Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over bewaarplicht van pasfoto's, biometrische gegevens en de AVG
HR 12 juni 2026, IT&Recht 5331; ECLI:NL:HR:2026:921 ([de kaarthoudster] tegen ICS). In deze zaak tussen [de kaarthoudster] en International Card Services B.V. (ICS) staat de vraag centraal of International Card Services (ICS) de creditcardovereenkomst met [de kaarthoudster] mocht opzeggen nadat zij had geweigerd mee te werken aan een nieuwe online-identificatie op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Voor deze identificatie diende zij een foto van haar identiteitsbewijs en een selfie aan te leveren. [de kaarthoudster] verzette zich tegen deze werkwijze omdat ICS de foto's zou opslaan. Volgens haar is sprake van verwerking van biometrische gegevens en ontbreekt een toereikende wettelijke grondslag voor het bewaren van deze foto's. Het hof oordeelde eerder dat ICS de overeenkomst mocht opzeggen. Volgens het hof was de online-identificatie noodzakelijk om te voldoen aan de verplichtingen uit de Wwft en vormt het enkele opslaan van een foto geen verwerking van biometrische gegevens in de zin van de AVG, omdat daarvoor specifieke technische verwerking nodig is waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. In cassatie ziet de Hoge Raad aanleiding om op meerdere punten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De Hoge Raad stelt voorop dat de zaak draait om de afweging tussen enerzijds de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese anti-witwasregelgeving en anderzijds het recht op bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer zoals gewaarborgd door de AVG, het Handvest en het EVRM. Omdat deze afweging in belangrijke mate afhankelijk is van de uitleg van Unierecht, acht de Hoge Raad beantwoording door het Hof van Justitie noodzakelijk. Een eerste vraag betreft de kwalificatie van foto's als biometrische gegevens. De Hoge Raad overweegt dat uit de tekst van artikel 4, onder 14, AVG en overweging 51 van de AVG volgt dat een gewone foto niet zonder meer een biometrisch gegeven vormt. Daarvoor is vereist dat de foto wordt onderworpen aan een specifieke technische verwerking waarmee een persoon uniek kan worden geïdentificeerd of geauthentiseerd. De foto vormt dan de bron waaruit biometrische gegevens kunnen worden afgeleid, maar is niet zonder meer zelf een biometrisch gegeven. De Hoge Raad wijst er echter op dat een recent arrest van het Hof van Justitie aanleiding geeft om hierover alsnog prejudiciële vragen te stellen.