laten. De voorzieningenrechter acht bovendien voldoende aannemelijk dat gedaagden eerder bij de praktijk van eiseres waren verschenen, waarbij was gedreigd haar praktijk via internet “helemaal kapot” te maken, en dat de man later onder valse voorwendselen opnieuw bij haar praktijk verscheen om haar te bewegen het kort geding in te trekken.



























