Hoge Raad verduidelijkt representativiteitseis in collectieve privacyactie tegen Oracle en Salesforce
HR 17 juli 2026, IT 5384; ECLI:NL:HR:2026:1198 (Oracle tegen TPC/Salesforce tegen TPC). Stichting The Privacy Collective (TPC) stelde namens ongeveer tien miljoen Nederlandse internetgebruikers een collectieve actie in tegen Oracle en Salesforce wegens gestelde privacyschendingen die verband houden met het plaatsen van cookies en het opbouwen en gebruiken van gebruikersprofielen voor onder meer gerichte reclame. TPC vorderde onder meer verklaringen voor recht, ge- en verboden en tegen ieder van de ondernemingen betaling van € 5 miljard, althans € 500 per persoon uit de relevante achterban. De Rechtbank Amsterdam verklaarde TPC niet-ontvankelijk omdat niet was voldaan aan het representativiteitsvereiste van artikel 3:305a lid 2 BW. Het Gerechtshof Amsterdam vernietigde dat oordeel, verklaarde TPC ontvankelijk en verwees de zaak terug naar de rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW in hoger beroep in beginsel ex nunc worden getoetst. De rechter mag dus rekening houden met feiten, omstandigheden en herstelde gebreken die zich na het uitbrengen van de dagvaarding hebben voorgedaan. De tekst en wetsgeschiedenis van de WAMCA geven geen aanleiding om op dit punt af te wijken van het algemene uitgangspunt dat de appelrechter beslist naar de toestand ten tijde van zijn uitspraak.