PWN moet NAW-gegevens van contractanten verstrekken voor rioolheffing ondanks beroep op AVG
Rb. Noord-Holland 24 februari 2026, IT 5604; ECLI:NL:RBNHO:2026:1782 (Cocensus tegen PWN). Cocensus, een openbaar lichaam dat voor verschillende Noord-Hollandse gemeenten onder meer de rioolheffing verzorgt, vordert in kort geding dat drinkwaterbedrijf PWN de naam-, adres- en woonplaatsgegevens (NAW-gegevens) van haar contractanten verstrekt. PWN verstrekte deze gegevens voorheen samen met de waterverbruiksgegevens, maar is daar per 1 oktober 2024 uit privacyoverwegingen mee gestopt. Volgens PWN is het verstrekken van NAW-gegevens van alle contractanten in strijd met het beginsel van dataminimalisatie uit artikel 5 lid 1 onder c AVG, omdat niet iedere contractant ook degene is aan wie de aanslag rioolheffing moet worden opgelegd. Cocensus stelt daartegenover dat PWN op grond van het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Bggb) verplicht is deze gegevens te verstrekken. De voorzieningenrechter volgt Cocensus. Op grond van artikel 5 Bggb moet PWN als informatieplichtige desgevraagd de NAW-gegevens verstrekken van personen die voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen gebruiken of genot hebben van gemeentelijke diensten. Hieronder vallen naar het voorlopig oordeel ook de contractanten van PWN. Daarbij is niet van belang of zij zelf feitelijk het water of het perceel gebruiken en of zij uiteindelijk degenen zijn aan wie een aanslag rioolheffing wordt opgelegd.
A-G HvJ EU: aantekening van kerkverlating in doopregister volstaat niet als gegevenswissing onder de AVG
HvJ EU Conclusie A-G 1 oktober 2026, IT 5594; ECLI:EU:C:2026:803 (Bisdom Gent). Een man die in 1955 als minderjarige werd gedoopt, heeft het bisdom Gent verzocht om zijn persoonsgegevens uit alle fysieke en digitale doopregisters en archieven te verwijderen. Het bisdom registreerde zijn uittreding uit de rooms-katholieke kerk en haalde zijn persoonsgegevens in het doopregister door, maar liet deze leesbaar. De man diende daarop een klacht in bij de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), die vaststelde dat het bisdom de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) had geschonden en het opdroeg de persoonsgegevens te wissen. Het bisdom stelde beroep in bij het hof van beroep Brussel, dat prejudiciële vragen stelde over het recht op gegevenswissing, de godsdienstvrijheid en de historische waarde van doopregisters. Advocaat-generaal Medina stelt dat iemand die als minderjarige is gedoopt en zich als volwassene van de betrokken religieuze gemeenschap wil distantiëren, op grond van artikel 17, lid 1, onder c, en artikel 21, lid 1, AVG in beginsel recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke dwingende gerechtvaardigde gronden voor verdere verwerking aantoont die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene. Daarbij moet een afweging worden gemaakt tussen het recht op bescherming van persoonsgegevens en de godsdienstvrijheid en autonomie van de kerk. De nationale rechter moet alle omstandigheden van het individuele geval beoordelen, waaronder de redenen voor het verzoek om gegevenswissing en de mogelijke gevolgen van een weigering voor de betrokkene.
Gemeente hoeft onvolledige aanvraag voor prioriteit op elektriciteitsnet niet alsnog te behandelen
Rb. Zeeland-West-Brabant 30 september 2026, IT 5620; ECLI:NL:RBZWB:2026:10018 (Blusink c.s. tegen de gemeente). In deze zaak tussen Limbus Holding B.V. en Bulsink Real Estate B.V. (Bulsink c.s.) en de gemeente Loon op Zand staat de vraag centraal of de gemeente een onvolledige aanvraag voor prioriteit bij de aansluiting op het elektriciteitsnet alsnog in behandeling moet nemen. Bulsink c.s. wil een woningbouwproject met dertien of veertien appartementen realiseren. Vanwege netcongestie kunnen woningbouwprojecten op een wachtlijst voor transportcapaciteit terechtkomen. De gemeente heeft daarom een procedure vastgesteld waarmee projectontwikkelaars prioriteit kunnen aanvragen bij netbeheerder Enexis. Aanvragen moesten uiterlijk op 4 september 2026 worden ingediend en voorzien zijn van onder meer een bestuursverklaring. Bulsink c.s. diende op 31 augustus 2026 een aanvraag in, maar liet de vereiste bestuursverklaring achterwege. De gemeente wees haar op de ontbrekende stukken en bood gelegenheid deze uiterlijk op 4 september 2026 aan te leveren. Bulsink c.s. verstrekte de volledig ondertekende verklaring echter pas op 29 september 2026, waarna de gemeente weigerde het project op de prioriteringslijst te plaatsen. Bulsink c.s. stelt dat de indieningstermijn alleen betrekking had op het indienen van de aanvraag en niet op het aanvullen daarvan.
Hof Amsterdam: TikTok hoeft geen nadere toelichting op financiering claimstichting SOMI af te dwingen
Hof Amsterdam 30 juni 2026, IT 5621; ECLI:NL:GHAMS:2026:1967 (SMC tegen Tiktok c.s.). In deze zaak tussen Stichting Massaschade en Consument (SMC), Stichting Take Back Your Privacy (STBYP) en Stichting Onderzoek Marktinformatie (SOMI) enerzijds en TikTok c.s. anderzijds staat de vraag centraal of SOMI in het kader van een collectieve actie nadere informatie moet verstrekken over haar financiering. TikTok c.s. verzoekt het gerechtshof Amsterdam op grond van artikel 22 Rv om SOMI te bevelen haar financiering nader toe te lichten. Volgens TikTok c.s. blijkt uit nieuwe informatie dat de overgrote meerderheid van de door SOMI aangeboden procescertificaten wordt gehouden door een onderneming van één persoon en dat Nederlandse betrokkenen mogelijk bijdragen aan de financiering van Duitse procedures van SOMI. Dit roept volgens TikTok c.s. vragen op over mogelijke belangenconflicten, het winstoogmerk van SOMI en de mate waarin zij de belangen van de Nederlandse betrokkenen voldoende waarborgt. TikTok c.s. verwijst daarnaast naar een ongepubliceerd tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2026 in een collectieve actie van SOMI tegen X. Daarin is geoordeeld dat nog niet kan worden vastgesteld of SOMI voldoet aan het vereiste van artikel 3:305a lid 2 onder c BW. SOMI verzet zich tegen het verzoek.
Onvoldoende onderbouwing gebrekkige installatie batterijsysteem, beroep op verrekening afgewezen
Rb. Noord-Holland 7 oktober 2026, IT 5619; ECLI:NL:RBNHO:2026:13702 (3XL tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen 3XLSolarssolutions B.V. (3XL) en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] betaling voor elektrotechnische installatiewerkzaamheden mag verrekenen met kosten die zij stelt te hebben gemaakt door een gebrekkige uitvoering van die werkzaamheden. Partijen sloten een overeenkomst op grond waarvan 3XL voor € 1.452 elektrotechnische installatiewerkzaamheden zou uitvoeren bij een project in Baarn. De werkzaamheden werden uitgevoerd door een onderaannemer van 3XL. [gedaagde] weigerde de factuur te betalen, omdat het batterijsysteem volgens haar niet correct was geïnstalleerd. Zo zouden DC-schakelaars onveilig zijn aangebracht, bedrading open hebben gelegen en zou de installatie niet in bedrijf zijn gesteld. [gedaagde] stelt dat zij hierdoor zelf extra werkzaamheden heeft moeten verrichten en beroept zich op verrekening van de gemaakte kosten. 3XL betwist dat zij tekortgeschoten is. Volgens haar konden de werkzaamheden aanvankelijk niet worden afgerond omdat niet alle benodigde materialen beschikbaar waren. De onderaannemer heeft vervolgens contact opgenomen met de leverancier, waarna de installatie alsnog in gebruik is genomen. Ook was afgesproken dat [gedaagde] zelf een afschermende kast zou plaatsen om de installatie veilig te maken.
Staatssecretaris moet bij AVG-inzageverzoek in adoptiedossier belangenafweging per document maken
Rb. Gelderland 6 maart 2026, IT 5603; ECLI:NL:RBGEL:2026:1698 (eiseres tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid). Een vrouw verzoekt op grond van artikel 15 AVG om inzage in haar adoptiedossier bij de Raad voor de Kinderbescherming. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wijst het verzoek gedeeltelijk toe. De vrouw krijgt inzage in documenten zonder persoonsgegevens van haar voormalige adoptiefamilie en in documenten waarin haar persoonsgegevens met die van familieleden verweven zijn, waarbij de persoonsgegevens van de familie worden afgeschermd. Documenten die uitsluitend persoonsgegevens van de familie bevatten, worden niet ter inzage gegeven. Een voormalige adoptiemoeder komt tegen dit besluit op, omdat zij vindt dat haar recht op bescherming van het privé- en familieleven en dat van haar familie zwaarder weegt dan het inzagerecht van de verzoekster. De rechtbank stelt voorop dat artikel 15 AVG recht geeft op inzage in en een kopie van de verwerkte persoonsgegevens, maar niet zonder meer op afgifte van de documenten waarin deze voorkomen. Bovendien mag het inzagerecht op grond van artikel 15 lid 4 AVG geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van anderen. Daartegenover staat het door artikel 8 EVRM beschermde recht van de verzoekster op informatie over haar afstamming en ontstaansgeschiedenis. De herroeping van de adoptie doet aan dit recht niet af.
Wat is de toekomst van advocaten in tijden van AI?
In tijden waarin steeds meer AI gebruikt wordt, vragen we ons af: wat is de toekomst van de advocaat? Tijdens het Nationaal AI & Data congres gaat Ot van Daalen in op deze vraag. Hij bespreekt waar de risico's en kansen liggen voor advocaten.
Tijdens het congres zijn ook Astrid Sixma, Menno Weij, Eliëtte Vaal, Tycho de Graaf, Elgar Weijtmans, Marc Boom en Peter Backx aanwezig. U kunt zich nog aanmelden voor dit congres.
A-G HvJ EU: verwerking persoonsgegevens door financiële-inlichtingeneenheden valt onder richtlijn gegevensbescherming bij rechtshandhaving
HvJ EU Conclusie A-G 8 oktober 2026, IT 5593; ECLI:EU:C:2026:837 (Rahapesu Andmebüroo). Een betrokkene heeft de Estse financiële-inlichtingeneenheid Rahapesu Andmebüroo (RAB) verzocht om informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. De RAB weigerde inzage te verlenen en beriep zich op nationale bepalingen die de toegang tot gegevens in haar databank beperken. De Estse rechter in eerste aanleg oordeelde dat de wettelijke grondslag onvoldoende duidelijk was en dat de toegang niet op deze wijze mocht worden beperkt. In hoger beroep werd deze beslissing bevestigd, waarna de RAB cassatieberoep instelde. De hoogste Estse rechter stelde prejudiciële vragen over het toepasselijke gegevensbeschermingsrecht en de voorwaarden waaronder het inzagerecht kan worden beperkt. Advocaat-generaal Medina stelt dat de verwerking van persoonsgegevens door een financiële-inlichtingeneenheid in het kader van haar taken ter voorkoming, opsporing en bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering onder Richtlijn (EU) 2016/680 betreffende gegevensbescherming bij rechtshandhaving valt, en niet onder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Een dergelijke eenheid moet voor deze verwerkingen worden aangemerkt als bevoegde autoriteit in de zin van artikel 3, punt 7, van de richtlijn, ook wanneer zij naar nationaal recht geen strafrechtelijke onderzoeksautoriteit is.
Verzekeraar mocht persoonsgegevens verwerken bij onderzoek naar recht op overlijdensrisico-uitkering
Rb. Noord-Holland 5 augustus 2026, IT 5602; ECLI:NL:RBNHO:2026:9872 ([eiser] tegen iptiQ). Een man vordert van verzekeraar iptiQ Life (iptiQ) een uitkering van € 249.000 uit een overlijdensrisicoverzekering na het overlijden van zijn echtgenoot. De verzekeraar weigert uitkering omdat volgens haar sprake is van zelfdoding binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering, waarvoor de polisvoorwaarden een uitsluiting bevatten. Om de doodsoorzaak vast te stellen, heeft iptiQ onderzoek laten uitvoeren, waarbij onder meer openbare internetbronnen zijn geraadpleegd en betrokkenen zijn geïnterviewd. Ook zijn later WhatsApp-berichten onderzocht. Volgens de man zijn de onderzoeksresultaten onrechtmatig verkregen wegens strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (GPO), de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (GVPV) en de AVG. De rechtbank oordeelt dat het raadplegen van openbare internetbronnen, waaronder de Facebookpagina van de overleden echtgenoot, geen persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO vormt. Het daaropvolgende onderzoek door onderzoeksbureau Sedgwick kwalificeert wel als persoonlijk onderzoek, maar was gerechtvaardigd en voldeed aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De onderzoeksresultaten zijn daarom niet onrechtmatig verkregen en mogen als bewijs worden gebruikt.
Zestienjarige krijgt handlichting voor het starten van een e-commerceonderneming
Rb. Noord-Nederland 21 september 2026, IT 5589; ECLI:NL:RBNNE:2026:4015 (Handlichting minderjarige e-commerceondernemer). Een zestienjarige verzoekt de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland om handlichting op grond van artikel 1:235 BW, zodat hij zelfstandig een e-commerceonderneming volgens het dropshippingmodel kan starten. Bij dit bedrijfsmodel worden producten via een webshop verkocht zonder dat de ondernemer zelf voorraad aanhoudt. De minderjarige heeft zich aangemeld bij de Kamer van Koophandel en volgt ter voorbereiding op zijn onderneming een professioneel coachingtraject. Hij verzoekt onder meer om bevoegdheden voor het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het sluiten van zakelijke overeenkomsten, het verrichten en ontvangen van zakelijke betalingen, het afsluiten van software en abonnementen en het zelfstandig beheren van de onderneming. Zijn ouders hebben schriftelijk met het verzoek ingestemd. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 1:235 BW handlichting kan worden verleend aan een minderjarige die ten minste zestien jaar oud is. Daarbij moet worden beoordeeld of de handlichting in het belang van de minderjarige is en verantwoord kan worden geacht. De kantonrechter neemt in aanmerking dat de minderjarige zich bewust is van de ondernemersrisico's, de aanvangskosten beperkt zijn en maatregelen zijn getroffen om het debiteurenrisico te beperken, onder meer doordat klanten niet achteraf kunnen betalen.