Prejudiciële vragen gesteld in zaak tussen ACM en Samsung
CBb 3 februari 2026, IT 5102; ECLI:NL:CBB:2026:34 (Samsung tegen ACM). Het geschil betreft de vraag of de ACM terecht aan Samsung een boete van €39.875.500 heeft opgelegd wegens het vaststellen van online wederverkoopprijzen van Samsung-televisies door zeven detailhandelaren in de periode van 9 januari 2013 tot en met 7 december 2018. De ACM startte haar onderzoek naar aanleiding van signalen en verklaringen van detailhandelaren en concludeerde dat Samsung artikel 6 van de Mededingingswet en artikel 101 VWEU had overtreden. Volgens de ACM heeft Samsung door diverse gedragingen structureel invloed uitgeoefend op de online verkoopprijzen, met als doel de prijsconcurrentie tussen detailhandelaren te beperken. De ACM kwalificeerde deze gedragingen als een enkele voortdurende inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking, zodat onderzoek naar daadwerkelijke mededingingsgevolgen niet nodig werd geacht. De rechtbank heeft het beroep van Samsung ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBROT:2023:10490). Er was sprake van verticale prijsafstemming in de vorm van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging, die naar haar aard de mededinging beperkte. Dat geen sprake was van contractuele dwang of financiële prikkels, stond volgens de rechtbank niet in de weg aan deze kwalificatie. De opgelegde boete werd passend en geboden geacht.