Negatieve Google-reviews niet onrechtmatig: geen verwijderplicht voor Google
Rb. Zeeland-West-Brabant 7 januari 2026, IT 5064; ECLI:NL:RBZWB:2026:59 ([eiser] tegen Google). De voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt in dit kort geding dat Google niet gehouden is om vier reviews bij de bedrijfsvermelding van [eiser] op Google Maps te verwijderen. De kernvraag is of deze reviews een onrechtmatig karakter hebben. De rechter stelt voorop dat voor ingrijpen door een platform als Google slechts plaats is indien evident sprake is van onrechtmatige content, bijvoorbeeld doordat reviews berusten op aantoonbaar onjuiste feiten, geen echte ervaringen weergeven of uitsluitend zijn geplaatst met het doel de ondernemer te schaden. Na inhoudelijke toetsing van alle vier de reviews komt de rechter tot het oordeel dat daarvan geen sprake is. De uitlatingen bevatten waarderingen, persoonlijke ervaringen en meningen, soms kritisch of negatief, maar niet feitelijk onjuist of nodeloos grievend. Daarmee vallen zij binnen de ruime grenzen van de vrijheid van meningsuiting.
Onrechtmatige online uitlatingen over zorginstelling: vergaande voorzieningen gerechtvaardigd
Rb. Gelderland 23 december 2025, IT 5063; ECLI:NL:RBGEL:2025:11614 (de Stichting tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland oordeelt in dit kort geding dat de openbare (online) uitlatingen van [gedaagde] over Stichting Driegasthuizengroep, haar zorglocatie [zorglocatie], en haar medewerkers en bestuurders onrechtmatig zijn. [gedaagde] heeft op diverse sociale-mediaplatforms ernstige beschuldigingen geuit, waaronder mishandeling, intimidatie en crimineel handelen in de ouderenzorg, waarbij hij namen, foto’s en video’s van medewerkers gebruikte en oproepen deed tot het verzamelen van persoonsgegevens en confrontaties. De rechter stelt vast dat deze uitlatingen veel verder gaan dan toelaatbare kritiek of het uiten van zorgen over de kwaliteit van zorg en dat zij een bedreigend, intimiderend en opruiend karakter hebben. Na een belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting (art. 7 Gw en art. 10 EVRM) en het recht van de Stichting en haar medewerkers op bescherming van eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM), oordeelt de rechter dat laatstgenoemde belangen zwaarder wegen.
Inzageverzoek AVG: geen verdere persoonsgegevens aangetoond, de bewijslast ligt bij verzoeker
Rb. Rotterdam 27 oktober 2025, IT 5062; ECLI:NL:RBROT:2025:13134 ([eiser] tegen het college van B&W Rotterdam). [eiser] verzocht de gemeente Rotterdam op grond van artikel 15 AVG om inzage in zijn persoonsgegevens, nadat hij via de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens had vernomen dat zijn gegevens op 2 juni 2022 uit de BRP waren geraadpleegd. Het college stelde na onderzoek dat, met uitzondering van de gegevens die zijn verwerkt in verband met het inzageverzoek zelf, geen andere persoonsgegevens van eiser in de gemeentelijke systemen waren verwerkt. Bezwaar en beroep volgden.
Geen civiele procedure mogelijk voor wijziging registratie boedelregister: verzoek niet-ontvankelijk
Rb. Den Haag 29 oktober 2025, IT 5061; ECLI:NL:RBDHA:2025:20030 ([eiseres] tegen het Rijksvastgoedbedrijf). [eiseres] had zich laten registreren als erfgename van haar overleden ex-echtgenoot in het boedelregister, op basis van een oud testament waarin zij was benoemd tot enig erfgenaam. Na deze registratie werd zij door een notaris erop gewezen dat de erfstelling volgens artikel 4:52 BW was vervallen, omdat zij vóór het overlijden van de erflater van hem was gescheiden. Ze wilde daarom de registratie van haar beneficiaire aanvaarding in het boedelregister laten verwijderen. De registratie in het boedelregister die in deze procedure aan de orde is, zou dan niet in overeenstemming zijn met de daadwerkelijke rechtstoestand.
Verzekeraar krijgt geen inzage in politierapport na overlijden verzekerde
Rb. Noord-Holland 10 november 2025, IT 5060; ECLI:NL:RBNHO:2025:13692 (IptiQ tegen de politie). IptiQ is een verzekeraar en heeft in 2022 met wijlen [R.] en [D.] een overlijdensrisicoverzekering afgesloten. Een algemene uitsluitingsclausule bestaat wanneer het overlijden het gevolg is van zelfdoding of een poging daartoe. Dit geldt alleen als de (poging tot) zelfdoding heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering. [R.] is op 20 januari 2023 overleden door een treinongeluk. De exacte toedracht was onduidelijk. Sedgwick, in opdracht van IptiQ, had geprobeerd informatie te verkrijgen bij de politie, maar kreeg te horen dat er geen wettelijke grondslag bestond voor verstrekking. De politie had aangegeven dat nabestaanden via een rouwverzoek eventueel inzage konden krijgen, maar de nabestaanden wilden dat niet. IptiQ verzocht daarom de rechtbank om afgifte van de processen-verbaal op grond van artikel 196 Rv (voorlopige bewijsverrichting). In deze verzoekschriftprocedure staat de vraag centraal of de politie gehouden is om de gegevens die naar aanleiding van het overlijden van een verzekerde van IptiQ zijn opgemaakt aan IptiQ als verzekeraar beschikbaar te stellen. IptiQ stelt recht en belang te hebben bij afgifte van deze gegevens om de oorzaak van het overlijden van haar verzekerde, welke oorzaak niet vaststaat, te achterhalen. Het is volgens haar de enige manier waarop objectief kan worden vastgesteld onder welke omstandigheden haar verzekerde is overleden. Zij vordert op grond van artikel 196 Rv afgifte van de door de politie opgemaakte gegevens. De politie verzet zich tegen dit verzoek.
HvJ EU beantwoordt prejudiciële vragen over het begrip "communicatie"
HvJ EU 13 november 2025, IT 5059; ECLI:EU:C:2025:871 (Inteligo Media tegen ANSPDCP). Inteligo Media is de uitgever van het onlinetijdschrift avocatnet.ro, dat bestemd is om een breed en niet juridisch gespecialiseerd publiek te informeren over de dagelijkse wetswijzigingen in Roemenië. In een geschil met de Roemeense toezichthouder (ANSPDCP) werden er vragen gesteld aan het Hof:
1) In het geval dat een uitgever van een onlinetijdschrift waarmee een breed en niet-gespecialiseerd publiek wordt geïnformeerd over de dagelijks in Roemenië doorgevoerde wetswijzigingen, het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt wanneer deze een gratis gebruikersaccount aanmaakt, waarmee deze gebruiker i) gratis toegang krijgt tot aanvullende artikelen van het betrokken tijdschrift, ii) dagelijks per e-mail een nieuwsbrief ontvangt met een samenvatting van de nieuwe wetgeving die in de artikelen van het tijdschrift wordt behandeld, met hyperlinks naar die artikelen, en iii) tegen betaling toegang krijgt tot aanvullende en/of uitgebreidere artikelen en analysen van dit tijdschrift dan in de gratis dagelijkse nieuwsbrief,
a) is dat e-mailadres dan door die uitgever verkregen ‚in het kader van de verkoop van een product of een dienst’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
b) is de verzending door die uitgever van een nieuwsbrief zoals beschreven in punt ii) dan ‚direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
2) Indien op de eerste vraag onder a) en b) bevestigend wordt geantwoord: welke van de voorwaarden in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), AVG zijn van toepassing wanneer de uitgever het e‑mailadres van de gebruiker aanwendt voor het verzenden van een dagelijkse nieuwsbrief als beschreven in de eerste vraag, onder ii), overeenkomstig de vereisten van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
3) Moet artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin het begrip ‚commerciële communicatie’ zoals gedefinieerd in artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31] wordt gebruikt, in plaats van het begrip ‚direct marketing’ zoals gedefinieerd in richtlijn [2002/58]? Indien het antwoord ontkennend luidt: vormt de in de eerste vraag, onder ii), omschreven nieuwsbrief een ‚commerciële communicatie’ in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31]?
4) Indien op de eerste vraag, onder a) en b), ontkennend wordt geantwoord:
a) vormt de verzending per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief zoals beschreven in de eerste vraag, onder ii), ‚gebruik van [...] e‑mail met het oog op direct marketing’ in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58], of
b) moet artikel 95 [AVG] juncto artikel 15, lid 2, van richtlijn [2002/58] aldus worden uitgelegd dat het niet voldoen aan de voorwaarde dat geldige toestemming van de gebruiker moet zijn verkregen in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58] wordt bestraft overeenkomstig artikel 83 [AVG], of dat dit feit wordt bestraft overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen van de regeling waarbij richtlijn [2002/58] is omgezet, die zelf ook specifieke toepasselijke sancties bevat?
5) Moet artikel 83, lid 2, [AVG] aldus worden uitgelegd dat een toezichthoudende autoriteit die beslist over het al of niet opleggen van een bestuurlijke geldboete en de hoogte daarvan, voor elk individueel geval in de sanctiebeslissing moet analyseren en motiveren welk gevolg elk van de criteria onder a) tot en met k) van die bepaling heeft gehad voor de beslissing om een geldboete op te leggen en, respectievelijk, voor de beslissing inzake de hoogte van die geldboete?”
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IT & Recht
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van IT & Recht. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IT & Recht
Kort geding over gebrekkige website: toegang, schadevoorschot en beheer toegewezen
Rb. Midden-Nederland 3 december 2025, IEF 23196; IT 5058; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het bouwen van een webshop voor [eiseres sub 1] c.s. De website is ondanks herhaalde toezeggingen niet deugdelijk opgeleverd en vertoont structurele gebreken. Na een ingebrekestelling en een daaropvolgende omzettingsverklaring vordert [eiseres sub 1] c.s. in kort geding onder meer medewerking aan herstel door een derde, een voorschot op vervangende schadevergoeding en overdracht van het beheer van hosting en domeinnamen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, mede omdat de webshop in een omzetkritieke periode slecht functioneert, en acht het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een tekortkoming die omzetting naar vervangende schadevergoeding rechtvaardigt.
Uitspraak ingezonden door Floortje Eijdems, Banning.
Vorderingen De Waarden Groep c.s. afgewezen: KvK handelde niet onrechtmatig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, IT 5057; ECLI:NL:GHARL:2025:7900 (KvK tegen De Waarden Groep c.s.). De Waarden Groep is een kraamzorgorganisatie die kraamzorg levert in het westen van Nederland. Geboortezorg is een landelijke brancheorganisatie binnen de kraamzorgbranche die zich richt op landelijke belangenbehartiging en ondersteuning van zorgorganisaties die actief zijn in de geboortezorg. De Waarden Groep is een van de leden van Geboortezorg. De Waarden Groep c.s. heeft KvK gevraagd om de gegevens van de persoon of personen die uittreksels uit het handelsregister van onder meer De Waarden Groep en Geboortezorg hebben opgevraagd. KvK heeft geweigerd die gegevens te verstrekken. De Waarden Groep c.s. vindt dat KvK die gegevens wel moest verstrekken. De Waarden Groep c.s. heeft bij de rechtbank gevorderd dat KvK werd bevolen om accountgegevens, (e-mail)adresgegevens en bankgegevens te verstrekken van de personen die genoemde uittreksels uit het handelsregister hadden opgevraagd. De rechtbank heeft deze vorderingen deels toegewezen (IT 4647). De KvK beoogt met dit hoger beroep dat de vorderingen van De Waarden Groep c.s. alsnog volledig worden afgewezen.
Betrouwbaarheid iDIN in concrete geval onvoldoende onderbouwd
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, IT 5056; ECLI:NL:GHARL:2025:6520 ([appellante] tegen BMW). BMW vordert betaling van achterstallige bedragen uit een private-leaseovereenkomst die volgens haar op 1 juli 2020 met [appellante] is gesloten. De overeenkomst is digitaal ondertekend met een geavanceerde elektronische handtekening via iDIN. [appellante] betwist dat zij de overeenkomst heeft gesloten en stelt dat sprake is van identiteitsfraude door een kennis. Zij was rond het moment van ondertekening in Spanje en had de auto nooit ontvangen. Het hof onderzoekt of de met iDIN geplaatste elektronische handtekening in dit concrete geval voldoende betrouwbaar was in de zin van artikel 3:15a BW, zodat zij dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening.