DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige uitingen  

IT 5559

Schipholwatch handelde onrechtmatig door nieuwe opdrachtgever van luchtvaartconsultant te benaderen

Rechtbank Amsterdam 2 sep 2026, IT 5559; ECLI:NL:RBAMS:2026:8689 ([eiser] tegen Schipholwatch c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/schipholwatch-handelde-onrechtmatig-door-nieuwe-opdrachtgever-van-luchtvaartconsultant-te-benaderen

Rb. Amsterdam 2 september 2026, IT 5559; ECLI:NL:RBAMS:2026:8689 ([eiser] tegen Schipholwatch c.s.). [eiser], een luchtvaartconsultant, en Stichting Schipholwatch en haar bestuurders plaatsen al jaren negatieve berichten over elkaar op sociale media. Nadat [eiser] op LinkedIn had aangekondigd dat hij via Edari een nieuwe opdracht bij Dubai Airports zou beginnen, stuurde Schipholwatch Edari een klacht over zijn uitlatingen op sociale media en waarschuwde zij voor mogelijke gevolgen voor Edari en Dubai Airports. Kort daarna startte Dubai Airports een intern legal and compliance-onderzoek en uiteindelijk ging de opdracht niet door. [eiser] vordert € 315.000 aan misgelopen inkomsten en € 50.000 aan immateriële schade. Partijen hebben op de mondelinge behandeling afgesproken dat de rechtbank in dit tussenvonnis uitsluitend over deze schadevordering beslist en dat zij daarna proberen hun overige geschilpunten via mediation op te lossen. Omdat de schadevordering alleen is gebaseerd op het contact van Schipholwatch met Edari, beoordeelt de rechtbank in dit vonnis niet de gestelde onrechtmatigheid van andere socialmediaberichten. De rechtbank oordeelt dat Schipholwatch met het benaderen van Edari onrechtmatig heeft gehandeld. Zij had zich moeten realiseren dat zij daarmee de relatie tussen [eiser] en zijn nieuwe opdrachtgever ernstig kon beschadigen, met mogelijke inkomensgevolgen. Schipholwatch had haar belang om [eiser] met zijn uitlatingen te laten stoppen bovendien op een minder schadelijke manier kunnen behartigen, bijvoorbeeld door een kort geding te starten. Door desondanks kort na de aankondiging van de nieuwe opdracht Edari rechtstreeks te benaderen, heeft Schipholwatch onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser] en daarmee gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

IT 5558

Eenjarig verbod op uitlatingen over advocatenkantoor na verstek

Rechtbank Midden-Nederland 15 sep 2026, IT 5558; ECLI:NL:RBMNE:2026:6352 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]), https://itenrecht.nl/artikelen/eenjarig-verbod-op-uitlatingen-over-advocatenkantoor-na-verstek

Rb. Midden-Nederland 15 september 2026, IT 5558; ECLI:NL:RBMNE:2026:6352 ([eisende partij] tegen [gedaagde partij]). [eisende partij], een advocatenkantoor, vorderde in kort geding onder meer een verbod voor [gedaagde partij] om bepaalde uitlatingen over het kantoor te doen. [gedaagde partij] verscheen niet op de mondelinge behandeling, waarna tegen haar verstek werd verleend. Haar kort voor de zitting ingediende verweerschrift met producties en tegenvorderingen bleef buiten beschouwing, zowel vanwege het verleende verstek als omdat de stukken minder dan één werkdag voor de zitting waren ingediend en [eisende partij] daardoor onvoldoende gelegenheid had daarop te reageren. Bij verstek worden de vorderingen op grond van artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toegewezen, tenzij zij de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. [eisende partij] had gemotiveerd gesteld dat de Google-reviews van [gedaagde partij], waarin onder meer werd beweerd dat het kantoor niet volgens de beroeps- en gedragsregels handelde, bewust op escalatie aanstuurde en geschillen liet escaleren om meer geld te verdienen, onrechtmatig waren. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om [gedaagde partij] gedurende één jaar te verbieden om zelf of via een derde, via onder meer e-mail, WhatsApp, Google Reviews, de pers of sociale media, uitlatingen van de in het vonnis omschreven strekking over [eisende partij] te doen. Aan iedere overtreding is een dwangsom van € 5.000 verbonden, tot een maximum van € 50.000.

IT 5551

Eiser niet-ontvankelijk wegens dagvaarden verkeerde rechtspersoon bij journalistieke publicatie

Rechtbank Amsterdam 30 sep 2026, IT 5551; ECLI:NL:RBAMS:2026:9744 ([eiser] tegen de stichting), https://itenrecht.nl/artikelen/eiser-niet-ontvankelijk-wegens-dagvaarden-verkeerde-rechtspersoon-bij-journalistieke-publicatie

Rb. Amsterdam 30 september 2026, IEF 23900; IT 5551; ECLI:NL:RBAMS:2026:9744 ([eiser] tegen de stichting). Op de website [internetsite] is een artikel over [eiser] gepubliceerd, waarbij een foto van hem is geplaatst tegen een achtergrond van kopieën van verschillende paspoorten op zijn huidige en voormalige naam. [eiser] heeft zowel de stichting als [bedrijf], een non-profitorganisatie naar Amerikaans recht, gesommeerd om de paspoorten en zijn portret offline te halen. Nadat aan die sommatie geen gehoor was gegeven, vorderde hij in kort geding dat de stichting op straffe van een dwangsom zou worden bevolen de paspoorten en het portret uit het artikel te verwijderen en verwijderd te houden. De stichting voerde aan dat [eiser] de verkeerde partij had gedagvaard. Niet de stichting, maar [bedrijf] is de uitgever van alle publicaties op [internetsite], houder van het auteursrecht op die publicaties en eigenaar van de domeinnaam. Volgens de voorzieningenrechter is [bedrijf] daarmee de partij die aan het gevorderde verwijderingsbevel zou kunnen voldoen.

IT 5519

Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat), https://itenrecht.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-aansprakelijk-voor-onrechtmatige-strafvervolging-en-om-publicaties-na-gebleken-onschuld

Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.

IT 5517

Negatieve Google-review over dienstverlening makelaar niet onrechtmatig

Rechtbank Rotterdam 7 aug 2026, IT 5517; ECLI:NL:RBROT:2026:11090 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/negatieve-google-review-over-dienstverlening-makelaar-niet-onrechtmatig

Rb. Rotterdam 7 augustus 2026, IT 5517; ECLI:NL:RBROT:2026:11090 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter wijst de vordering af van een makelaar die verwijdering van een negatieve Google-review eiste. Het plaatsen van een review over de dienstverlening van een onderneming valt volgens de kantonrechter in beginsel onder de vrijheid van meningsuiting, ook wanneer die review negatief is. Die vrijheid is niet onbeperkt: een review kan onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW, bijvoorbeeld wanneer sprake is van smaad of laster, of wanneer de tekst anderszins een ontoelaatbare inbreuk maakt op de goede naam of reputatie van een ander. Of daarvan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

IT 5496

Publicatie over cyberbullying door schaakgrootmeester niet onrechtmatig; kort geding kwalificeert niet als SLAPP

Rechtbank Amsterdam 1 sep 2026, IT 5496; ECLI:NL:RBAMS:2026:8773 ([eiser] tegen New in Chess c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/publicatie-over-cyberbullying-door-schaakgrootmeester-niet-onrechtmatig-kort-geding-kwalificeert-niet-als-slapp

Rb. Amsterdam 1 september 2026, IEF 23788; ECLI:NL:RBAMS:2026:8773 ([eiser] tegen New in Chess c.s.). Een gerenommeerde schaakgrootmeester en voormalig wereldkampioen vordert in kort geding van New In Chess c.s. onder meer verwijdering en rectificatie van een artikel, een verbod op toekomstige vergelijkbare uitlatingen en schadevergoeding. Het artikel behandelt de controverse in de internationale schaakwereld rond de inmiddels overleden schaakgrootmeester Daniel Naroditsky en neemt als uitgangspunt dat hij slachtoffer was van cyberbullying door eiser. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de vorderingen een beperking van de uitingsvrijheid van New In Chess c.s. als bedoeld in artikel 10 EVRM zou opleveren. Die beperking is slechts gerechtvaardigd indien de publicatie jegens eiser onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Daarbij moeten het belang van eiser om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aantasting van zijn eer en goede naam en het belang van New In Chess c.s. om zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over zaken van publiek belang tegen elkaar worden afgewogen.

IT 5485

Facebookpublicaties over cliëntelisme, drugsgebruik, spionage en corruptie zijn onrechtmatig

Overige instanties 24 aug 2026, IT 5485; ECLI:NL:OGEAC:2026:159 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/facebookpublicaties-over-clientelisme-drugsgebruik-spionage-en-corruptie-zijn-onrechtmatig

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 augustus 2026, IT 5485; ECLI:NL:OGEAC:2026:159 ([eiser] tegen [gedaagde]). Het Gerecht oordeelt dat [gedaagde], journalist, commentator en blogger, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] door op Facebook 58 berichten over hem te publiceren. [eiser], werkzaam bij de Belastingdienst, werd daarin onder meer in verband gebracht met cliëntelisme, cocaïnegebruik, spionage voor Nederland, corruptie, het bevoordelen van Nederlanders, het lekken van vertrouwelijke informatie en het profiteren van beslagen en openbare verkopen. Het gerecht weegt het belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam af tegen de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid van [gedaagde] op grond van artikel 10 EVRM. Daarbij kijkt het onder meer naar de ernst van de beschuldigingen, het maatschappelijk belang van de gestelde misstanden, de feitelijke basis voor de uitlatingen, de wijze waarop deze zijn gebracht, het bereik van het medium en de positie van [eiser]. De publicaties schetsen in onderlinge samenhang een ernstig en consistent negatief beeld van [eiser], terwijl niet is gebleken dat de beschuldigingen steun vinden in objectief verifieerbare bronnen en geen wederhoor is toegepast. Het beroep op satire of humor wordt verworpen, omdat de uitlatingen als feitelijke beschuldigingen zijn gepresenteerd. Ook de stelling dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek moet dulden slaagt niet. De uitlatingen vormen daarom een ongerechtvaardigde aantasting van zijn eer en goede naam en zijn onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW.

IT 5479

Rectificatie afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang; uitlatingen niet aan het publiek gedaan

Rechtbank Noord-Holland 13 aug 2026, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/rectificatie-afgewezen-wegens-ontbreken-spoedeisend-belang-uitlatingen-niet-aan-het-publiek-gedaan

Rb. Noord-Holland 13 augustus 2026, IT 5479; ECLI:NL:RBNHO:2026:10903 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van eiser tot rectificatie af. Eiser en gedaagde zijn voormalig zwager en schoonzus. Op 20 juni 2025 troffen zij elkaar in een supermarkt, waarbij zij elkaar op enig moment hebben aangeraakt. Gedaagde maakte hiervan melding bij de politie. Eiser stelde dat gedaagde ten onrechte zou hebben gezegd dat hij haar had mishandeld en/of geduwd en vorderde onder meer dat zij die uitlatingen zou rectificeren, het vonnis bij de politie zou laten opnemen en zich zou onthouden van soortgelijke uitlatingen. Volgens eiser hielden de gestelde uitlatingen verband met het feit dat hij sinds het incident geen omgang meer had met het door hem erkende zoontje van zijn voormalige partner. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser zijn spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het incident had ruim een jaar vóór het kort geding plaatsgevonden en eiser beschikte kort daarna al over camerabeelden die volgens hem zijn onschuld aantoonden. Van hem mocht daarom worden verwacht dat hij eerder actie had ondernomen. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat het incident in de supermarkt de enige reden is dat geen omgang meer plaatsvindt.

IT 5468

Verbod op negatieve uitlatingen over ex-echtgenote op sociale media blijft in stand

Gerechtshof Amsterdam 14 jul 2026, IT 5468; ECLI:NL:GHAMS:2026:2165 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://itenrecht.nl/artikelen/verbod-op-negatieve-uitlatingen-over-ex-echtgenote-op-sociale-media-blijft-in-stand

Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2026, IT 5468; ECLI:NL:GHAMS:2026:2165 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). In dit kort geding gaat [appellant] in hoger beroep tegen een vonnis dat hem verbiedt zich in het openbaar negatief uit te laten over [geïntimeerde], zijn (ex-)echtgenote. Partijen trouwden in augustus 2024 in Iran, maar gingen daarna niet samenwonen. [appellant] verbleef in Nederland en [geïntimeerde] in Iran. Vanaf december 2024 plaatste [appellant] op Instagram en Telegram berichten waarin hij [geïntimeerde] onder meer beschuldigde van oplichting, drugsgebruik, overspel en banden met het Iraanse regime. Ook deelde hij foto's en video's van haar, waaronder privéfoto's waarop zij zonder hijab te zien is en een foto van hun huwelijksakte. De voorzieningenrechter verbood [appellant] deze beschuldigingen openbaar te maken, droeg hem op de berichten, foto's en video's te verwijderen en verplichtte hem een rectificatie te plaatsen. Aan de veroordelingen koppelde de rechtbank een dwangsom van € 500 per dag tot maximaal € 25.000. In hoger beroep stelt [appellant] onder meer dat zijn uitlatingen onder zijn vrijheid van meningsuiting vallen. 

IT 5451

Google hoeft negatieve reviews over incassobureau niet te verwijderen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 aug 2026, IT 5451; ECLI:NL:GHARL:2026:5138 (Debtt c.s. tegen Google), https://itenrecht.nl/artikelen/google-hoeft-negatieve-reviews-over-incassobureau-niet-te-verwijderen

Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2026, IT 5451; ECLI:NL:GHARL:2026:5138 (Debtt c.s. tegen Google). Debtt B.V., een incassobureau, en Credit Management B.V., haar enig bestuurder en aandeelhouder, verzoeken Google tien negatieve reviews bij de bedrijfsvermelding van Debtt op Google Search en Google Maps te verwijderen. Google verwijdert vóór de procedure zeven reviews en na de dagvaarding nog één, zodat in hoger beroep nog twee reviews overblijven. Debtt c.s. stellen onder meer dat deze reviews niet echt zijn, onderdeel vormen van een georganiseerde lastercampagne, ongefundeerde strafrechtelijk getinte beschuldigingen bevatten en in strijd zijn met Googles eigen contentmoderatiebeleid. Het hof stelt voorop dat een internetplatform als Google kan worden verplicht door derden geplaatste informatie te verwijderen wanneer de inhoud en bewoordingen daarvan kennelijk onrechtmatig zijn jegens degene die om verwijdering verzoekt. Daarvan kan sprake zijn wanneer een review niet op daadwerkelijke ervaringen berust en/of feitelijk onjuist dan wel onnodig grievend is. Partijen zijn het er bovendien over eens dat het onrechtmatige karakter voor het platform op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld, zonder aanvullend onderzoek naar de feitelijke achtergrond van de review of de relatie tussen recensent en degene over wie wordt geschreven. Bij de beoordeling komt tevens gewicht toe aan het zakelijke en maatschappelijke belang van Google om gebruikers kritische en betrouwbare reviews te laten plaatsen, welk belang nauw samenhangt met de uitingsvrijheid van art. 10 EVRM en art. 7 Grondwet.