DOSSIERS
Alle dossiers

Overige onderwerpen  

IT 5511

Handlichting aan minderjarige verleend voor openen zakelijke bankrekening

Rechtbank Overijssel 27 sep 2026, IT 5511; ECLI:NL:RBOVE:2026:5430 (verzoeker), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/handlichting-aan-minderjarige-verleend-voor-openen-zakelijke-bankrekening

Rb. Overijssel 27 augustus 2026, IT 5511; ECLI:NL:RBOVE:2026:5430 (verzoeker Luuk). De kantonrechter wijst het verzoek van een zestienjarige toe om op grond van artikel 1:235 BW handlichting te verkrijgen voor het openen van een zakelijke bankrekening. De minderjarige is samen met zijn vader een onderneming gestart onder de naam LUV Commerce, waarmee zij via bol.com producten verkopen aan Nederlandse en Belgische consumenten. Zij willen een tweede verkoopaccount openen voor bestellingen naar België, omdat deze verkopen anders worden gefactureerd en niet binnen het bestaande account kunnen worden gescheiden. Voor dat tweede verkoopaccount is een zakelijk bankrekeningnummer vereist. De kantonrechter overweegt dat handlichting inhoudt dat een zestien- of zeventienjarige voor bepaalde, door de rechter aangewezen bevoegdheden handelingsbekwaamheid als een meerderjarige verkrijgt. Bij de beoordeling moet het belang van de minderjarige centraal staan en moet worden beoordeeld of de gevraagde handlichting verantwoord is. Gelet op het verzoek en de toelichting, waaronder de verklaring van de vader dat hij de financiële risico’s draagt en toezicht houdt, verleent de kantonrechter handlichting tot het openen van een zakelijke bankrekening.

IT 5506

A-G: ontbrekende stukken bij wijziging zorgmachtiging rechtvaardigen vernietiging en terugwijzing

Hoge Raad 28 aug 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-ontbrekende-stukken-bij-wijziging-zorgmachtiging-rechtvaardigen-vernietiging-en-terugwijzing

Parket bij de Hoge Raad 28 augustus 2026, IT 5506; ECLI:NL:PHR:2026:812 (betrokkene tegen de officier van justitie). In deze Wvggz-zaak was aan betrokkene een zorgmachtiging verleend voor zes maanden. De officier van justitie verzocht vervolgens om wijziging van die machtiging door insluiting als aanvullende vorm van verplichte zorg toe te voegen. In cassatie klaagt betrokkene eerst dat de zorgmachtiging niet meer kon worden gewijzigd, omdat deze niet binnen de in art. 8:1 lid 1 Wvggz genoemde termijn van twee weken ten uitvoer zou zijn gelegd. Volgens de A-G faalt die klacht. Tenuitvoerlegging in de zin van de Wvggz houdt in dat de officier van justitie ervoor zorgt dat de zorgaanbieder met de uitvoering van de machtiging kan beginnen; dit moet worden onderscheiden van de feitelijke uitvoering van verplichte zorg door de zorgaanbieder. Nu de machtiging op 23 juni 2025 was verleend, op 30 juni 2025 op schrift was gesteld en binnen twee weken aan de zorgaanbieder was verzonden, was zij tijdig ten uitvoer gelegd. Bovendien zou een eventuele overschrijding van die termijn niet leiden tot verval of ongeldigheid van de zorgmachtiging, omdat dit niet behoort tot de limitatief in art. 6:6 Wvggz genoemde vervalgronden. In dat geval kan wel een verzoek om schadevergoeding op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz aan de orde zijn.

IT 5490

Vrijspraak voor oplichting, gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk wegens onvoldoende bewijs van onbevoegd inloggen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 jul 2026, IT 5490; ECLI:NL:GHARL:2026:4573 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vrijspraak-voor-oplichting-gekwalificeerde-diefstal-en-computervredebreuk-wegens-onvoldoende-bewijs-van-onbevoegd-inloggen

Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2026, IT 5490; ECLI:NL:GHARL:2026:4573 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt verdachte vrij van oplichting, subsidiair gekwalificeerde diefstal en computervredebreuk. Vaststaat dat op 13 december 2023 via het bedrijfsaccount van [benadeelde] goederen zijn besteld en dat deze de volgende dag op het woonadres van verdachte zijn afgeleverd. Verdachtes telefoonnummer stond op de pakbon en de bezorger heeft via dat nummer specifieke afleverinstructies gekregen. Het hof acht het daarom bewezen dat verdachte de bezorger telefonisch te woord heeft gestaan, hem heeft opgewacht en de goederen in ontvangst heeft genomen. Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde oplichting moest echter óók kunnen worden vastgesteld dat verdachte degene was die onbevoegd op het bedrijfsaccount had ingelogd en daarmee de bestelling had geplaatst. Dat kan het hof niet vaststellen. Onderzoek aan zijn telefoon heeft niet uitgewezen dat daarmee van de bestelapplicatie gebruik is gemaakt en van onderzoek naar andere apparaten waarmee verdachte mogelijk had kunnen inloggen, is niet gebleken. Nu bovendien ieder ander technisch digitaal spoor ontbreekt dat verdachte aan het onbevoegde inloggen en plaatsen van de bestelling koppelt, ontbreekt voldoende bewijs voor het primair tenlastegelegde.

IT 5482

Onderzoek aan telefoons zonder toestemming rechter-commissaris levert vormverzuim op zonder strafvermindering

Rechtbank Den Haag 28 jul 2026, IT 5482; ECLI:NL:RBDHA:2026:2127 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onderzoek-aan-telefoons-zonder-toestemming-rechter-commissaris-levert-vormverzuim-op-zonder-strafvermindering

Rb. Den Haag 28 juli 2026, IT 5482; ECLI:NL:RBDHA:2026:2127 (het Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). In deze strafzaak wordt [verdachte] vervolgd voor zijn betrokkenheid bij twaalf gevallen van bankhelpdeskfraude, ten laste gelegd als medeplegen van oplichting, computervredebreuk en gekwalificeerde diefstal, en voor witwassen. De slachtoffers, veelal personen op leeftijd, werden gebeld door iemand die zich voordeed als bankmedewerker. Zij werden onder meer bewogen om het programma AnyDesk te installeren, inloggegevens voor hun internetbankieren af te geven en bankpassen en pincodes aan koeriers mee te geven. [verdachte] vervulde binnen het samenwerkingsverband verschillende rollen als koerier, pinner en chauffeur. 

IT 5472

Accreditatievoorwaarden Persrichtlijn 2025 onverbindend wegens strijd met artikel 10 EVRM

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026, IT 5472; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/accreditatievoorwaarden-persrichtlijn-2025-onverbindend-wegens-strijd-met-artikel-10-evrm

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23775; IT 5472; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM. Sinds 1 juni 2025 is voor toegang tot de bijzondere persfaciliteiten van de gerechten vereist dat iemand beschikt over een NVJ-perskaart, IFJ-perskaart of politieperskaart, dan wel lid is van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Tot die faciliteiten behoren onder meer het maken van beeld- en geluidsopnamen en foto's en het live verslag doen vanuit de zittingszaal. Volgens de rechtbank vormen deze voorwaarden een inmenging in de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van nieuwsgaring. De inmenging heeft een grondslag in het nationale recht en dient legitieme doelen, waaronder de bescherming van de privacy en veiligheid van procesdeelnemers en hun recht op een eerlijk proces. De Staat heeft echter onvoldoende aangetoond dat het gekozen accreditatiesysteem noodzakelijk en proportioneel is. Voor journalisten die niet voor buitenlandse media werken, bepaalt in feite de NVJ wie voor accreditatie in aanmerking komt, terwijl onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor deze constructie is gekozen, welke afspraken daarover met de NVJ bestaan en op welke wijze uitzonderingen op de voorwaarden worden toegepast. De andere accreditatiemogelijkheden bieden bovendien niet voor iedereen een redelijk en werkbaar alternatief.

IT 5466

Niet vermelden gebruik IOB-algoritme schendt motiverings- en transparantiebeginsel

Rechtbank Den Haag 29 jul 2026, IT 5466; ECLI:NL:RBDHA:2026:21628 ([eiseres] tegen de minister van Buitenlandse Zaken), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/niet-vermelden-gebruik-iob-algoritme-schendt-motiverings-en-transparantiebeginsel

Rb. Den Haag 29 juli 2026, IT 5466; ECLI:NL:RBDHA:2026:21628 ([eiseres] tegen de minister van Buitenlandse Zaken). In deze zaak komt [eiseres], een Iraanse vrouw, op tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf om haar dochter en de partner van haar dochter in Nederland te bezoeken. De minister weigert het visum omdat [eiseres] onvoldoende sociale en economische binding met Iran heeft aangetoond, waardoor redelijke twijfel bestaat of zij het Schengengebied tijdig zal verlaten. Bij de voorfase van de behandeling gebruikt de minister het algoritme Informatie Ondersteunend Beslissen (hierna: IOB). IOB controleert gegevens uit de aanvraag op beschikbare databronnen, past profielen toe en kent op basis van een wegingsmodel een snelle, reguliere of intensieve track toe. De consulaire medewerker bepaalt daarna zelfstandig hoe intensief de aanvraag wordt onderzocht en beslist inhoudelijk op de aanvraag. De aanvraag van [eiseres] kreeg score 0 en kwam in de reguliere track terecht. Er was geen match met de geraadpleegde databronnen en geen actief kans- of risicoprofiel waarop haar aanvraag aansloot. [eiseres] stelt onder meer dat IOB tot ongerechtvaardigd onderscheid op grond van nationaliteit, ras of etnische afkomst kan leiden en dat de minister niet transparant is geweest over het gebruik van het algoritme. 

IT 5462

Vertrouwelijkheidsregime voor bedrijfsgevoelige stukken van Google in WAMCA-procedure

Rechtbank Amsterdam 3 jun 2026, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vertrouwelijkheidsregime-voor-bedrijfsgevoelige-stukken-van-google-in-wamca-procedure

Rb. Amsterdam 3 juni 2026, IT 5462; ECLI:NL:RBAMS:2026:7760 (Stichting App Stores Claims tegen Google c.s.). In deze zaak beslist de rechtbank in een WAMCA-procedure over het vertrouwelijkheidsregime voor stukken die Google c.s. in het kader van haar verweer aan Stichting App Stores Claims (ASC) ter beschikking moet stellen. Google had delen van haar conclusie van antwoord en producties zwartgemaakt omdat deze volgens haar vertrouwelijke informatie bevatten. Partijen waren het erover eens dat voor bepaalde informatie een vertrouwelijkheidsregime kon gelden, maar konden geen overeenstemming bereiken over de voorwaarden daarvan. De rechtbank stelt daarom voorlopig, op grond van art. 28 lid 1 onder b en art. 22a lid 3 Rv en naar analogie van art. 1019ib Rv, een vertrouwelijkheidsregime vast. Google mag de betrokken rapporten, onderliggende informatie, getuigenverhoren en commerciële overeenkomsten onderbrengen in twee digitale datarooms: ‘Confidential’ en ‘Highly Confidential’. De eerste is toegankelijk voor advocaten, vertegenwoordigers van ASC en door ASC ingeschakelde deskundigen; de tweede uitsluitend voor advocaten en externe deskundigen. Personen met toegang mogen niet verbonden zijn aan de procesfinancier van ASC.

IT 5448

Google motiveert permanente Google Ads-schorsing onvoldoende, maar hoeft account EazeGames niet te heractiveren

Gerechtshof Amsterdam 21 jul 2026, IT 5448; ECLI:NL:GHAMS:2026:1981 (EazeGames tegen Google), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/google-motiveert-permanente-google-ads-schorsing-onvoldoende-maar-hoeft-account-eazegames-niet-te-heractiveren

Hof Amsterdam 21 juli 2026, RB 4102; IT 5448; ECLI:NL:GHAMS:2026:1981 (EazeGames tegen Google). EazeGames exploiteert een online platform waarop onder meer Bingo, Solitaire en 21 worden aangeboden en adverteert daarvoor sinds 2017 via Google Ads. EazeGames beschikt niet over het door Google voor bepaalde kansspeladvertenties vereiste certificaat. Nadat Google in de loop der jaren 188 advertenties heeft geweigerd, schorst zij het Google Ads-account van EazeGames op 20 december 2024 permanent wegens overtreding van haar beleid tegen het omzeilen van systemen. EazeGames maakt herhaaldelijk bezwaar en legt het geschil vervolgens voor aan ADROIT, een gecertificeerd buitengerechtelijk geschillenbeslechtingsorgaan in de zin van de DSA. ADROIT beveelt in juni 2025 heractivering aan en acht de schorsing onder meer onvoldoende gemotiveerd en disproportioneel. Google volgt die aanbeveling niet. Het hof oordeelt dat Google contractueel weliswaar een ruime bevoegdheid en beoordelingsvrijheid heeft om Google Ads-accounts op te schorten, maar dat een permanente schorsing vanwege haar verstrekkende karakter proportioneel moet zijn en deugdelijk moet worden gemotiveerd. Daarnaast is art. 17 DSA op de schorsing van toepassing. Google moet daarom duidelijk, specifiek en zo nauwkeurig als redelijkerwijs mogelijk uiteenzetten waarom de maatregel is genomen, zodat EazeGames haar beschikbare verhaalmogelijkheden daadwerkelijk kan benutten. Aan die eisen voldoet de schorsingsmededeling niet: Google verwijst hoofdzakelijk naar het algemeen geformuleerde Omzeilingsbeleid zonder te concretiseren welke overtredingen EazeGames heeft begaan en waarom permanente schorsing in dit specifieke geval gerechtvaardigd is. Ook de nadere toelichting tijdens de procedure over onder meer mogelijke cloaking, een ander account en het grote aantal geweigerde advertenties acht het hof onvoldoende concreet. Het beroep van EazeGames op art. 16 DSA slaagt daarentegen niet, omdat dat artikel ziet op maatregelen naar aanleiding van een melding en niet op een maatregel die een dienstaanbieder, zoals hier, uit eigen beweging neemt.

IT 5444

Opzettelijke misleiding bij letselschadeclaim rechtvaardigt registratie in waarschuwingsregisters

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026, IT 5444; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/opzettelijke-misleiding-bij-letselschadeclaim-rechtvaardigt-registratie-in-waarschuwingsregisters

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IT 5444; LS&R 2440; ECLI:NL:RBDHA:2026:15375 ([eiseres] tegen Ohra). In deze zaak vordert [eiseres] onder meer aanvullende schadevergoeding naar aanleiding van een verkeersongeval in 2019 en verwijdering van haar persoonsgegevens uit het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister (EVR), de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR). Ohra, onderdeel van Nationale-Nederlanden, had aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en € 10.000 aan voorschotten betaald, maar ontdekte later dat [eiseres] een eerder verkeersongeval uit 2016 en de daaruit voortvloeiende, grotendeels vergelijkbare nek-, rug-, hoofd- en concentratieklachten niet had gemeld. Voor dat eerdere ongeval had zij in 2019 met een andere verzekeraar een vaststellingsovereenkomst van € 36.000 gesloten. Ohra kwalificeerde het achterhouden van deze medische voorgeschiedenis als fraude, beëindigde de schadeafwikkeling en registreerde [eiseres] in de genoemde waarschuwingsregisters.

IT 5421

Gebruik van ChatGPT kan vertrouwelijkheid van verschoningsgerechtigde informatie doorbreken

Rechtbank Rotterdam 11 aug 2026, IT 5421; ECLI:NL:RBROT:2026:9319 (rechter-commissaris tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gebruik-van-chatgpt-kan-vertrouwelijkheid-van-verschoningsgerechtigde-informatie-doorbreken

Rb. Rotterdam 12 juni 2026, IT 5421; ECLI:NL:RBROT:2026:9319 (rechter-commissaris tegen [verdachte]). In een strafrechtelijk onderzoek waren meerdere digitale gegevensdragers in beslag genomen. Omdat daarop mogelijk informatie stond die onder het verschoningsrecht viel, liet de rechter-commissaris de gegevens voorafgaand aan vrijgave aan het onderzoeksteam filteren. Tijdens die controle werd een ChatGPT-gesprek aangetroffen waarin de beslagene via een prompt een reactie liet opstellen die kennelijk was bestemd voor een verschoningsgerechtigde. In de door ChatGPT gegenereerde tekst werd ook de naam van een verschoningsgerechtigde genoemd. De rechter-commissaris stelt voorop dat aan het verschoningsrecht het belang ten grondslag ligt dat iemand zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van vertrouwelijke informatie tot bepaalde beroepsbeoefenaren moet kunnen wenden voor bijstand en advies.