DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige uitingen  

IT 5336

Rb. Noord-Nederland veroordeelt Mediahuis tot rectificatie na eenzijdige en onjuiste publicatie over tandartspraktijk

Rechtbank Noord-Nederland 6 jul 2026,, IT 5336; ECLI:RBNNE:2026:1229 ([eisers] tegen Mediahuis), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-noord-nederland-veroordeelt-mediahuis-tot-rectificatie-na-eenzijdige-en-onjuiste-publicatie-over-tandartspraktijk

Rb. Noord-Nederland 15 april 2026, IT&Recht 5336; ECLI:RBNNE:2026:1229 ([eisers] tegen Mediahuis). In deze zaak tussen [eisers] en Mediahuis staat de vraag centraal of Mediahuis onrechtmatig heeft gehandeld door een krantenartikel over de tandartspraktijk van [eisers] te publiceren. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Volgens de rechtbank heeft Mediahuis een eenzijdig en gekleurd beeld van [eisers] geschetst, zonder hen voldoende gelegenheid te geven daarop vóór publicatie te reageren. De rechtbank veroordeelt Mediahuis daarom tot het plaatsen van een rectificatie. De vordering tot verwijdering van het artikel wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil is een artikel dat in mei 2019 verscheen in de Steenwijker Courant naar aanleiding van een tuchtuitspraak tegen [eisers]. Het artikel bevat verschillende beschuldigingen over de praktijkvoering van [eisers] en is grotendeels gebaseerd op uitlatingen van een concurrerende tandartspraktijk. De tuchtuitspraak waarop het artikel was gebaseerd, is later door het Centraal Tuchtcollege vernietigd. Volgens [eisers] bevat het artikel feitelijke onjuistheden en heeft Mediahuis onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Bij de beoordeling past de rechtbank het gebruikelijke toetsingskader toe van artikel 6:162 BW in het licht van de belangenafweging tussen het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) en het recht op bescherming van eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). De rechtbank stelt vast dat Mediahuis [eisers] alleen om een reactie op de tuchtuitspraak heeft gevraagd en niet op de overige verwijten, beschuldigingen en conclusies die uiteindelijk in het artikel zijn opgenomen. Daardoor konden [eisers] feitelijke onjuistheden vóór publicatie niet corrigeren. Volgens de rechtbank had Mediahuis hen die mogelijkheid wel moeten bieden, gelet op de mogelijke gevolgen van de publicatie voor hun reputatie.

IT 5328

Online uitlatingen van inwoner Schouwen-Duivenland over Gemeente onrechtmatig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 jun 2026,, IT 5328; ECLI:NL:RBZWB:2026:4879 ((Gemeente Schouwen-Duiveland tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/online-uitlatingen-van-inwoner-schouwen-duivenland-over-gemeente-onrechtmatig

Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, IT 5328; ECLI:NL:RBZWB:2026:4879 (Gemeente Schouwen-Duiveland tegen [gedaagde]). In dit kort geding gaat het om uitlatingen die [gedaagde], inwoner van de gemeente Schouwen-Duiveland, op sociale media heeft geplaatst over werknemers van de Gemeente. In die berichten noemt hij ambtenaren bij naam, maakt hij hen onder meer uit voor leugenaars en plaatst hij bij sommige uitlatingen ook foto’s van de betreffende werknemers. Daarnaast heeft [gedaagde] AI-gegenereerde filmpjes geplaatst waarin geweld wordt toegepast tegen figuren die als bestuurders of ambtenaren van de Gemeente herkenbaar zijn, waaronder de burgemeester. De Gemeente vordert verwijdering en verwijderd houden van de in de dagvaarding genoemde uitlatingen, verwijdering van na 18 maart 2026 geplaatste uitlatingen waarin namen, foto’s of andere persoonsgegevens van ambtenaren worden genoemd en verwijdering van filmpjes waarin geweld tegen de burgemeester wordt uitgeoefend. Ook vordert zij een verbod op toekomstige publicaties waarin ambtenaren herkenbaar worden genoemd en beschuldigend, smadelijk, lasterlijk of sarcastisch worden aangeduid, alsmede een verbod op AI-gegenereerde filmpjes waarin geweld wordt toegepast tegen herkenbare bestuurders of ambtenaren van de Gemeente. [gedaagde] verschijnt niet ter zitting, zodat tegen hem verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter slaat daarom geen acht op de door hem ingediende stukken. Het spoedeisend belang is volgens de voorzieningenrechter gegeven, omdat [gedaagde] ook na de dagvaarding is doorgegaan met het plaatsen van berichten waarin ambtenaren bij naam worden genoemd.

IT 5332

HvJ EU: artikel 21 marktmisbruikverordening niet beperkt tot journalisten

HvJ EU 2 jul 2026,, IT 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-artikel-21-marktmisbruikverordening-niet-beperkt-tot-journalisten

HvJ 18 juni 2026, IT&Recht 5332; ECLI:EU:C:2026:497 (MT tegen FSMA). In deze prejudiciële procedure tussen MT en de Belgische toezichthouder FSMA staat de vraag centraal of een politicus zich kan beroepen op de uitzonderingen uit de marktmisbruikrichtlijn en de marktmisbruikverordening wanneer hij voorwetenschap via de media openbaar maakt. Daarbij voert MT aan dat hij met zijn uitlatingen uitsluitend een publiek debat over een kwestie van algemeen belang wilde aanwakkeren. Het Hof van Justitie verduidelijkt hoe het verbod op de openbaarmaking van voorwetenschap moet worden uitgelegd in het licht van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, en geeft daarbij richting aan de verhouding tussen marktintegriteit en politieke uitingsvrijheid. Aanleiding voor het geschil vormt een administratieve boete die de Belgische toezichthouder FSMA oplegde aan MT, voormalig Belgisch minister van Overheidsbedrijven en prominent oppositiepoliticus. In mei 2016 verklaarde MT tijdens een radio-interview en tegenover verschillende media dat de Belgische staat op korte termijn een deel van zijn aandelen in Bpost zou verkopen aan het Nederlandse PostNL. Volgens de verwijzende rechter was op dat moment sprake van vertrouwelijke onderhandelingen en bestond een reële kans dat de transactie spoedig zou worden aangekondigd. Naar aanleiding van de uitlatingen werden de beursnoteringen van Bpost tijdelijk stilgelegd en strandden de onderhandelingen over de voorgenomen fusie. De FSMA oordeelde dat MT buiten de normale uitoefening van zijn taken voorwetenschap had openbaar gemaakt en legde hem een administratieve boete op. MT stelde daartegen beroep in en voerde aan dat hij uitsluitend had willen bijdragen aan het publieke debat over de privatisering van een overheidsbedrijf en zich daarom kon beroepen op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Het Hof stelt voorop dat zowel artikel 3 van Richtlijn 2003/6 als artikel 10 van Verordening 596/2014 een uitzondering bevatten op het verbod om voorwetenschap openbaar te maken wanneer die openbaarmaking plaatsvindt in de normale uitoefening van een dienstbetrekking, beroep of taken. Die uitzondering moet weliswaar strikt worden uitgelegd, maar dat sluit niet uit dat ook een politicus zich daarop kan beroepen. Doorslaggevend is of een voldoende nauwe band bestaat tussen de openbaarmaking en de normale uitoefening van diens taken en of de openbaarmaking strikt noodzakelijk en evenredig is voor de vervulling daarvan. Volgens het Hof kan een prominente oppositiepoliticus in een democratische samenleving een wezenlijke rol vervullen door regeringsbeleid publiekelijk ter discussie te stellen en maatschappelijke onderwerpen onder de aandacht te brengen. Indien een openbaarmaking van voorwetenschap uitsluitend plaatsvindt om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang mogelijk te maken, kan die openbaarmaking daarom binnen de normale uitoefening van politieke taken vallen. Dat geldt temeer wanneer het gaat om een voorgenomen privatisering van een belangrijk staatsbedrijf, een onderwerp dat de samenleving rechtstreeks raakt. Het is uiteindelijk aan de nationale rechter om te beoordelen of daarvan in het concrete geval sprake is.

IT 5329

Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO

Gerechtshof Amsterdam 30 jun 2026,, IT 5329; De Telegraaf tegen FIO (De Telegraaf tegen FIO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bekrachtigt-rectificatie-wegens-onrechtmatige-column-over-vermeende-hamas-relatie-fio

Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT&Recht 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.

IT 5326

Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IT 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 (([eiser] tegen De Telegraaf)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-telegraaf-hoeft-citaat-over-vermeende-betrokkenheid-dierenactivist-niet-te-verwijderen

Rb. Amsterdam 27 november 2025, IEF 23655; IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.

IT 5299

HvJ EU: Europese mediavrijheidsverordening niet van toepassing op publicatie van vóór 8 november 2024

HvJ EU 21 mei 2026,, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-europese-mediavrijheidsverordening-niet-van-toepassing-op-publicatie-van-voor-8-november-2024

Hof van Justitie EU 21 mei 2026, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége). De zaak speelde naar aanleiding van een op 17 maart 2024 gepubliceerd bericht van het Hongaarse online nieuwsplatform 24.hu. In dat bericht werd een verklaring aangehaald van de CEO van Spar Austria, die stelde dat de Hongaarse premier Viktor Orbán de Spar-groep zou hebben gevraagd een familielid van hem te laten investeren in de Hongaarse dochteronderneming van het concern. Orbán verzocht daarop om rectificatie, stellende dat deze bewering onjuist was. Nadat 24.hu het verzoek niet had ingewilligd maar wel een aanvulling had geplaatst waarin melding werd gemaakt van het rectificatieverzoek, startte Orbán een procedure bij de Hongaarse rechter. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie onder meer of artikel 3 van de Europese mediavrijheidsverordening van toepassing is op een dergelijke procedure. Daarbij wees de rechter erop dat de Hongaarse rectificatieregels in de praktijk een zware bewijslast bij media leggen, ook wanneer zij slechts informatie overnemen uit publicaties die onder redactionele verantwoordelijkheid in een andere lidstaat zijn verschenen. Volgens de verwijzende rechter rees de vraag of een dergelijke regeling verenigbaar is met de doelstellingen van de Europese mediavrijheidsverordening en met de vrijheid van meningsuiting en informatie.

IT 5269

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026,, IT 5269; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.

IT 5254

Geen uitzendverbod voor tv-programma, wel beperking herkenbaarheid [eiser]

Rechtbank Amsterdam 29 okt 2025,, IT 5254; ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-uitzendverbod-voor-tv-programma-wel-beperking-herkenbaarheid-eiser

Rb. Amsterdam 29 oktober 2025; IEF 23522; IT 5254 ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding vordert een betrokkene een verbod op de uitzending van een aflevering van een televisieprogramma waarin hij wordt geconfronteerd met beschuldigingen van financiële misstanden en benadeling van derden. Volgens [eiser] is de voorgenomen uitzending onrechtmatig, omdat deze zou zijn gebaseerd op onjuiste informatie en omdat hem onvoldoende gelegenheid tot wederhoor zou zijn geboden.

IT 5247

Verbod op negatieve reviews: herhaaldelijk plaatsen onder verschillende namen onrechtmatig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 apr 2026,, IT 5247; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verbod-op-negatieve-reviews-herhaaldelijk-plaatsen-onder-verschillende-namen-onrechtmatig

Rb. Zeeland West-Brabant 17 april 2026, IEF 23515; IT 5247; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]). In dit kort geding staat centraal of het plaatsen van meerdere negatieve online recensies over een vakantiewoning onrechtmatig is. Gedaagden hadden na klachten over hun verblijf herhaaldelijk negatieve reviews geplaatst op verschillende platforms, deels onder verschillende namen.

IT 5243

Ruime bescherming voor vrijheid van meningsuiting politici: ‘beetje Andrew Tate vibes’ toegestaan

Rechtbank Midden-Nederland 24 apr 2026,, IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ruime-bescherming-voor-vrijheid-van-meningsuiting-politici-beetje-andrew-tate-vibes-toegestaan

Rb. Midden-Nederland 24 april 2026, IEF 23511; IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]). In dit kort geding staat de vraag centraal of uitlatingen van een politica tijdens een gemeenteraadsvergadering, en de daarna op social media, onrechtmatig zijn tegenover een verhuurder, [eisende partij]. De politica sprak onder meer over “Andrew Tate vibes” en kwalificeerde diens verhuurpraktijken als intimiderend. [eisende partij] verhuurde bijvoorbeeld enkel aan vrouwen.