DOSSIERS
Alle dossiers

Privacy  

IT 5583

Ziekenhuis moet loggegevens medisch dossier nader toelichten op grond van AVG

Rechtbank Midden-Nederland 30 sep 2026, IT 5583; ECLI:NL:RBMNE:2026:7063 ([verzoeker] tegen Diakonessenhuis), https://itenrecht.nl/artikelen/ziekenhuis-moet-loggegevens-medisch-dossier-nader-toelichten-op-grond-van-avg

Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IT 5583; ECLI:NL:RBMNE:2026:7063 ([verzoeker] tegen Diakonessenhuis). Verzoekster heeft na een videocapsule-endoscopie bij het Diakonessenhuis meerdere verzoeken ingediend om inzage te krijgen in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Zij verzoekt onder meer om volledige logoverzichten van haar medisch dossier, een afschrift van dat dossier, loggegevens uit de MiroView-software en informatie over de medewerkers die haar gegevens hebben geraadpleegd. De Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat het Diakonessenhuis niet volledig aan zijn inzageverplichting heeft voldaan. Hoewel artikel 15 AVG geen recht geeft op logoverzichten die voldoen aan de NEN 7513, moet de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 15 lid 3 AVG wel een getrouwe en begrijpelijke reproductie van de verwerkte persoonsgegevens verstrekken. De verstrekte logoverzichten vermelden slechts welke schermen door medewerkers zijn geraadpleegd, maar niet welke persoonsgegevens daadwerkelijk zijn ingezien. Ook ontbreekt informatie over de doeleinden van de raadplegingen, waarop verzoekster op grond van artikel 15 lid 1 onder a AVG recht heeft. Het ziekenhuis moet daarom binnen een maand de verstrekte logoverzichten nader toelichten door te specificeren welke persoonsgegevens door de betrokken medewerkers zijn geraadpleegd en met welk doel.

IT 5582

Geen dwangsommen wegens niet tijdig beslissen op AVG-verzoek, eiser opnieuw gewaarschuwd voor misbruik van recht

Rechtbank Rotterdam 8 okt 2026, IT 5582; ECLI:NL:RBROT:2026:13825 (eiser tegen ACNL), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-dwangsommen-wegens-niet-tijdig-beslissen-op-avg-verzoek-eiser-opnieuw-gewaarschuwd-voor-misbruik-van-recht

Rb. Rotterdam 8 oktober 2026, IT 5582; ECLI:NL:RBROT:2026:13825 (eiser tegen ACNL). Eiser heeft beroep ingesteld omdat Airport Coordination Netherlands (ACNL) volgens hem niet tijdig heeft beslist op een AVG-verzoek dat hij op 28 februari 2022 zou hebben ingediend. Eiser stelt dat hierdoor dwangsommen zijn verbeurd. De Rechtbank Rotterdam oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser destijds daadwerkelijk een aanvraag bij ACNL heeft ingediend. Wanneer een bestuursorgaan de ontvangst van een aanvraag ontkent, moet de afzender aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maken dat het bericht is verzonden. Eiser heeft dit niet gedaan. Ook de latere toezending van de processtukken door de rechtbank aan ACNL geldt niet als indiening van een aanvraag door eiser. Deze toezending vond plaats op grond van artikel 8:39 lid 1 Awb en niet op grond van artikel 2:3 Awb. ACNL heeft de stukken onverplicht als een alsnog ingediend verzoek behandeld en daarop op 27 mei 2025 beslist. Volgens de rechtbank is geen beslistermijn overschreden en zijn geen dwangsommen verbeurd. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. Het beroep dat op grond van artikel 6:20 lid 3 Awb van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 27 mei 2025, wordt kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser geen inhoudelijke gronden tegen dat besluit heeft aangevoerd.

IT 5578

Voormalig werknemer krijgt gedeeltelijk inzage in persoonsgegevens op grond van AVG

Rechtbank Midden-Nederland 1 okt 2026, IT 5578; ECLI:NL:RBMNE:2026:6977 ([verzoeker] tegen [verweerder]), https://itenrecht.nl/artikelen/voormalig-werknemer-krijgt-gedeeltelijk-inzage-in-persoonsgegevens-op-grond-van-avg

Rb. Midden-Nederland 1 oktober 2026, IT 5578; ECLI:NL:RBMNE:2026:6977 ([verzoeker] tegen [verweerder]). De rechtbank oordeelt over een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG van een voormalig werknemer aan zijn voormalige werkgever. De verzoeker was oprichter van een online platform en uitgaansagenda, had zijn onderneming in 2017 verkocht aan de verweerder en was vervolgens bij deze onderneming in dienst getreden. Via zijn vennootschap bleef hij aandeelhouder. Nadat in 2025 een conflict tussen de aandeelhouders was ontstaan en zijn dienstverband was beëindigd, verzocht hij om volledige inzage in de door zijn voormalige werkgever verwerkte gegevens, waaronder e-mails, Slack-berichten, WhatsApp-communicatie en personeelsgegevens. De rechtbank stelt voorop dat een betrokkene op grond van artikel 15 AVG recht heeft op inzage in zijn persoonsgegevens en de bijbehorende informatie over de verwerking. Dat een inzageverzoek mogelijk wordt gedaan om de procespositie in andere juridische procedures te versterken, doet aan dit recht niet af. Het begrip persoonsgegevens moet ruim worden uitgelegd en omvat ook subjectieve informatie, zoals meningen en beoordelingen, voor zover deze betrekking hebben op de betrokkene. Het inzagerecht strekt echter niet zonder meer tot het verkrijgen van integrale kopieën van documenten of volledige bedrijfsgegevens.

IT 5547

Prejudiciële vragen gesteld over doorgifte aan de Amerikaanse belastingdienst

HvJ EU 5 okt 2026, IT 5547; C-804/25 (Autorite de protection des donnees), https://itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-doorgifte-aan-de-amerikaanse-belastingdienst

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 10 december 2025, IT 5547; IEFbe 4336; C-804/25 (Autorite de protection des donnees) via MinBuza. Een Amerikaan (hierna: JC) en de Belgische vereniging "Accidental Americans Association of Belgium" hebben een klacht tegen de Belgische staat ingediend bij de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit over de doorgifte van persoonsgegevens aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) krachtens het FATCA-akkoord. De Gegevensbeschermingsautoriteit stelde vast dat er meerdere schendingen van de AVG waren, waaronder het ontbreken van een gegevensbeschermingseffectbeoordeling en onvoldoende informatievoorziening aan betrokkenen, en legde een nalevingsbevel op. De Belgische staat heeft tegen het besluit van de Gegevensbeschermingsautoriteit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van het Unierecht teneinde te kunnen beoordelen of het FATCA-akkoord verenigbaar is met richtlijn 95/46/EG, de AVG en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest.

IT 5546

Prejudiciële vragen gesteld over de Etias-verordening

HvJ EU 4 dec 2025, IT 5546; C-846/25 (Ligue des droits humains), https://itenrecht.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-etias-verordening

Prejudicële vragen gesteld aan HvJ EU 4 december 2025, IT 5546; IEFbe 4335; C-846/25 (Ligue des droits humains) via MinBuza. Ligue des droits humains (hierna: verzoeker) heeft in 2024 een beroep ingesteld bij het Grondwettelijke Hof tot vernietiging van een wet betreffende de oprichting en organisatie van de opdrachten van ETIAS Nationale Eenheid (hierna: E.N.E). De wet regelt onder meer de verwerking van persoonsgegevens in het kader van reisautorisaties binnen de EU, risicobeoordelingen, het gebruik van het ETIAS-informatiesysteem, en de procedures rond het intrekken en annuleren van reisautorisaties. Verzoeker stelt dat de combinatie van het beheren van veiligheidsrisico's en het beheer van de grenzen leidt tot een strafbaarstelling van migratie, wat een onevenredige inbreuk op de grondrechten (zoals het recht op privacy en gegevensbescherming) inhoudt. Volgens verzoeker zou artikel 3, lid 1, punt 6, van de ETIAS-verordening een te ruime en onvoldoende nauwkeurige definitie van "veiligheidsrisico" geven. De Ministerraad verdedigt de wet en stelt dat het kritiek gericht is tegen de bewoording van de ETIAS-verordening zelf, waarover het Grondwettelijk Hof niet bevoegd is te oordelen, en dat de wet voldoende waarborgen en regelingen bevat die in overeenstemming zijn met de Grondwet en internationale normen. In het kader van dit beroep rijst voor het Grondwettelijk Hof de vraag of de nationale wet, die uitvoering geeft aan de ETIAS-verordening, voldoende nauwkeurig is omschreven en verenigbaar is met het Unierecht.

IT 5542

Hof Den Haag: waarborgen bij raadpleging en plaatsing ANPR-camera’s schieten tekort; oordeel over noodzaak aangehouden

Gerechtshof Den Haag 29 sep 2026, IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat), https://itenrecht.nl/artikelen/hof-den-haag-waarborgen-bij-raadpleging-en-plaatsing-anpr-camera-s-schieten-tekort-oordeel-over-noodzaak-aangehouden

Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23879; IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat). Privacy First komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vorderingen over artikel 126jj Sv, op grond waarvan politie en Koninklijke Marechaussee met ANPR-camera’s het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto van passerende voertuigen kunnen vastleggen en deze gegevens vier weken kunnen bewaren. Het hof stelt voorop dat deze systematische verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 8 EVRM en tevens binnen het bereik van de artikelen 7 en 8 Handvest valt. De inmenging is volgens het hof wel “bij wet voorzien”: uit artikel 126jj Sv, het Besluit en de Regeling is voldoende voorzienbaar onder welke omstandigheden gegevens worden verzameld, hoe lang zij worden bewaard en onder welke voorwaarden zij kunnen worden geraadpleegd. De verwerking van ANPR-passagegegevens verschilt volgens het hof in aard en intensiteit van de bewaring van telecommunicatiegegevens, maar kan vanwege de schaal van de verwerking en de mogelijkheid om verplaatsingspatronen af te leiden wel degelijk een ernstige inmenging in de persoonlijke levenssfeer vormen. Daarom moeten de in de rechtspraak van het HvJ ontwikkelde eisen ten aanzien van toegang, toezicht en toetsing mede worden betrokken bij de beoordeling van de ANPR-regeling.

IT 5538

Beperkte kennisneming van profielen uit IOB-algoritme gerechtvaardigd

Rechtbank Den Haag 16 sep 2026, IT 5538; ECLI:NL:RBDHA:2026:26910 (eiseres tegen de minister van Buitenlandse Zaken), https://itenrecht.nl/artikelen/beperkte-kennisneming-van-profielen-uit-iob-algoritme-gerechtvaardigd

Rb. Den Haag 16 september 2026, IT 5538; ECLI:NL:RBDHA:2026:26910 (eiseres tegen de minister van Buitenlandse Zaken). In een procedure over de afwijzing van een visum voor kort verblijf verzocht de minister van Buitenlandse Zaken om beperkte kennisneming van profielen die onderdeel zijn van het algoritme Informatie Ondersteunend Beslissen (IOB). De rechtbank stelt voorop dat een verwijzing naar weigeringsgronden uit de Wet open overheid op zichzelf onvoldoende is voor toepassing van artikel 8:29 Awb. Voor beperkte kennisneming is een zelfstandige beoordeling vereist of sprake is van gewichtige redenen, waarbij ook het belang van de andere partij bij kennisneming van de processtukken, mede in het licht van het fair trial-beginsel, moet worden betrokken. De minister had aanvullend aangevoerd dat openbaarmaking van de profielen ertoe kan leiden dat toekomstige visumaanvragers daarop anticiperen, waardoor de effectiviteit en juistheid van de beoordeling van visumaanvragen ernstig kunnen worden geschaad.

IT 5537

CaseMatcher is geen AI-systeem, complex algoritme of black box

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IT 5537; ECLI:NL:RBDHA:2026:25209 (eisers tegen de minister van Asiel en Migratie), https://itenrecht.nl/artikelen/casematcher-is-geen-ai-systeem-complex-algoritme-of-black-box

Rb. Den Haag 2 september 2026, IT 5537; ECLI:NL:RBDHA:2026:25209 (eisers tegen de minister van Asiel en Migratie). In procedures over de afwijzing van vier asielaanvragen stond onder meer het mogelijke gebruik van CaseMatcher door de IND ter discussie. Omdat de betrokken beslismedewerker zich niet meer kon herinneren of CaseMatcher was gebruikt en dit dus niet kon worden uitgesloten, gaat de rechtbank er voor haar beoordeling van uit dat het programma bij de beoordeling van de asielaanvragen en daarmee bij de totstandkoming van de besluiten is gebruikt. Volgens de rechtbank is CaseMatcher geen AI-systeem in de zin van artikel 3 AI-verordening en evenmin een complex algoritme of black box. Het programma is een eenvoudige, rule-based zoek- en vindfunctionaliteit waarmee een geautoriseerde IND-medewerker kan zoeken naar eerder behandelde zaken en daarin opgeslagen documenten waarin bepaalde zoektermen voorkomen. De resultaten worden op datum of relevantie gerangschikt, waarbij onder meer de frequentie van een zoekterm en het vooraf toegekende gewicht van documenttypen worden betrokken. Volgens de rechtbank leert, redeneert of modelleert CaseMatcher niet en worden de zoekresultaten deterministisch en volgens vaste regels gegenereerd en gesorteerd. Omdat het resultaat van een zoekopdracht logisch herleidbaar is, kan CaseMatcher volgens de rechtbank ook niet worden gelijkgesteld met de complexe algoritmen die aan de orde waren in de rechtspraak over AERIUS en SyRI.

IT 5536

Cameratoezicht op gemeenschappelijke delen gerechtvaardigd, privétuin mag niet in beeld worden gebracht

Rechtbank Midden-Nederland 8 sep 2026, IT 5536; ECLI:NL:RBMNE:2026:6427 ([eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]), https://itenrecht.nl/artikelen/cameratoezicht-op-gemeenschappelijke-delen-gerechtvaardigd-privetuin-mag-niet-in-beeld-worden-gebracht

Rb. Midden-Nederland 8 september 2026, IT 5536; ECLI:NL:RBMNE:2026:6427 ([eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]). Twee bewoners van een appartementencomplex vorderden in kort geding verwijdering dan wel aanpassing van camera’s die hun buren hadden geplaatst. Volgens eisers maakten de camera’s inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer doordat daarmee ook gemeenschappelijke gedeelten en hun eigen tuin konden worden gefilmd. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een eigenaar in beginsel camera’s mag plaatsen ter beveiliging van zijn woning en perceel, maar dat cameratoezicht op andermans woning, de openbare weg of gemeenschappelijke gedeelten in beginsel een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Het opslaan van dergelijke beelden is bovendien een verwerking van persoonsgegevens waarop de AVG van toepassing is. In dit geval acht de rechter het beveiligingsbelang van de buren voldoende zwaarwegend om permanent cameratoezicht op de gemeenschappelijke toegangsweg en parkeerplaatsen te rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechter verschillende eerdere incidenten in aanmerking en oordeelt hij dat sprake is van een gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 6 lid 1 onder f AVG.

IT 5535

Uitlating over AVG-overtreding tijdens VvE-vergadering niet onrechtmatig

Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, IT 5535; ECLI:NL:RBNHO:2026:11974 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://itenrecht.nl/artikelen/uitlating-over-avg-overtreding-tijdens-vve-vergadering-niet-onrechtmatig

Rb. Noord-Holland 6 mei 2026, IT 5535; ECLI:NL:RBNHO:2026:11974 ([eiser] tegen [gedaagden]). Een appartementseigenaar stelde dat tijdens een algemene ledenvergadering van zijn VvE ten onrechte was gezegd dat hij de AVG had overtreden door e-mailadressen van bestuursleden in groepsmails te gebruiken. Volgens hem waren de uitlatingen feitelijk onjuist en hadden zij zijn eer en goede naam aangetast. Hij vorderde daarom een verklaring voor recht en rectificatie. De rechtbank beoordeelt eerst welke van de vijf individueel gedagvaarde bestuursleden voor de uitlatingen verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Drie toenmalige bestuurders hadden de gewraakte uitlatingen niet gedaan en konden daarom niet persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Een vierde gedaagde was op het moment van de vergadering nog geen bestuurder en was evenmin bij de uitlatingen betrokken. De inhoudelijke beoordeling richt zich daarom op één bestuurder, die tijdens de vergadering had gezegd dat eiser “in overtreding” was wanneer hij zonder toestemming diens e-mailadres in een groepsmail aan anderen kenbaar maakte. Bij de beoordeling daarvan weegt de rechtbank het recht op vrijheid van meningsuiting uit artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM af tegen het recht op bescherming van eer en goede naam uit artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM. Daarbij zijn onder meer de aard en ernst van de uitlating, de feitelijke basis daarvoor, de wijze waarop zij is gedaan en het bereik ervan van belang.