Na toepassing privacymask geen privacy-inbreuk meer door beveiligingscamera’s
Rb. Rotterdam 25 augustus 2026, IT 5516; ECLI:NL:RBROT:2026:11082 ([persoon A] tegen [persoon B] en [persoon C]). De voorzieningenrechter wijst de vordering af van een bewoonster die haar buren wilde verplichten hun beveiligingscamera’s te verplaatsen of te draaien. Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert, al kan een belangenafweging ertoe leiden dat de inbreuk niet onrechtmatig is. In deze zaak is onvoldoende komen vast te staan dat nog sprake is van een onrechtmatige privacy-inbreuk. De camera’s waren hoofdzakelijk op het eigen perceel van de buren gericht. Aanvankelijk waren ook een klein deel van de oprit en de garagedeur van eiseres zichtbaar, maar de buren hebben de instellingen aangepast met een privacymask, waardoor dat deel van het mogelijke camerabeeld wordt geblokkeerd. Eiseres had zelf inzage gehad in de camerabeelden en heeft niet weersproken dat het privacymask ervoor zorgt dat haar perceel niet meer wordt waargenomen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom voorshands dat geen sprake meer is van een inbreuk op haar privacy.