Skytree gebonden aan opdracht voor eerste set camera’s door schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Rb. Amsterdam 26 augustus 2026, IT 5484; ECLI:NL:RBAMS:2026:8428 ([eiser] tegen Skytree). De rechtbank oordeelt dat tussen [eiser] en Skytree een overeenkomst tot stand is gekomen voor de eerste set van vier camera’s, hoewel de medewerker die de opdracht gaf formeel niet bevoegd was Skytree te vertegenwoordigen. Op grond van artikel 3:61 lid 2 BW mocht [eiser] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs vertrouwen op diens vertegenwoordigingsbevoegdheid. Daarbij acht de rechtbank van belang dat sprake was van een urgente opdracht, dat verschillende relevante medewerkers van Skytree bij de e-mailwisseling waren betrokken, dat [eiser] overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze een offerte aan de inkoper had gestuurd en dat hij bij eerdere urgente opdrachten vaker al met werkzaamheden was begonnen voordat het interne PR-traject volledig was afgerond, waarna Skytree zijn facturen betaalde. Voor de tweede set camera’s geldt dit niet. De urgentie was toen verminderd, de opdracht was gewijzigd en omvangrijker geworden en kwam van een medewerker van wie [eiser] niet eerder opdrachten had gekregen. Omdat [eiser] bovendien bekend was met het formele PR-traject, had hij vóór aanvang van deze tweede opdracht moeten controleren of deze door Skytree was goedgekeurd. Skytree is daarom alleen gehouden de werkzaamheden voor de eerste set te betalen.