Vertrouwelijkheidsregime voor bedrijfsgevoelige stukken van Google in WAMCA-procedure
Rb. Amsterdam 3 juni 2026, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.). In deze zaak beslist de rechtbank in een WAMCA-procedure over het vertrouwelijkheidsregime voor stukken die Google c.s. in het kader van haar verweer aan Stichting App Stores Claims (ASC) ter beschikking moet stellen. Google had delen van haar conclusie van antwoord en producties zwartgemaakt omdat deze volgens haar vertrouwelijke informatie bevatten. Partijen waren het erover eens dat voor bepaalde informatie een vertrouwelijkheidsregime kon gelden, maar konden geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden daarvan. De rechtbank stelt daarom voorlopig, op grond van art. 28 lid 1 onder b en art. 22a lid 3 Rv en naar analogie van art. 1019ib Rv, een vertrouwelijkheidsregime vast. Google mag de betrokken rapporten, onderliggende informatie, getuigenverhoren en commerciële overeenkomsten onderbrengen in twee digitale datarooms: ‘Confidential’ en ‘Highly Confidential’. De eerste is toegankelijk voor advocaten, vertegenwoordigers van ASC en door ASC ingeschakelde deskundigen; de tweede uitsluitend voor advocaten en externe deskundigen. Personen met toegang mogen niet verbonden zijn aan de procesfinancier van ASC.
Technische mogelijkheid van cameratoezicht kan onrechtmatige privacy-inbreuk opleveren
Rb. Noord-Nederland 20 juli 2026, IT 5464; ECLI:NL:RBNNE:2026:3083 ([eiser] tegen [gedaagden]). In deze zaak vordert [eiser] in kort geding dat zijn buren, [gedaagden], twee beveiligingscamera’s verwijderen dan wel zodanig aanpassen dat deze niet op zijn woning en tuin kunnen worden gericht en geen geluid van zijn perceel kunnen opnemen. De camera’s hangen in de tuin van [gedaagden] op een hoogte van ten minste 2,40 meter, steken boven de schutting uit en zijn vanuit de tuin van [eiser] zichtbaar; de beweegbare camera is ook vanuit zijn slaapkamer te zien. [eiser] stelt dat hij hierdoor niet onbespied van zijn tuin kan gebruikmaken en dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. [gedaagden] voeren aan dat de camera’s vanwege eerdere conflicten tussen partijen ter beveiliging zijn geplaatst, uitsluitend hun eigen woning en tuin filmen en geen geluid opnemen. Uit door hen verstrekte screenshots zou bovendien blijken dat de tuin van [eiser] niet in beeld komt.
Veroordeling voor computervredebreuk en diefstal van Bitcoin en Bitcoin Cash via RDP-toegang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2026, IT 5457; ECLI:NL:GHARL:2026:4367 (Hoger beroep computervredebreuk). Deze strafzaak gaat over computervredebreuk en de diefstal van 30 Bitcoin en 30 Bitcoin Cash door een systeembeheerder die op afstand toegang had tot de computer van zijn klant. [verdachte] verrichtte vanuit zijn eenmanszaak gedurende langere tijd systeembeheer voor [benadeelde] en wist uit hoofde daarvan dat deze cryptomunten bezat. In september en oktober 2017 werd via Remote Desktop Protocol (RDP) meermalen op afstand ingelogd op de werkcomputer van [benadeelde], waarna met onrechtmatig verkregen inloggegevens toegang werd verkregen tot diens cryptowallet. Op 2 september 2017 werden 30 Bitcoins ter waarde van € 115.380 weggenomen en op 20 en 23 oktober 2017 in totaal 30 Bitcoin Cash ter waarde van € 4.922. Een gespecialiseerd cybersecuritybedrijf onderzocht de diefstal en legde onder meer verdachte RDP-sessies en blockchaintransacties bloot. Tijdens een gesprek met medewerkers van dit bedrijf bekende [verdachte] verantwoordelijk te zijn voor het wegnemen van de cryptomunten en verklaarde hij hoe hij het wachtwoord van [benadeelde] had achterhaald; diezelfde dag maakte hij € 77.950 en 2,94 Bitcoin aan [benadeelde] over. Ook uit een latere Chainalysis-analyse bleek dat vijf transacties via het cryptowisselplatform Shapeshift.io konden worden herleid van de wallet van [benadeelde] naar accounts van [verdachte], waarna de ontvangen Bitcoins werden omgezet en op zijn bankrekeningen werden uitbetaald. De verdediging verzocht om vrijspraak en betoogde onder meer dat de bekentenis onder druk was afgelegd, niet kon worden vastgesteld dat [verdachte] over de private key beschikte of achter de relevante RDP-sessies zat en dat derden mogelijk door een hack toegang tot de wallet hadden verkregen.
Wpg-inzageverzoek vereist aanvullende zoekslag naar telefoonnummers
ABRvS 22 juli 2026, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal). [appellant] verzocht de Rijksrecherche op grond van art. 25 Wpg om inzage in alle hem betreffende politiegegevens. Het college van procureurs-generaal, dat voor de Rijksrecherche als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, meldde aanvankelijk dat geen persoonsgegevens van [appellant] waren verwerkt, maar gaf hem later alsnog inzage in registraties uit een strafrechtelijk onderzoeksdossier. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank verrichtte het college een aanvullende zoekslag, waarbij 53 verwerkingen van persoonsgegevens van [appellant] werden aangetroffen. De rechtbank Amsterdam oordeelde vervolgens dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de mailboxen van voormalige medewerkers niet waren doorzocht en waarom niet was gezocht op de nieuwe naam van een onderneming van [appellant], maar achtte een aanvullende zoekslag op zijn woonadres en telefoonnummers niet noodzakelijk. [appellant] kwam daartegen in hoger beroep op en stelde dat de zoekslag nog steeds onvolledig was, onder meer omdat in het strafrechtelijke onderzoek telefoongesprekken van de hoofdverdachte waren getapt en reeds een tapverslag was gevonden waarin zijn persoonsgegevens voorkwamen.
Negatieve Google-reviews over advocaat-mediator zijn niet onrechtmatig
Rb. Amsterdam 11 augustus 2026, IT 5449; ECLI:NL:RBAMS:2026:8145 ([eiser] tegen [gedaagde]). [Eiser] is advocaat-mediator en begeleidt de echtscheiding tussen [gedaagde] en haar ex-echtgenoot. Nadat [eiser] in juni 2026 weigert een nieuwe opdracht over een gezagskwestie aan te nemen, plaatst [gedaagde] een twee-sterrenreview op Google over haar dienstverlening. Daarin schrijft zij onder meer dat [eiser] goede bedoelingen heeft, maar professionaliteit en competentie mist, haar neutraliteitsplicht als mediator herhaaldelijk heeft geschonden en daardoor emotionele belasting en hoge, onnodige kosten heeft veroorzaakt. Ook de ex-echtgenoot plaatst vervolgens een negatieve review. [Eiser] stelt dat de review onwaar, bewust reputatieschadend en uit rancune geschreven is en vordert in kort geding verwijdering van beide reviews. De voorzieningenrechter maakt een belangenafweging tussen het belang van [eiser] bij bescherming van haar goede naam en reputatie en het belang van [gedaagde] om zich vrijelijk in het openbaar te kunnen uitlaten. Daarbij geldt dat het in beginsel is toegestaan om ook negatieve ervaringen met een dienstverlener op internet te delen, mits die reviews berusten op daadwerkelijke ervaringen en niet feitelijk onjuist en/of onnodig grievend zijn.
Google motiveert permanente Google Ads-schorsing onvoldoende, maar hoeft account EazeGames niet te heractiveren
Hof Amsterdam 21 juli 2026, RB 4102; IT 5448; ECLI:NL:GHAMS:2026:1981 (EazeGames tegen Google). EazeGames exploiteert een online platform waarop onder meer Bingo, Solitaire en 21 worden aangeboden en adverteert daarvoor sinds 2017 via Google Ads. EazeGames beschikt niet over het door Google voor bepaalde kansspeladvertenties vereiste certificaat. Nadat Google in de loop der jaren 188 advertenties heeft geweigerd, schorst zij het Google Ads-account van EazeGames op 20 december 2024 permanent wegens overtreding van haar beleid tegen het omzeilen van systemen. EazeGames maakt herhaaldelijk bezwaar en legt het geschil vervolgens voor aan ADROIT, een gecertificeerd buitengerechtelijk geschillenbeslechtingsorgaan in de zin van de DSA. ADROIT beveelt in juni 2025 heractivering aan en acht de schorsing onder meer onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel. Google volgt die aanbeveling niet. Het hof oordeelt dat Google contractueel weliswaar een ruime bevoegdheid en beoordelingsvrijheid heeft om Google Ads-accounts op te schorten, maar dat een permanente schorsing vanwege haar verstrekkende karakter proportioneel moet zijn en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Daarnaast is art. 17 DSA op de schorsing van toepassing. Google moet daarom duidelijk, specifiek en zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk uiteenzetten waarom de maatregel is genomen, zodat EazeGames haar beschikbare verhaalmogelijkheden daadwerkelijk kan benutten. Aan die eisen voldoet de schorsingsmededeling niet: Google verwijst hoofdzakelijk naar het algemeen geformuleerde Omzeilingsbeleid zonder te concretiseren welke overtredingen EazeGames heeft begaan en waarom permanente schorsing in dit specifieke geval gerechtvaardigd is. Ook de nadere toelichting tijdens de procedure over onder meer mogelijke cloaking, een ander account en het grote aantal geweigerde advertenties acht het hof onvoldoende concreet. Het beroep van EazeGames op art. 16 DSA slaagt daarentegen niet, omdat dat artikel ziet op maatregelen naar aanleiding van een melding en niet op een maatregel die een dienstaanbieder, zoals hier, uit eigen beweging neemt.
Dubbel ondertekend targetformulier leidt niet tot jaarklik voor elektriciteitsprijs 2023
Hof Den Haag 4 augustus 2026, IT 5452; ECLI:NL:GHDHA:2026:2466 (BES tegen Greenchoice). Bio-Energie Stadskanaal (BES) en Greenchoice sluiten voor 2023 een overeenkomst voor de levering van duurzame elektriciteit. Uitgangspunt is een variabele prijs, maar BES kan via een klikprocedure de prijs voor bepaalde volumes per kwartaal of voor het gehele jaar vastzetten. Het belangrijkste geschilpunt is of in september 2022 een jaarklik voor 2023 tot stand komt nadat BES een formulier indient met een targetprijs van € 600 per MWh en Greenchoice dit formulier vervolgens medeondertekent en retourneert. Het hof oordeelt, evenals de rechtbank, dat dit niet het geval is en dat BES daarop ook niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat voor de totstandkoming van een prijsklik de bevestiging door Greenchoice beslissend is, kan het dubbel ondertekende formulier redelijkerwijs niet als zo’n bevestiging worden uitgelegd. Daaruit volgt juist dat Greenchoice zich inspant om het volume tegen de targetprijs vast te leggen en dat de prijs pas definitief en bindend wordt zodra Greenchoice deze daadwerkelijk kan vastleggen. Het formulier wijkt bovendien duidelijk af van formulieren uit eerdere jaren waarin expliciet werd bevestigd dat een prijs al was vastgezet. Ook de begeleidende e-mails van 6 en 7 september 2022 laten geen ruimte voor een ander oordeel: Greenchoice schrijft dat de marktprijs op dat moment rond € 350-360 ligt, ver verwijderd van de gevraagde € 600, en dat zij de ontwikkeling in de gaten houdt. Het hof ziet daarom onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt dat BES redelijkerwijs mocht menen dat de jaarklik al was uitgevoerd.
Leveranciersverbod Huawei en ZTE in kritieke onderdelen mobiel netwerk Odido rechtmatig
CBb 19 februari 2026, IT 5456; ECLI:NL:CBB:2026:101 (Odido tegen de minister van Economische Zaken). In deze zaak beoordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de rechtmatigheid van een aan Odido opgelegde maatregel op grond van de Telecommunicatiewet en het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie (Bvit). Naar aanleiding van waarschuwingen van de AIVD en MIVD over toenemende digitale spionage en een interdepartementale risicoanalyse naar de kwetsbaarheid van mobiele netwerken had de minister Odido verplicht om in aangewezen kritieke onderdelen van haar mobiele netwerk geen apparatuur van Huawei en ZTE meer te gebruiken en de reeds aanwezige apparatuur binnen de gestelde termijn te vervangen. Odido bestreed zowel de wettelijke grondslag van deze leveranciersmaatregel als de verbindendheid van het Bvit. Volgens haar bood de Telecommunicatiewet onvoldoende basis voor een zo verstrekkend leveranciersverbod en was de regeling onder meer onverenigbaar met de Europese Telecomcode, het vrije verkeer van goederen, het evenredigheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daarnaast stelde Odido dat de concrete maatregel onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onevenredig inbreuk maakte op haar eigendomsrecht en dat zij aanspraak had op nadeelcompensatie wegens de kosten van de vervanging van de apparatuur.
Verzoek om inzage in AVG-procedure aangehouden wegens verwevenheid met hoofdzaak
Rb. Noord-Holland 8 juli 2026, IT 5463; ECLI:NL:RBNHO:2026:9870 ([verzoeker] tegen De Huurwoningbemiddelaar). In deze zaak verzoekt [verzoeker] de rechtbank op grond van artikel 195 Rv om De Huurwoningbemiddelaar te bevelen nadere gegevens en stukken over te leggen in een reeds lopende AVG-procedure. Het verzoek ziet onder meer op stukken ter onderbouwing van de door De Huurwoningbemiddelaar gestelde rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens, waaronder vernietigingsdocumentatie, logbestanden en het bewaartermijnbeleid, en op nadere informatie over door haar aangehaalde jurisprudentie. [verzoeker] verzoekt daarnaast dat, wanneer de gevraagde informatie niet wordt verstrekt, het beroep van De Huurwoningbemiddelaar op die jurisprudentie en op de rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens buiten beschouwing wordt gelaten. De Huurwoningbemiddelaar verzet zich tegen toewijzing van het incidentele verzoek.
Rechtbank: geen spoedeisend belang bij AVG-inzage en beperking van verwerking
Rb. Rotterdam 15 juli 2026, IT 5459; ECLI:NL:RBROT:2026:9578 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Een moeder vordert namens haar dochter in kort geding onder meer dat het besluit van een hockeyvereniging tot beëindiging van het lidmaatschap voorlopig buiten werking wordt gesteld en dat haar dochter weer tot de vereniging wordt toegelaten. Daarnaast verlangt zij afschrift van het volledige dossier van haar dochter, informatie over personen en instanties aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, beperking van de verwerking van die persoonsgegevens en een verbod op verdere verspreiding van een onderzoeksrapport. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot herstel van het lidmaatschap af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het besluit dateert van november 2023, de dochter heeft sindsdien niet meer gehockeyd en er is geen concrete wens om het lidmaatschap op korte termijn te hervatten. Ook het gestelde belang bij reputatieherstel maakt niet dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.



























