DOSSIERS
Alle dossiers

Contractenrecht  

IT 5366

Dynamisch streamingaanbod kwalificeert als digitale dienst

HvJ EU 9 jul 2026,, IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich Fernsehen GmbH tegen Verein für Konsumenteninformation), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/dynamisch-streamingaanbod-kwalificeert-als-digitale-dienst

HvJ EU 9 juli 2026, RB 4061; IT 5366; ECLI:EU:C:2026:556 (Sky Österreich tegen Verein für Konsumenteninformation). Sky Österreich biedt streamingabonnementen aan waarmee consumenten via een hyperlink of applicatie televisieprogramma’s live, op aanvraag en in bepaalde gevallen na download offline kunnen bekijken. Bij het online afsluiten van een abonnement moeten consumenten ermee instemmen dat Sky al tijdens de herroepingstermijn met de uitvoering begint en erkennen dat zij daardoor hun herroepingsrecht verliezen. De Oostenrijkse consumentenorganisatie VKI bestrijdt dit beding. Volgens VKI is het streamingabonnement geen levering van digitale inhoud, maar een digitale dienst. De uitzondering op het herroepingsrecht voor niet op een materiële drager geleverde digitale inhoud uit artikel 16, eerste alinea, onder m), van Richtlijn 2011/83 zou daarom niet van toepassing zijn.

IT 5359

Kantonrechter toetst ambtshalve bestelknop, informatieplichten en mogelijk oneerlijke ontbindingsbedingen bij fietslease

Rechtbank Noord-Holland 2 jul 2026,, IT 5359; ECLI:NL:RBNHO:2026:8051 (Friesland Lease B.V. tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kantonrechter-toetst-ambtshalve-bestelknop-informatieplichten-en-mogelijk-oneerlijke-ontbindingsbedingen-bij-fietslease

Rb. Noord-Holland 2 juli 2026, IT 5359; ECLI:NL:RBNHO:2026:8051 (Friesland Lease B.V. tegen [gedaagde]). Friesland Lease vordert in een verstekprocedure betaling van € 3.626,39 van een consument, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en proceskosten, op grond van een op afstand gesloten leaseovereenkomst. Ook wanneer de consument niet verschijnt, moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of de handelaar heeft voldaan aan de consumentenrechtelijke informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW. Uit de stukken blijkt niet of de consument de overeenkomst heeft gesloten via een bestelknop of een soortgelijke functie en, zo ja, welke tekst daarop stond. Voor de beoordeling of aan artikel 6:230v lid 3 BW is voldaan, mag uitsluitend worden gekeken naar de woorden op de knop waarmee het bestelproces wordt afgerond. Uit die woorden moet ondubbelzinnig blijken dat het aanklikken een betalingsverplichting meebrengt. Friesland Lease krijgt daarom de gelegenheid hierover nadere informatie te verstrekken. Daarnaast heeft zij onvoldoende aangetoond dat de consument vóór het sluiten van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is geïnformeerd over de wijze van levering, het herroepingsrecht en de verplichting om bij uitoefening daarvan redelijke kosten te vergoeden. Het opnemen van die informatie in de algemene voorwaarden is onvoldoende wanneer de consument er vooraf niet ten minste uitdrukkelijk op is gewezen dat de informatie daarin staat. Ook het na het sluiten van de overeenkomst verstrekte contractuele afschrift bevatte deze informatie niet volledig. De kantonrechter kondigt aan dat aan deze schendingen een sanctie zal worden verbonden, maar bepaalt in dit tussenvonnis nog niet welke sanctie dat zal zijn.

IT 5339

HvJ EU: consumentenbescherming bij online CFD‑platforms blijft gelden voor uitvoeringsbedingen

HvJ EU 6 jul 2026,, IT 5339; ECLI:EU:C:2026:500 (FIBO Markets tegen J.P.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-consumentenbescherming-bij-online-cfd-platforms-blijft-gelden-voor-uitvoeringsbedingen

HvJ EU 18 juni 2026, IT 5339; ECLI:EU:C:2026:500 (FIBO Markets tegen J.P.). In deze zaak tussen FIBO Markets en J.P. staat de vraag centraal of bedingen in een raamovereenkomst over het aannemen, verwerken en uitvoeren van een order voor een contract for differences (CFD) vallen onder de uitzondering voor financiële instrumenten in artikel 6, lid 4, onder d, van de Rome I-verordening. Het Hof van Justitie oordeelt dat alleen de rechten en verplichtingen die het financiële instrument zelf vormen onder die uitzondering vallen. Contractuele bedingen over de technische verwerking en uitvoering van een order, zoals bedingen die de aanbieder de mogelijkheid geven een order niet of onder andere voorwaarden uit te voeren, blijven daarbuiten en kunnen daarom onder de consumentenbescherming van artikel 6 van de Rome I-verordening vallen. J.P., een consument uit Tsjechië, sloot online een raamovereenkomst met de Cypriotische beleggingsonderneming FIBO Markets om via een handelsplatform in CFD's te handelen. In de overeenkomst was bepaald dat FIBO bij technische problemen een order niet hoefde uit te voeren of deze tegen een andere koers mocht uitvoeren. Nadat een kooporder met een vertraging van zestien seconden was uitgevoerd, stelde J.P. winst te zijn misgelopen en vorderde zij schadevergoeding. Voor de verwijzende rechter stond centraal of het Cypriotische recht (op basis van het rechtskeuzebeding) of het Tsjechische consumentenrecht toepasselijk was op de raamovereenkomst en de CFD‑transactie. Het Hof stelt voorop dat artikel 6 van de Rome I-verordening consumenten beschermt door in beginsel het recht van hun gewone verblijfplaats van toepassing te verklaren zodra een professionele partij haar activiteiten op die lidstaat richt. De uitzondering voor rechten en verplichtingen die een financieel instrument vormen moet daarom strikt worden uitgelegd.

IT 5307

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026,, IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

IT 5305

Geen ontbinding van softwarelicentieovereenkomst: licentiegever niet verantwoordelijk voor mislukte implementatie door derde

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026,, IT 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-ontbinding-van-softwarelicentieovereenkomst-licentiegever-niet-verantwoordelijk-voor-mislukte-implementatie-door-derde

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IT&R 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]). De Rechtbank Midden-Nederland wijst de vorderingen van een zakelijke afnemer van softwarelicenties af, omdat de licentiegever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de licentieovereenkomst. Partijen hadden op 22 december 2023 een overeenkomst gesloten voor de afname van twintig softwarelicenties voor een looptijd van vijf jaar, van 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2029. Voor de implementatie van de software had de afnemer daarnaast een afzonderlijke overeenkomst gesloten met een implementatiepartner. Die implementatie duurde lang en mislukte uiteindelijk, waarna de afnemer nooit met de software is gaan werken en de licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbond. De rechtbank oordeelt echter uitsluitend over de verhouding tussen de afnemer en de licentiegever, omdat zij zich eerder onbevoegd had verklaard ten aanzien van het geschil met de implementatiepartner. Uit de licentieovereenkomst volgde volgens de rechtbank alleen dat de licentiegever toegang tot de software moest verschaffen. Onvoldoende was onderbouwd dat de licentiegever daarnaast verantwoordelijk was voor de implementatie, voor het handelen van de implementatiepartner of voor een functionerend eindresultaat binnen de bedrijfsprocessen van de afnemer. Dat de licentiegever de implementatiepartner had aangedragen, maakt dat niet anders, omdat de afnemer twee afzonderlijke overeenkomsten met twee verschillende partijen had gesloten en als zakelijke partij, bijgestaan door een ervaren projectmanager, het verschil tussen licentieverlening en implementatie had moeten begrijpen.

IT 5294

A-G: oordeel over oneerlijkheid prijswijzigingsbeding Vattenfall berust op te beperkte toetsing

Hoge Raad 29 jun 2026,, IT 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541 (Vattenfall tegen [consument-afnemer]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-oordeel-over-oneerlijkheid-prijswijzigingsbeding-vattenfall-berust-op-te-beperkte-toetsing

Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2026, IT 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541(Vattenfall tegen [consument-afnemer]). A-G Valk concludeert in een cassatiezaak tussen Vattenfall en een consument over een prijswijzigingsbeding in een energieleveringsovereenkomst met variabel tarief. De kantonrechter en het hof Amsterdam hadden geoordeeld dat het prijswijzigingsbeding uit de Algemene Voorwaarden 2017 van Vattenfall oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, het beding vernietigd, Vattenfall verboden de tarieven per 1 april 2022 te verhogen en daarnaast voor recht verklaard dat Vattenfall zich schuldig had gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk door op haar website te vermelden dat variabele tarieven twee keer per jaar wijzigen. De A-G benadrukt dat de zaak een grote maatschappelijke uitstraling heeft, omdat het betrokken beding is ontleend aan de algemene voorwaarden van Energie-Nederland en vergelijkbare bedingen breed in de energiesector zijn gebruikt. Als de lijn van rechtbank en hof juist zou zijn, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor lopende en eerdere variabele energiecontracten, onder meer doordat tariefverhogingen mogelijk als onverschuldigd betaald zouden moeten worden teruggedraaid. De omvang van die gevolgen verandert volgens de A-G echter niets aan de toepasselijke regels van het consumentenrecht: als een beding oneerlijk is, moet de gebruiker daarvan de gevolgen dragen.

IT 5268

Kantonrechter: blokkade domeinnamen gerechtvaardigd wegens onbetaalde hostingfacturen

Rechtbank 22 apr 2026,, IT 5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kantonrechter-blokkade-domeinnamen-gerechtvaardigd-wegens-onbetaalde-hostingfacturen

Rb. Midden-Nederland 22 april 2026, IEF23545; IT5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak staat een geschil centraal tussen een webhosting- en onderhoudsbedrijf ([eiser]) en een ondernemer ([gedaagde]) over onbetaalde facturen voor technisch websiteonderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Tussen partijen bestond een overeenkomst op grond waarvan [eiser] technisch onderhoud verrichtte aan de websites van [gedaagde] en daarnaast zorgde voor webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Volgens [eiser] waren drie facturen – na een gedeeltelijke betaling op één daarvan – onbetaald gebleven, voor een totaalbedrag van € 373,97. Later vermeerderde [eiser] haar eis met een vierde factuur voor domeinregistratie na de datum waarop de overeenkomst was ontbonden. [gedaagde] erkende een deel van de facturen verschuldigd te zijn, maar voerde onder meer aan dat een abonnement al in februari 2024 zou zijn opgezegd en dat sommige facturen hem nooit hadden bereikt. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de vermeende opzeggingsbrief [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar artikel 3:37 lid 3 BW, waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft zodra deze de geadresseerde heeft bereikt. Omdat [gedaagde] niet kon aantonen dat de opzegging was verzonden of ontvangen, liep de overeenkomst door en bleef hij de abonnementskosten verschuldigd. Ook het verweer dat facturen niet zouden zijn ontvangen slaagt niet, nu de facturen later alsnog per e-mail zijn toegestuurd en ontvangst daarvan niet werd betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [gedaagde] na het verstrijken van de in de aanmaningen en ingebrekestellingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt, zodat wettelijke handelsrente verschuldigd is. Verder stond vast dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen een betalingsachterstand had laten ontstaan. De kantonrechter acht die tekortkoming ernstig genoeg om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [eiser] al sinds 2016 correspondeerde over onbetaalde facturen en dat ook na juridisch advies geen volledige betaling volgde.

IT 5236

Niet tijdig opgezegde ICT-beheerovereenkomst eindigt niet; opdrachtgever moet openstaande facturen betalen

Rechtbank Midden-Nederland 16 apr 2026,, IT 5236; ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres] tegen DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON (OPENBAAR LICHAAM OP BASIS VAN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING) HET UTRECHTS ARCHIEF), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/niet-tijdig-opgezegde-ict-beheerovereenkomst-eindigt-niet-opdrachtgever-moet-openstaande-facturen-betalen

Rb. Midden-Nederland 16 april 2025, IT 5236; ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres] tegen Het Utrechts Archief). De kantonrechter oordeelt dat de tussen [eiseres] B.V. en Het Utrechts Archief gesloten overeenkomst van opdracht voor ICT-diensten inzake werkplekkenbeheer niet per 1 maart 2024 is geëindigd en dus voor de in geschil zijnde periode is blijven doorlopen. De overeenkomst was op 1 maart 2021 ingegaan voor de duur van drie jaar en zou op grond van artikel 4.2 van de Nederland ICT Voorwaarden 2014 telkens stilzwijgend voor dezelfde duur worden verlengd, tenzij uiterlijk drie maanden voor het einde schriftelijk werd opgezegd. Het Utrechts Archief beriep zich op een e-mailwisseling van 13 november 2023 en stelde primair dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd, althans dat zij erop mocht vertrouwen dat [eiseres] daarmee instemde. Dat verweer faalt. De toezegging dat de lopende contracten met [eiseres] “automatisch” zouden worden stilgezet, was afkomstig van zusteronderneming [onderneming] en niet van [eiseres] zelf. Daarom slaagt noch een beroep op artikel 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen), noch op artikel 3:61 BW (schijn van volmacht), noch op artikel 3:37 lid 4 BW. Ook kan die e-mailwisseling niet als tijdige opzegging gelden, omdat daarin niet over opzegging wordt gesproken en uitsluitend tegenover [onderneming] is gesproken over het stilzetten van contracten met [eiseres]. Het latere beroep van Het Utrechts Archief op tussentijdse opzegging bij brief van 18 januari 2024 slaagt evenmin: de stelling dat het contractuele verbod op tussentijdse opzegging onredelijk bezwarend is, is onvoldoende onderbouwd, terwijl de kantonrechter bovendien meeweegt dat artikel 7:408 BW van regelend recht is en dus contractueel kan worden beperkt.

IT 5235

Geen toerekenbare tekortkoming bij oplevering webshop; openstaande factuur moet wel worden betaald

Rechtbank Midden-Nederland 29 okt 2025,, IT 5235; ECLI:NL:RBMNE:2025:6381 (NAILBAR B.V. tegen [onderneming]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-toerekenbare-tekortkoming-bij-oplevering-webshop-openstaande-factuur-moet-wel-worden-betaald

Rb. Midden-Nederland 29 oktober 2025, IT 5235; ECLI:NL:RBMNE:2025:6381 (Nailbar tegen [onderneming]). De rechtbank oordeelt dat [onderneming] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Nailbar B.V. over de bouw van een nieuwe Shopify-webshop. Nailbar voerde aan dat de webshop te laat was opgeleverd, dat data onvolledig waren overgezet, dat prijzen niet juist werden weergegeven, dat een B2B-functie ontbrak en dat de Google-positie van de oude webshop niet was behouden. De rechtbank maakt daarbij een belangrijk onderscheid. Alleen ten aanzien van de opleverdatum staat een tekortkoming vast: partijen hadden afgesproken dat de webshop op 14 december 2023 live zou gaan, maar dat gebeurde pas in april 2024. Die tekortkoming kan [onderneming] echter volgens de rechtbank niet worden toegerekend, omdat het geautomatiseerd overzetten van de data onmogelijk bleek door fouten in de oude webshop van Nailbar. Gelet op de overeengekomen prijs van € 2.999 exclusief btw, de omvang van de oude webshop met ruim 4.000 artikelen, het bericht van TNA dat dit soort Shopify-sets normaliter grotendeels standaardwerk betrof, en het feit dat Nailbar vervolgens zelf is begonnen met het controleren en corrigeren van data in een Excelbestand, mocht Nailbar redelijkerwijs niet verwachten dat [onderneming] alle foutieve data handmatig zou controleren, corrigeren en binnen enkele weken zou overzetten. Ook bestond volgens de rechtbank geen onderzoeksplicht voor [onderneming] om vóór het sluiten van de overeenkomst de oude webshop op zulke fouten te onderzoeken.

IT 5234

Aanbestedingen softwarelicenties en dienstverlening moeten worden gestaakt wegens disproportionele voorwaarden

Rechtbank Den Haag 23 dec 2025,, IT 5234; ECLI:NL:RBDHA:2025:27115 (Protinus tegen de Staat, met SoftwareONE als tussenkomende partij en Dustin aan de kant van Protinus), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/aanbestedingen-softwarelicenties-en-dienstverlening-moeten-worden-gestaakt-wegens-disproportionele-voorwaarden

Rb. Den Haag 23 december 2025, IT 5234; ECLI:NL:RBDHA:2025:27115 (Protinus tegen de Staat). De voorzieningenrechter van de rechtbank oordeelt dat de Staat de aanbestedingsprocedures EAP2025 MJenV en EAP2025 MinDef moet staken en gestaakt houden totdat de aanbestedingsvoorwaarden zodanig zijn gewijzigd dat niet langer sprake is van disproportionele voorwaarden en de procedures ook overigens aan de geldende wet- en regelgeving voldoen. Het geschil speelde in het bijzonder rond perceel 2, waarop Protinus, Dustin, SoftwareONE en Computacenter hadden ingeschreven en dat ziet op standaardprogrammatuur van andere vendoren dan Microsoft en daaraan gerelateerde dienstverlening. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanbestedende dienst weliswaar vrijheid heeft bij het inrichten van de aanbesteding, maar dat die vrijheid wordt begrensd door onder meer artikel 1.10 Aw 2012, de Gids Proportionaliteit en de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht. Vervolgens volgt de voorzieningenrechter de resellers in hun uitleg van de aanbestedingsstukken: de Staat vraagt in wezen een sublicentiemodel uit, waarbij de reseller zelf een licentie van de vendor moet verkrijgen en vervolgens aan de deelnemer een sublicentie verstrekt. De Staat heeft echter onvoldoende met deugdelijk marktonderzoek onderbouwd dat vendoren bereid zijn aan dat model mee te werken. Daartegenover hebben Protinus en SoftwareONE verklaringen van tientallen vendoren overgelegd waaruit juist blijkt dat veel vendoren niet bereid zijn sublicentiëring toe te staan. Daarom moet er voorshands van worden uitgegaan dat een aanzienlijk deel van de vendoren niet aan het uitgevraagde model wil meewerken, zodat resellers na inschrijving in beginsel mogelijk niet kunnen leveren waartoe zij gehouden zullen zijn. Dat maakt de uitvraag in haar huidige vorm disproportioneel.

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 1 - 10 van 35