DOSSIERS
Alle dossiers

Social media  

IT 5229

Online handelsfraude via Marktplaats en Facebook

Rechtbank Gelderland 19 mrt 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/online-handelsfraude-via-marktplaats-en-facebook

Rb Gelderland 19 maart 2026, IT 5229; ECLI:NL:RBGEL:2026:3064 (de officier van justitie tegen [verdachte]). De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich in de periode van 23 maart 2021 tot en met 18 augustus 2022 schuldig heeft gemaakt aan online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e Sr, doordat hij daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Hij bood via Marktplaats en Facebook goederen aan of reageerde op zoekadvertenties, liet kopers bedragen overmaken en leverde vervolgens niet, waarna kopers vaak werden genegeerd, geblokkeerd of met verdwenen accounts werden geconfronteerd. De rechtbank stelt vast dat sprake was van verkoop van goederen via een geautomatiseerd werk, met het oogmerk om zich zonder volledige levering van de betaling te verzekeren, en dat de grote hoeveelheid transacties met een sterk vergelijkbare modus operandi meebrengt dat sprake is van een gewoonte. Dat juist deze verdachte de dader was, leidt de rechtbank af uit het feit dat in alle 24 aangiftes gebruikte bankrekeningnummers en/of het gebruikte telefoonnummer aan hem konden worden gekoppeld, uit zijn eigen verklaring dat hij van dat telefoonnummer en WhatsApp gebruikmaakte, en uit zijn erkenning dat hij zich in elk geval bij de transacties rond de sidetable en de Huawei-telefoon als verkoper heeft voorgedaan. Het alternatieve scenario dat een ander, [naam], met gebruikmaking van zijn gegevens de fraude zou hebben gepleegd, verwerpt de rechtbank als onvoldoende concreet, niet onderbouwd en zonder begin van aannemelijkheid. Het bewezenverklaarde kwalificeert de rechtbank als: “een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren.”

IT 5224

WhatsApp-berichten als bewijs voor bekendheid met vonnis

Hoge Raad 10 mrt 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (Het OM tegen [verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/whatsapp-berichten-als-bewijs-voor-bekendheid-met-vonnis

Parket bij de Hoge Raad 10 maart 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (het OM tegen [verdachte]). In deze strafzaak staat de vraag centraal of de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld en of hij eerder op de hoogte was van zijn veroordeling via WhatsApp. Het gerechtshof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit overgelegde WhatsApp-berichten tussen de verdachte en zijn raadsman zou blijken dat de verdachte al geruime tijd wist dat hij was veroordeeld. Volgens de wet (art. 408 lid 2 Sv) begint de termijn voor hoger beroep namelijk te lopen op het moment dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. In de bewuste berichten stuurde de verdachte onder meer een screenshot van de "Berichtenbox" van MijnOverheid en vroeg hij zijn advocaat om uitleg over de status van zijn zaak.

IT 5214

Inzage in X onder de AVG: beperkte ruimte voor beroep op bedrijfsgeheimen

Hof 14 apr 2026, IT 5214; ECLI:NL:GHAMS:2026:961 ((X International Unlimited Company tegen [geïntimeerde])), https://itenrecht.nl/artikelen/inzage-in-x-onder-de-avg-beperkte-ruimte-voor-beroep-op-bedrijfsgeheimen

Hof Amsterdam 14 april 2026, IEF23484, ECLI:NL:GHAMS:2026:961(X International Unlimited Company tegen [geïntimeerde]). In deze zaak staat de reikwijdte van het inzagerecht van artikel 15 AVG centraal in de context van interne moderatie- en logsysteemgegevens van X (voorheen Twitter). [geïntimeerde], een gebruiker van het platform X, werd in oktober 2023 geconfronteerd met een tijdelijke beperking van zijn account naar aanleiding van een tweet waarin het woord “kinderporno” voorkwam met een link naar een NOS-artikel. Deze beperking bleek achteraf onterecht en werd door X opgeheven zonder dat de verzoeker daarvan op de hoogte werd gesteld. Als reactie hierop heeft de [geïntimeerde] een inzageverzoek ingediend op grond van artikel 15 AVG. Daarbij vroeg hij onder meer om toegang tot interne registraties van het platform, waaronder het systeem dat binnen X bekend staat als [Y] (ook aangeduid als “Guano Notes”), waarin moderatiehandelingen, labels en andere account gerelateerde acties worden vastgelegd. De Rechtbank Amsterdam wees dit verzoek grotendeels toe en verplichtte X tot volledige inzage, op straffe van een doorlopende dwangsom. In hoger beroep lagen echter nog slechts twee geschilpunten voor: de vraag of ook inzage moest worden verleend in de [Y]/Guano Notes en de vraag of de opgelegde dwangsommen moesten worden gemaximeerd dan wel verhoogd. X kwam in dat kader op tegen het vonnis en beriep zich op de bescherming van bedrijfsgeheimen en de rechten en vrijheden van derden als grond om de inzage te beperken. Het gerechtshof stelt voorop dat gegevens die zijn opgenomen in interne systemen zoals [Y], voor zover zij betrekking hebben op handelingen rond het account van de betrokkene, moeten worden aangemerkt als persoonsgegevens in de zin van de AVG. Dit betekent dat zij in beginsel onder het bereik van het inzagerecht vallen. Daarmee sluit het hof aan bij de lijn van het C-487/21 (FF/CRIF), waarin is benadrukt dat het inzagerecht ertoe strekt de betrokkene in staat te stellen de rechtmatigheid van de verwerking daadwerkelijk te controleren. Tegelijkertijd onderkent het hof dat het inzagerecht niet absoluut is. Op grond van artikel 15 lid 4 AVG, gelezen in samenhang met artikel 23 AVG en artikel 41 UAVG, kan de verstrekking van gegevens worden beperkt ter bescherming van onder meer de rechten en vrijheden van anderen, waaronder bedrijfsgeheimen. In dat verband verwijst het hof mede naar de rechtspraak van het C-203/22 (Dun & Bradstreet Austria), waarin is benadrukt dat een dergelijke beperking steeds het resultaat moet zijn van een concrete en zorgvuldige belangenafweging.

IT 5201

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IT 5198

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

IT 5189

Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk

Rechtbank Rotterdam 26 feb 2026, IT 5189; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/kort-geding-over-toegang-tot-instagram-account-van-gezamenlijke-tandartspraktijk

Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.

IT 5181

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IT 5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://itenrecht.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IT 5172

Kort geding bij verstek over YouTube-video’s: verwijdering, rectificatie, verbod op diffamerende uitlatingen en staking van portret- en auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 23 feb 2026, IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/kort-geding-bij-verstek-over-youtube-video-s-verwijdering-rectificatie-verbod-op-diffamerende-uitlatingen-en-staking-van-portret-en-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 23 februari 2026, IEF 23430; IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding bij verstek staan Online Trading Campus LLC en [eiser] tegenover [gedaagde] naar aanleiding van op YouTube geplaatste video’s en andere uitlatingen over eisers. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarna de voorzieningenrechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en verstek verleent. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vorderingen van eisers grotendeels niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze daarom in hoofdzaak toe, zij het met aanpassing van enkele termijnen, beperking van de dwangsom en aanpassing van de tekst van de gevorderde rectificatie, juist omdat het om een verstekvonnis gaat. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om binnen 48 uur na betekening de drie in de dagvaarding genoemde video’s van internet en meer in het bijzonder van het YouTube-kanaal [naam kanaal] te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast moet gedaagde binnen diezelfde termijn de inbreuk op de portretrechten van eiser sub 2 staken en gestaakt houden door diens portret niet langer openbaar te maken in de video’s en bijbehorende thumbnails. Ook moet hij binnen 48 uur de inbreuk op de auteursrechten van eisers staken en gestaakt houden door de in de dagvaarding omschreven beelden niet langer openbaar te maken of te verveelvoudigen. Verder verbiedt de voorzieningenrechter gedaagde om binnen 48 uur na betekening, online en offline, al dan niet met inschakeling van derden, nog langer onrechtmatige en diffamerende uitlatingen over eisers te doen.

IT 5168

Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.

Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (Lewis tegen Van Ooijen), https://itenrecht.nl/artikelen/uitingen-fan-over-relatie-met-zanger-niet-onrechtmatig-bevonden

Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.

IT 5167

Vrijspraak voor Instagram-smaad: onvoldoende voor bewijs van plaatsen berichten door verdachte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mrt 2026, IT 5167; ECLI:NL:GHARL:2026:1544 (Verdachte tegen het vonnis van de politierechter), https://itenrecht.nl/artikelen/vrijspraak-voor-instagram-smaad-onvoldoende-voor-bewijs-van-plaatsen-berichten-door-verdachte

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2026, IT 5166; ECLI:NL:GHARL:2026:1544 (Verdachte tegen het vonnis van de politierechter). Het hof spreekt verdachte vrij van smaad naar aanleiding van berichten die op Instagram zijn geplaatst over een politieagent. Hoewel uit het dossier blijkt dat verdachte op enige wijze betrokken was bij het account waarop de berichten verschenen, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat zij de berichten zelf heeft geplaatst. Het hof acht daarmee niet bewezen dat sprake is van “plegen” van smaad, zoals ten laste gelegd. Omdat het bewijs onvoldoende is om directe daderschap aan te nemen, volgt vrijspraak. Het hof gelast daarnaast de teruggave van de in beslag genomen telefoon en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de schadevordering