DOSSIERS
Alle dossiers

Contractenrecht  

IT 5307

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026, IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://itenrecht.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

IT 5305

Geen ontbinding van softwarelicentieovereenkomst: licentiegever niet verantwoordelijk voor mislukte implementatie door derde

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026, IT 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-ontbinding-van-softwarelicentieovereenkomst-licentiegever-niet-verantwoordelijk-voor-mislukte-implementatie-door-derde

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IT&R 5305; ECLI:NL:RBMNE:2026:3082 ([eiseres] tegen [gedaagde sub 1] en [handelsnaam]). De Rechtbank Midden-Nederland wijst de vorderingen van een zakelijke afnemer van softwarelicenties af, omdat de licentiegever niet is tekortgeschoten in de nakoming van de licentieovereenkomst. Partijen hadden op 22 december 2023 een overeenkomst gesloten voor de afname van twintig softwarelicenties voor een looptijd van vijf jaar, van 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2029. Voor de implementatie van de software had de afnemer daarnaast een afzonderlijke overeenkomst gesloten met een implementatiepartner. Die implementatie duurde lang en mislukte uiteindelijk, waarna de afnemer nooit met de software is gaan werken en de licentieovereenkomst buitengerechtelijk ontbond. De rechtbank oordeelt echter uitsluitend over de verhouding tussen de afnemer en de licentiegever, omdat zij zich eerder onbevoegd had verklaard ten aanzien van het geschil met de implementatiepartner. Uit de licentieovereenkomst volgde volgens de rechtbank alleen dat de licentiegever toegang tot de software moest verschaffen. Onvoldoende was onderbouwd dat de licentiegever daarnaast verantwoordelijk was voor de implementatie, voor het handelen van de implementatiepartner of voor een functionerend eindresultaat binnen de bedrijfsprocessen van de afnemer. Dat de licentiegever de implementatiepartner had aangedragen, maakt dat niet anders, omdat de afnemer twee afzonderlijke overeenkomsten met twee verschillende partijen had gesloten en als zakelijke partij, bijgestaan door een ervaren projectmanager, het verschil tussen licentieverlening en implementatie had moeten begrijpen.

IT 5294

A-G: oordeel over oneerlijkheid prijswijzigingsbeding Vattenfall berust op te beperkte toetsing

Hoge Raad 29 jun 2026, IT 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541 (Vattenfall tegen [consument-afnemer]), https://itenrecht.nl/artikelen/a-g-oordeel-over-oneerlijkheid-prijswijzigingsbeding-vattenfall-berust-op-te-beperkte-toetsing

Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2026, IT&R 5294; ECLI:NL:PHR:2026:541(Vattenfall tegen [consument-afnemer]). A-G Valk concludeert in een cassatiezaak tussen Vattenfall en een consument over een prijswijzigingsbeding in een energieleveringsovereenkomst met variabel tarief. De kantonrechter en het hof Amsterdam hadden geoordeeld dat het prijswijzigingsbeding uit de Algemene Voorwaarden 2017 van Vattenfall oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13, het beding vernietigd, Vattenfall verboden de tarieven per 1 april 2022 te verhogen en daarnaast voor recht verklaard dat Vattenfall zich schuldig had gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk door op haar website te vermelden dat variabele tarieven twee keer per jaar wijzigen. De A-G benadrukt dat de zaak een grote maatschappelijke uitstraling heeft, omdat het betrokken beding is ontleend aan de algemene voorwaarden van Energie-Nederland en vergelijkbare bedingen breed in de energiesector zijn gebruikt. Als de lijn van rechtbank en hof juist zou zijn, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor lopende en eerdere variabele energiecontracten, onder meer doordat tariefverhogingen mogelijk als onverschuldigd betaald zouden moeten worden teruggedraaid. De omvang van die gevolgen verandert volgens de A-G echter niets aan de toepasselijke regels van het consumentenrecht: als een beding oneerlijk is, moet de gebruiker daarvan de gevolgen dragen.

IT 5268

Kantonrechter: blokkade domeinnamen gerechtvaardigd wegens onbetaalde hostingfacturen

Rechtbank 22 apr 2026, IT 5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://itenrecht.nl/artikelen/kantonrechter-blokkade-domeinnamen-gerechtvaardigd-wegens-onbetaalde-hostingfacturen

Rb. Midden-Nederland 22 april 2026, IEF23545; IT5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak staat een geschil centraal tussen een webhosting- en onderhoudsbedrijf ([eiser]) en een ondernemer ([gedaagde]) over onbetaalde facturen voor technisch websiteonderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Tussen partijen bestond een overeenkomst op grond waarvan [eiser] technisch onderhoud verrichtte aan de websites van [gedaagde] en daarnaast zorgde voor webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Volgens [eiser] waren drie facturen – na een gedeeltelijke betaling op één daarvan – onbetaald gebleven, voor een totaalbedrag van € 373,97. Later vermeerderde [eiser] haar eis met een vierde factuur voor domeinregistratie na de datum waarop de overeenkomst was ontbonden. [gedaagde] erkende een deel van de facturen verschuldigd te zijn, maar voerde onder meer aan dat een abonnement al in februari 2024 zou zijn opgezegd en dat sommige facturen hem nooit hadden bereikt. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de vermeende opzeggingsbrief [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar artikel 3:37 lid 3 BW, waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft zodra deze de geadresseerde heeft bereikt. Omdat [gedaagde] niet kon aantonen dat de opzegging was verzonden of ontvangen, liep de overeenkomst door en bleef hij de abonnementskosten verschuldigd. Ook het verweer dat facturen niet zouden zijn ontvangen slaagt niet, nu de facturen later alsnog per e-mail zijn toegestuurd en ontvangst daarvan niet werd betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [gedaagde] na het verstrijken van de in de aanmaningen en ingebrekestellingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt, zodat wettelijke handelsrente verschuldigd is. Verder stond vast dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen een betalingsachterstand had laten ontstaan. De kantonrechter acht die tekortkoming ernstig genoeg om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [eiser] al sinds 2016 correspondeerde over onbetaalde facturen en dat ook na juridisch advies geen volledige betaling volgde.

IT 5236

Niet tijdig opgezegde ICT-beheerovereenkomst eindigt niet; opdrachtgever moet openstaande facturen betalen

Rechtbank Midden-Nederland 16 apr 2026, IT 5236; ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres] tegen DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON (OPENBAAR LICHAAM OP BASIS VAN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING) HET UTRECHTS ARCHIEF), https://itenrecht.nl/artikelen/niet-tijdig-opgezegde-ict-beheerovereenkomst-eindigt-niet-opdrachtgever-moet-openstaande-facturen-betalen

Rb. Midden-Nederland 16 april 2025, IT 5236; ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres] tegen Het Utrechts Archief). De kantonrechter oordeelt dat de tussen [eiseres] B.V. en Het Utrechts Archief gesloten overeenkomst van opdracht voor ICT-diensten inzake werkplekkenbeheer niet per 1 maart 2024 is geëindigd en dus voor de in geschil zijnde periode is blijven doorlopen. De overeenkomst was op 1 maart 2021 ingegaan voor de duur van drie jaar en zou op grond van artikel 4.2 van de Nederland ICT Voorwaarden 2014 telkens stilzwijgend voor dezelfde duur worden verlengd, tenzij uiterlijk drie maanden voor het einde schriftelijk werd opgezegd. Het Utrechts Archief beriep zich op een e-mailwisseling van 13 november 2023 en stelde primair dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden was geëindigd, althans dat zij erop mocht vertrouwen dat [eiseres] daarmee instemde. Dat verweer faalt. De toezegging dat de lopende contracten met [eiseres] “automatisch” zouden worden stilgezet, was afkomstig van zusteronderneming [onderneming] en niet van [eiseres] zelf. Daarom slaagt noch een beroep op artikel 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen), noch op artikel 3:61 BW (schijn van volmacht), noch op artikel 3:37 lid 4 BW. Ook kan die e-mailwisseling niet als tijdige opzegging gelden, omdat daarin niet over opzegging wordt gesproken en uitsluitend tegenover [onderneming] is gesproken over het stilzetten van contracten met [eiseres]. Het latere beroep van Het Utrechts Archief op tussentijdse opzegging bij brief van 18 januari 2024 slaagt evenmin: de stelling dat het contractuele verbod op tussentijdse opzegging onredelijk bezwarend is, is onvoldoende onderbouwd, terwijl de kantonrechter bovendien meeweegt dat artikel 7:408 BW van regelend recht is en dus contractueel kan worden beperkt.

IT 5235

Geen toerekenbare tekortkoming bij oplevering webshop; openstaande factuur moet wel worden betaald

Rechtbank Midden-Nederland 29 okt 2025, IT 5235; ECLI:NL:RBMNE:2025:6381 (NAILBAR B.V. tegen [onderneming]), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-toerekenbare-tekortkoming-bij-oplevering-webshop-openstaande-factuur-moet-wel-worden-betaald

Rb. Midden-Nederland 29 oktober 2025, IT 5235; ECLI:NL:RBMNE:2025:6381 (Nailbar tegen [onderneming]). De rechtbank oordeelt dat [onderneming] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Nailbar B.V. over de bouw van een nieuwe Shopify-webshop. Nailbar voerde aan dat de webshop te laat was opgeleverd, dat data onvolledig waren overgezet, dat prijzen niet juist werden weergegeven, dat een B2B-functie ontbrak en dat de Google-positie van de oude webshop niet was behouden. De rechtbank maakt daarbij een belangrijk onderscheid. Alleen ten aanzien van de opleverdatum staat een tekortkoming vast: partijen hadden afgesproken dat de webshop op 14 december 2023 live zou gaan, maar dat gebeurde pas in april 2024. Die tekortkoming kan [onderneming] echter volgens de rechtbank niet worden toegerekend, omdat het geautomatiseerd overzetten van de data onmogelijk bleek door fouten in de oude webshop van Nailbar. Gelet op de overeengekomen prijs van € 2.999 exclusief btw, de omvang van de oude webshop met ruim 4.000 artikelen, het bericht van TNA dat dit soort Shopify-sets normaliter grotendeels standaardwerk betrof, en het feit dat Nailbar vervolgens zelf is begonnen met het controleren en corrigeren van data in een Excelbestand, mocht Nailbar redelijkerwijs niet verwachten dat [onderneming] alle foutieve data handmatig zou controleren, corrigeren en binnen enkele weken zou overzetten. Ook bestond volgens de rechtbank geen onderzoeksplicht voor [onderneming] om vóór het sluiten van de overeenkomst de oude webshop op zulke fouten te onderzoeken.

IT 5234

Aanbestedingen softwarelicenties en dienstverlening moeten worden gestaakt wegens disproportionele voorwaarden

Rechtbank Den Haag 23 dec 2025, IT 5234; ECLI:NL:RBDHA:2025:27115 (Protinus tegen de Staat, met SoftwareONE als tussenkomende partij en Dustin aan de kant van Protinus), https://itenrecht.nl/artikelen/aanbestedingen-softwarelicenties-en-dienstverlening-moeten-worden-gestaakt-wegens-disproportionele-voorwaarden

Rb. Den Haag 23 december 2025, IT 5234; ECLI:NL:RBDHA:2025:27115 (Protinus tegen de Staat). De voorzieningenrechter van de rechtbank oordeelt dat de Staat de aanbestedingsprocedures EAP2025 MJenV en EAP2025 MinDef moet staken en gestaakt houden totdat de aanbestedingsvoorwaarden zodanig zijn gewijzigd dat niet langer sprake is van disproportionele voorwaarden en de procedures ook overigens aan de geldende wet- en regelgeving voldoen. Het geschil speelde in het bijzonder rond perceel 2, waarop Protinus, Dustin, SoftwareONE en Computacenter hadden ingeschreven en dat ziet op standaardprogrammatuur van andere vendoren dan Microsoft en daaraan gerelateerde dienstverlening. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanbestedende dienst weliswaar vrijheid heeft bij het inrichten van de aanbesteding, maar dat die vrijheid wordt begrensd door onder meer artikel 1.10 Aw 2012, de Gids Proportionaliteit en de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht. Vervolgens volgt de voorzieningenrechter de resellers in hun uitleg van de aanbestedingsstukken: de Staat vraagt in wezen een sublicentiemodel uit, waarbij de reseller zelf een licentie van de vendor moet verkrijgen en vervolgens aan de deelnemer een sublicentie verstrekt. De Staat heeft echter onvoldoende met deugdelijk marktonderzoek onderbouwd dat vendoren bereid zijn aan dat model mee te werken. Daartegenover hebben Protinus en SoftwareONE verklaringen van tientallen vendoren overgelegd waaruit juist blijkt dat veel vendoren niet bereid zijn sublicentiëring toe te staan. Daarom moet er voorshands van worden uitgegaan dat een aanzienlijk deel van de vendoren niet aan het uitgevraagde model wil meewerken, zodat resellers na inschrijving in beginsel mogelijk niet kunnen leveren waartoe zij gehouden zullen zijn. Dat maakt de uitvraag in haar huidige vorm disproportioneel.

IT 5233

Geen ontbinding van licentie- en implementatieovereenkomsten, wel rechtsgeldige opzegging

Rechtbank Overijssel 16 apr 2026, IT 5233; ECLI:NL:RBOVE:2025:2459 (MST tegen Solix), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-ontbinding-van-licentie-en-implementatieovereenkomsten-wel-rechtsgeldige-opzegging

Rb. Overijssel 16 april 2025, IT 5233; ECLI:NL:RBOVE:2025:2459 (MST tegen Solix). De rechtbank oordeelt dat MST de drie met Solix gesloten overeenkomsten, een softwarelicentieovereenkomst, SOW I voor installatie en configuratie en SOW II voor inrichting en datamigratie, niet rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden per 1 februari 2022. Volgens de rechtbank zijn in SOW I en SOW II geen fatale termijnen overeengekomen: de in SOW I genoemde “2 Weeks Remote QuickStart Services” is daarvoor onvoldoende, terwijl in SOW II juist uitdrukkelijk is vermeld dat de genoemde data slechts illustratief zijn en geen bindende einddata vormen. Ook de in de offerteaanvraag genoemde Go-Live-datum van 3 december 2021 is niet als contractuele fatale termijn overeengekomen. De overige door MST gestelde tekortkomingen leiden evenmin tot ontbinding. Dat Solix vertraging en gebrekkige communicatie deels heeft erkend, betekent volgens de rechtbank niet dat sprake is van een tekortkoming van voldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen, mede omdat sprake was van een gezamenlijk project, MST de door Solix genoemde oorzaken van vertraging aan haar zijde niet afdoende heeft weerlegd, de door MST gestelde extra kosten en technische onkunde onvoldoende zijn onderbouwd en Solix bovendien een plan van aanpak had gepresenteerd om het project af te ronden. Ook ontbreekt verzuim, omdat geen ingebrekestelling is verzonden en uit de omstandigheden niet volgt dat Solix niet meer zou nakomen of dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk was. De rechtbank wijst daarom zowel de primaire als de subsidiaire ontbindingsvorderingen af.

IT 5232

Softwareontwikkelopdracht tussentijds geëindigd: geen tekortkoming, wel nadere beoordeling redelijk loon ex art. 7:411 BW

Rechtbank Midden-Nederland 15 jan 2025, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/softwareontwikkelopdracht-tussentijds-geeindigd-geen-tekortkoming-wel-nadere-beoordeling-redelijk-loon-ex-art-7-411-bw

Rb. Midden-Nederland 15 januari 2025, IT 5232; ECLI:NL:RBMNE:2025:84 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht gold voor de ontwikkeling van de applicatie One Invoice, en dat niet is komen vast te staan dat de later toegezonden aangepaste offerte van 19 oktober 2022 door [eiseres] is aanvaard; daarom blijft de oorspronkelijke opdrachtbevestiging maatgevend. De rechtbank verwerpt vervolgens de primaire grondslag van [eiseres] dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten. Niet is bewezen dat een betaversie in januari 2022 moest zijn opgeleverd, en voor zover van vertraging sprake was, hing die samen met de ziekte van ontwikkelaar [A], waarvoor [eiseres] destijds begrip had getoond. Ook het door [eiseres] ingebrachte ICT-rapport levert geen bewijs van tekortkoming op: de daarin gestelde vragen zien op wat is opgeleverd, de bruikbaarheid daarvan voor een derde en de economische waarde ervan, maar niet op de juridisch beslissende maatstaf of [gedaagde] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend opdrachtnemer mag worden verwacht. Verder geldt dat partijen een vaste prijs waren overeengekomen en géén afspraken hadden gemaakt over concrete tussenstadia van het werk of de opeisbaarheid van delen van die prijs; daarom kan een eventuele discrepantie tussen de economische waarde van het tussenresultaat en het reeds betaalde bedrag op zichzelf geen tekortkoming opleveren. De door [eiseres] ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding is dus ten onrechte ingeroepen, en ook haar omzettingsverklaring ex art. 6:87 BW blijft zonder rechtsgevolg.

IT 5230

Schade na crypto-investeringen niet aangetoond

Gerechtshof Amsterdam 14 apr 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://itenrecht.nl/artikelen/schade-na-crypto-investeringen-niet-aangetoond

Hof Amsterdam 14 april 2026, IT 5230; ECLI:NL:GHAMS:2026:1035 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, omdat appellanten, na het tussenarrest van 3 juni 2025, onvoldoende hebben aangetoond dat zij als gevolg van de eerder aangenomen tekortkoming van geïntimeerde schade hebben geleden en hoe groot die schade dan zou zijn. Het hof had hun opgedragen om per appellant inzichtelijk te maken wat de ingelegde cryptovaluta zouden hebben opgeleverd als die na eind oktober 2018 elders ter belegging waren ondergebracht, vergeleken met wat zij daadwerkelijk van geïntimeerde hebben ontvangen, uitgaande van de tegenwaarde in euro op de data van inleg en uitkering en met 1 oktober 2020 als peildatum. Volgens het hof hebben appellanten die instructies niet gevolgd: hun berekeningen voor onder meer [appellant 11] en [appellant 1] sluiten niet aan bij de feitelijke, in ethereum verrichte uitkeringen in december 2020 en januari 2021, en voor andere appellanten ontbreekt zelfs inzicht in de berekeningsmethode.

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 1 - 10 van 32