DOSSIERS
Alle dossiers

Privacy  

IT 5510

Geen schadevergoeding na gestelde privacy-inbreuk bij opname uitvaart wegens onvoldoende onderbouwde schade

Rechtbank Oost-Brabant 3 sep 2026, IT 5510; ECLI:NL:RBOBR:2026:6346 ([eiseres] tegen de protestantse gemeente), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-schadevergoeding-na-gestelde-privacy-inbreuk-bij-opname-uitvaart-wegens-onvoldoende-onderbouwde-schade

Rb. Oost-Brabant 3 september 2026, IT 5510; ECLI:NL:RBOBR:2026:6346 ([eiseres] tegen de protestantse gemeente). De kantonrechter beoordeelt een schadevordering naar aanleiding van het filmen van de uitvaartdienst van de moeder van eiseres. De dienst kon live via kerkdienstgemist.nl worden gevolgd en de opname bleef daarna enkele maanden beschikbaar om terug te kijken en te downloaden. Eiseres stelde dat de opname zonder haar toestemming was gemaakt en beschikbaar gesteld en dat daardoor haar privacy en de nagedachtenis van haar moeder waren aangetast. Zij vorderde onder meer € 10.000 aan immateriële schadevergoeding en vergoeding van de tijd die zij aan de kwestie had besteed. Voor zover eiseres tevens stelde dat de privacy van andere aanwezigen was geschonden, laat de kantonrechter dat buiten beschouwing omdat zij niet over een volmacht beschikte om namens hen op te treden. De rechter begrijpt de eigen schadevorderingen van eiseres als gebaseerd op artikel 6:162 BW en artikel 82 AVG. Voor schadevergoeding is op beide grondslagen niet voldoende dat sprake is van een onrechtmatige daad respectievelijk een AVG-inbreuk: ook moet daadwerkelijk schade zijn geleden en moet causaal verband bestaan tussen die schade en de gestelde normschending. Onder verwijzing naar het arrest Österreichische Post overweegt de kantonrechter dat voor immateriële schade op grond van artikel 82 AVG weliswaar geen minimumdrempel van ernst geldt, maar dat de betrokkene nog steeds moet aantonen dát zij daadwerkelijk immateriële schade heeft geleden.

IT 5505

EVR-registratie blijft in stand ondanks verslechterde financiële situatie

Rechtbank Den Haag 5 jun 2026, IT 5505; ECLI:NL:RBDHA:2026:21760 ([eiseres] tegen Klaverblad), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/evr-registratie-blijft-in-stand-ondanks-verslechterde-financiele-situatie

Rb. Den Haag 5 juni 2026, IT 5505; ECLI:NL:RBDHA:2026:21760 ([eiseres] tegen Klaverblad). Een zelfstandig letselschadebehandelaar vordert in kort geding verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Extern Verwijzingsregister (EVR), het Intern Verwijzingsregister (IVR) en overige schaderegisters en ongedaanmaking van de melding bij het fraudeloket van het Centrum voor Bestrijding van Verzekeringscriminaliteit (CBV). Klaverblad had de registraties aangebracht nadat was gebleken dat eiseres bij een integriteitsonderzoek voorafgaand aan een overeenkomst van opdracht haar eerdere betrokkenheid bij frauderegistraties niet had gemeld. Over de oorspronkelijke rechtmatigheid van die registraties was al eerder geprocedeerd: de voorzieningenrechter wees haar vorderingen in 2024 af en het hof bekrachtigde dat vonnis in 2025. In deze nieuwe procedure kan daarom niet opnieuw worden beoordeeld of de registraties destijds terecht zijn aangebracht, maar wel of de door eiseres gestelde gewijzigde omstandigheden maken dat handhaving daarvan inmiddels disproportioneel is. Voor de registraties anders dan het EVR en voor de CBV-melding ontbreekt volgens de voorzieningenrechter spoedeisend belang, omdat niet is gesteld of gebleken dat juist die registraties haar werkzaamheden of inkomen belemmeren. De inhoudelijke beoordeling beperkt zich daarom tot de EVR-registratie.

IT 5503

Artikel 54 AVG sluit toepassing Woo op toezichtsinformatie AP niet uit

Rechtbank Amsterdam 1 jul 2026, IT 5503; ECLI:NL:RBAMS:2026:6692 (eiseres tegen de AP en GGD GHOR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/artikel-54-avg-sluit-toepassing-woo-op-toezichtsinformatie-ap-niet-uit

Rb. Amsterdam 1 juli 2026, IT 5503; ECLI:NL:RBAMS:2026:6692 (eiseres tegen de AP en GGD GHOR). Eiseres heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op grond van de Wet open overheid verzocht om informatie over een datalek uit januari 2021 waarbij de GGD-systemen CoronIT, HPZone en HPZone Lite waren betrokken en over het onderzoek van de AP daarnaar. De AP wees het verzoek volledig af en stelde onder meer dat art. 54 lid 2 AVG, dat een beroepsgeheim oplegt aan leden en personeel van toezichthoudende autoriteiten, eraan in de weg staat dat deze gevoelige toezichtsinformatie onder de Woo openbaar wordt gemaakt. De rechtbank volgt dat niet. Hoewel de AVG als rechtstreeks werkende Unierechtelijke verordening voorrang heeft boven nationaal recht, bevat art. 54 lid 2 AVG volgens de rechtbank geen regeling die documenten die bij de AP berusten aan openbaarmaking onttrekt. De bepaling ziet op het beroepsgeheim van personen die bij de toezichthouder werkzaam zijn ten aanzien van vertrouwelijke informatie die hun bij de uitoefening van hun taken bekend is geworden. Anders dan bijvoorbeeld een bepaling die uitdrukkelijk het verstrekken van informatie regelt, biedt art. 54 lid 2 AVG geen grond om de openbaarmakingsregels van de Woo buiten toepassing te laten. De AP moet daarom aan de hand van de Woo beoordelen of en in hoeverre de gevraagde documenten openbaar kunnen worden gemaakt.

IT 5502

Belastingdienst mag persoonsgegevens leden businessclub opvragen; gegevens over evenementbezoek gaan te ver

Rechtbank Noord-Holland 2 sep 2026, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/belastingdienst-mag-persoonsgegevens-leden-businessclub-opvragen-gegevens-over-evenementbezoek-gaan-te-ver

Rb. Noord-Holland 2 september 2026, IT 5502; ECLI:NL:RBNHO:2026:11306 (de Belastingdienst tegen [gedaagde]). De Belastingdienst vordert in kort geding dat een exploitant van luxe herenmodezaken op grond van art. 47, 49 en 53 AWR gegevens verstrekt over de leden van haar businessclub. Volgens de onderneming gaat het om een ongeoorloofde fishing expedition en vormt de bulkuitvraag van rechtstreeks herleidbare persoonsgegevens een disproportionele inmenging in de privacy van haar klanten, in strijd met de AVG en art. 8 EVRM. De voorzieningenrechter oordeelt dat art. 47 en 53 AWR de Belastingdienst een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Niet vereist is dat vooraf voor iedere individuele belastingplichtige concrete aanwijzingen bestaan; ook serievragen over een afgebakende categorie derden zijn toegestaan. De uitvraag betreft hier een vooraf bepaalde, inhoudelijk samenhangende groep – de leden van de businessclub gedurende een beperkt aantal fiscale jaren – en de Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gegevens relevant kunnen zijn voor onder meer de fiscale verwerking van kleding, shoptegoeden en deelname aan activiteiten. Van een fishing expedition of détournement de pouvoir is daarom geen sprake. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.

IT 5498

Uitspraak ingezonden door Jurre Reus, Marco Moeskops en Lucy de Graaf, Houthoff.

51 eisers niet-ontvankelijk in AVG-inzagevorderingen tegen Risepoint wegens vertegenwoordiging door Dynamiet Nederland

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IT 5498; C/09/697386 / HA ZA 26-52 (51 eisers tegen Risepoint Limited en Kindred Group Limited), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/51-eisers-niet-ontvankelijk-in-avg-inzagevorderingen-tegen-risepoint-wegens-vertegenwoordiging-door-dynamiet-nederland

Rb. Den Haag 2 september 2026, IT 5498,  C/09/697386 (51 eisers tegen Risepoint Limited en Kindred Group Limited). Een groep van 51 Nederlandse consumenten die vóór 1 oktober 2021 via Unibet deelnam aan door Risepoint geëxploiteerde online kansspelen, vordert op grond van artikel 15 AVG inzage in onder meer persoonsgegevens, contract- en accountgegevens, betaaltransacties en gegevens over hun gokgedrag. De vorderingen zijn na een zogenoemde spoorwissel uitsluitend nog tegen Risepoint gericht. De Rechtbank Den Haag acht zich bevoegd op grond van artikel 79 lid 2 AVG, omdat de eisers gewoonlijk in Nederland verblijven en Risepoint als verwerkingsverantwoordelijke geldt. Het beroep van Risepoint op Maltese regelgeving die onder omstandigheden beperkingen op AVG-rechten toestaat, staat niet zonder meer aan de inzagevorderingen in de weg. Ook naar Maltees recht kan het inzagerecht slechts worden beperkt als dat noodzakelijk en proportioneel is. Het enkele feit dat de gevraagde gegevens mogelijk worden gebruikt in een lopende of toekomstige procedure tegen Risepoint rechtvaardigt daarom niet automatisch een weigering. Risepoint heeft evenmin aangetoond dat sprake is van buitensporige inzageverzoeken die uitsluitend zijn gedaan om kunstmatig een AVG-schending te creëren.

IT 5488

Beide buren moeten camera verwijderen wegens ongerechtvaardigde privacy-inbreuk

Gerechtshof Amsterdam 28 jul 2026, IT 5488; ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 ([appellant] tegen [geïntimeerden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beide-buren-moeten-camera-verwijderen-wegens-ongerechtvaardigde-privacy-inbreuk

Hof Amsterdam 28 juli 2026, IT 5488; ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 ([appellant] tegen [geïntimeerden]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding dat zowel de camera van [appellant] als die van [geïntimeerden] een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Uitgangspunt is dat het bewoners in beginsel vrijstaat een camera te plaatsen ter bescherming van hun woning, perceel of eigendommen, maar dat deze vrijheid wordt begrensd door de privacy van anderen. Een camera mag daarom in beginsel niet tevens het perceel, de woning of de persoon van een ander in beeld brengen of kunnen brengen. Een dergelijke privacy-inbreuk is in beginsel onrechtmatig, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat; daarvoor moeten de ernst van de inbreuk en de belangen die met het cameratoezicht worden gediend tegen elkaar worden afgewogen. Bij de camera van [appellant] acht het hof voldoende aannemelijk dat deze, mede door de beweegbaarheid en bedieningsmogelijkheden, het perceel van [geïntimeerden] in beeld brengt of kan brengen. Het door [appellant] gestelde belang bij bescherming van haar perceel, eigendommen en katten rechtvaardigt deze inbreuk niet, omdat zij onvoldoende heeft toegelicht waarom de camera op één hoog moet hangen en niet op een minder privacy-inbreukmakende plaats kan worden bevestigd. Het bevel om haar camera te verwijderen en het verbod om camera’s zo te plaatsen dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel of de woning van [geïntimeerden], blijven daarom in stand.

IT 5495

LUMC mocht namen van onderzoekers in contracten met leveranciers van medische hulpmiddelen afschermen

Overige instanties 15 apr 2026, IT 5495; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (Het LUMC tegen [appellanten]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/lumc-mocht-namen-van-onderzoekers-in-contracten-met-leveranciers-van-medische-hulpmiddelen-afschermen

ABRvS 15 april 2026, IT 5495; LS&R 2457; ECLI:NL:RVS:2026:2096 (LUMC tegen [appellant sub 2]). In deze zaak tussen het LUMC en [appellant sub 2] staat een Wob-verzoek centraal over overeenkomsten tussen het ziekenhuis of daar werkzame zorgprofessionals en ondernemingen die medische hulpmiddelen produceren, verhandelen of daaraan gerelateerde diensten verrichten. Het verzoek ziet onder meer op consultancy-, dienstverlenings-, sprekers- en sponsorovereenkomsten en contracten zoals bedoeld in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen. Het LUMC heeft twintig documenten gevonden en deze gedeeltelijk openbaar gemaakt. De rechtbank Midden-Nederland oordeelde eerder dat het LUMC onvoldoende had gemotiveerd waarom namen en specialisaties van medewerkers waren weggelakt. Volgens de rechtbank kon bij hoogleraren en gerenommeerde onderzoekers of wetenschappers ervan worden uitgegaan dat zij uit hoofde van hun functie naar buiten treden. Ook vond de rechtbank dat het LUMC verschillende andere passages te generiek had afgeschermd. Voor gegevens over specifiek te onderzoeken of ontwikkelen producten, onderzoeksmethoden en financiële gegevens achtte de rechtbank geheimhouding wel gerechtvaardigd. In hoger beroep voert het LUMC aan dat niet iedere hoogleraar of onderzoeker vanwege zijn functie in de openbaarheid treedt. Volgens het LUMC moet worden gekeken naar de concrete situatie en naar de vraag of een medewerker daadwerkelijk als vertegenwoordiger van het ziekenhuis optreedt. De Afdeling volgt dit standpunt.

IT 5491

Geen verhoging dwangsom voor onrechtmatig plaatsen tracking cookies na oordeel bodemrechter

Gerechtshof Amsterdam 3 mrt 2026, IT 5491; ECLI:NL:GHAMS:2026:584 ([appellant] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-verhoging-dwangsom-voor-onrechtmatig-plaatsen-tracking-cookies-na-oordeel-bodemrechter

Hof Amsterdam 3 maart 2026, IT 5491; ECLI:NL:GHAMS:2026:584 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding over de vraag of de eerder aan [appellant] opgelegde dwangsom wegens het zonder toestemming plaatsen van tracking cookies op de apparaten van [geïntimeerde] moet worden verhoogd. In een eerder arrest van 5 december 2023 was [appellant] al geboden dit handelen te staken, op straffe van € 250 per dag of dagdeel tot maximaal € 25.000. In dat eerdere arrest was onder meer voldoende aannemelijk geacht dat tracking cookies zonder toestemming waren geplaatst en persoonsgegevens in strijd met de AVG waren verwerkt. Nadat [appellant] het maximum van € 25.000 had betaald, verhoogde de voorzieningenrechter de dwangsom tot € 500 per dag of dagdeel met een maximum van € 50.000. Ook in dit hoger beroep acht het hof voldoende aannemelijk dat het gebod nog niet volledig wordt nageleefd en dat het onrechtmatige gedrag zonder verdere maatregelen ook in de toekomst kan voortduren. Omdat het oorspronkelijke maximum al was betaald, ging van die dwangsom bovendien geen verdere prikkel tot nakoming meer uit.

IT 5492

Hof Amsterdam: LinkedIn verbeurt maximale dwangsom wegens plaatsing li_gc-cookie

Gerechtshof Amsterdam 4 aug 2026, IT 5492; ECLI:NL:GHAMS:2026:2154 (LinkedIn tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-linkedin-verbeurt-maximale-dwangsom-wegens-plaatsing-li-gc-cookie

Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IT 5492; ECLI:NL:GHAMS:2026:2154 (LinkedIn tegen [geïntimeerde]. Het hof bekrachtigt het vonnis in een executiegeschil tussen LinkedIn en een gebruiker over het plaatsen van cookies. In een kortgedingvonnis uit 2024 was LinkedIn geboden om het zonder toestemming (doen) plaatsen of uitlezen van trackingcookies of andere cookies waarvoor toestemming is vereist op de apparaten van de gebruiker te staken, op straffe van dwangsommen. Volgens de gebruiker heeft LinkedIn dit gebod overtreden door onder meer de cookies bcookie en li_gc te plaatsen. Het hof oordeelt dat het gebod niet is beperkt tot één specifieke cookie, maar in beginsel iedere trackingcookie of andere toestemmingsplichtige cookie omvat. De bcookie valt echter niet onder het gebod, omdat in het vonnis uit 2024 onvoldoende aannemelijk was geacht dat voor deze cookie toestemming was vereist. De li_gc-cookie kan wel onder het gebod vallen.

IT 5484

Skytree gebonden aan opdracht voor eerste set camera’s door schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

Rechtbank Amsterdam 26 aug 2026, IT 5484; ECLI:NL:RBAMS:2026:8428 ([eiser] tegen Skytree), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/skytree-gebonden-aan-opdracht-voor-eerste-set-camera-s-door-schijn-van-vertegenwoordigingsbevoegdheid

Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, IT 5484; ECLI:NL:RBAMS:2026:8428 ([eiser] tegen Skytree). De rechtbank oordeelt dat tussen [eiser] en Skytree een overeenkomst tot stand is gekomen voor de eerste set van vier camera’s, hoewel de medewerker die de opdracht gaf formeel niet bevoegd was Skytree te vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW mocht [eiser] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs vertrouwen op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake was van een urgente opdracht, dat verschillende relevante medewerkers van Skytree bij de e-mailwisseling waren betrokken, dat [eiser] overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze een offerte aan de inkoper had gestuurd en dat hij bij eerdere urgente opdrachten vaker al met werkzaamheden was begonnen voordat het interne PR-traject volledig was afgerond, waarna Skytree zijn facturen betaalde. Voor de tweede set camera’s geldt dit niet. De urgentie was toen verminderd, de opdracht was gewijzigd en omvangrijker geworden en kwam van een medewerker van wie [eiser] niet eerder opdrachten had gekregen. Omdat [eiser] bovendien bekend was met het formele PR-traject, had hij vóór aanvang van deze tweede opdracht moeten controleren of deze door Skytree was goedgekeurd. Skytree is daarom alleen gehouden de werkzaamheden voor de eerste set te betalen.