Wet- en regelgeving  

IT 5204

Samenwerking eventtechbedrijven: Amplify geen product van de samenwerking dus geen onrechtmatige toe-eigening of onrechtmatige concurrentie

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov), https://itenrecht.nl/artikelen/samenwerking-eventtechbedrijven-amplify-geen-product-van-de-samenwerking-dus-geen-onrechtmatige-toe-eigening-of-onrechtmatige-concurrentie

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23471; IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov). De Rechtbank Amsterdam wijst alle vorderingen van Howler af in haar geschil met Woov over de najaar 2022 gestarte samenwerking, die zag op de integratie van Howlers ticketing- en cashlessdiensten in de bestaande Woov-app en op het toewerken naar een mogelijke fusie. Volgens Howler had Woov het huidige product Amplify onrechtmatig aan de samenwerking onttrokken, omdat dit product door en voor de samenwerking zou zijn ontwikkeld en daarom als gezamenlijke corporate opportunity moest worden beschouwd. De rechtbank volgt dat niet. Zij oordeelt dat uit de Partnership Agreement niet blijkt dat partijen waren overeengekomen om naast de integratie van bestaande diensten ook een geheel nieuw product te ontwikkelen. Verder heeft Woov volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij Amplify zelfstandig buiten de samenwerking om heeft ontwikkeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Woov Amplify in juni 2023 als nieuwe propositie aan Howler presenteerde, dat partijen contractueel hadden vastgelegd dat intellectuele eigendom toekomt aan de partij die het desbetreffende product ontwikkelt, en dat in de EPA Term Sheet 2023 uitdrukkelijk is opgenomen dat alle IP op Amplify en Woov-diensten bij Woov ligt. Ook de door Howler betaalde exclusiviteitsvergoeding bewijst volgens de rechtbank niet dat Howler aan de ontwikkeling van Amplify heeft meebetaald, omdat die vergoeding zag op de afgesproken samenwerkingsdiensten, met name de integratie, en niet op de ontwikkeling van een nieuw product. De rechtbank oordeelt bovendien dat Amplify wezenlijk verschilt van de geïntegreerde Woov-app: Amplify is een AI-gedreven enterprise product, technologisch anders ingericht, agnostisch ten aanzien van ticketing- en cashlessaanbieders en alleen op de zakelijke markt gericht. Dat Amplify tijdens de samenwerking en in het kader van de fusiebesprekingen aan klanten en aandeelhouders is gepresenteerd, maakt het nog niet tot een product van de samenwerking, nu de rechtbank nadrukkelijk onderscheid maakt tussen de contractuele samenwerking en het parallelle fusietraject. Daarom is geen sprake van onrechtmatige toe-eigening.

IT 5200

Doorlinken van <hirschmann.nl> naar Smartmedia-site met verwijzing naar Managed Cloud Tv levert sub b-merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 25 mrt 2026, IT 5200; ECLI:NL:RBDHA:2026:7136 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/doorlinken-van-hirschmann-nl-naar-smartmedia-site-met-verwijzing-naar-managed-cloud-tv-levert-sub-b-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 25 maart 2026, IEF 23464; IT 5200; ECLI:NL:RBDHA:2026:7136 (Belden c.s. tegen IP Groep c.s.). De rechtbank oordeelt dat IP Groep, maar niet Smartmedia, inbreuk heeft gemaakt op de HIRSCHMANN-merkrechten van Belden c.s. door de domeinnaam <hirschmann.nl> van in ieder geval 13 september 2024 tot en met 30 januari 2025 te gebruiken als doorlink naar www.smartmedia.nl. Op die website stond de tekst “Ontdek in de tussentijd alvast onze Managed Cloud Tv oplossing”, waarbij dat onderstreepte gedeelte weer doorlinkte naar www.managedcloudtv.com, waar de Managed Cloud Tv-diensten werden aangeboden. De rechtbank acht zich bevoegd voor zowel de Uniemerken als het Beneluxmerk. Van sub a-inbreuk is geen sprake, omdat de domeinnaam niet identiek is aan de ingeroepen merken: het teken bevat de extensie “.nl” en het Benelux woord-/beeldmerk bevat bovendien het element “multimedia”. Wel is sprake van sub b-inbreuk. Door het doorlinken ontstond een verband tussen de domeinnaam en de aangeboden diensten, zodat sprake was van gebruik in het economisch verkeer ter onderscheiding van diensten. Het teken <hirschmann.nl> stemt visueel en auditief in grote mate overeen met de HIRSCHMANN-merken; “HIRSCHMANN” is het enige bestanddeel van de Uniewoordmerken en het dominante bestanddeel van het Benelux woord-/beeldmerk, terwijl “multimedia” en “.nl” van ondergeschikte, beschrijvende betekenis zijn. De rechtbank oordeelt verder dat de Managed Cloud Tv-oplossing overeenstemt met onder meer de waren en diensten in klassen 9 en 42 waarvoor het Uniewoordmerk van Hirschmann en het Benelux woord-/beeldmerk van Belden zijn ingeschreven. Zij overweegt uitdrukkelijk dat die diensten niet overeenstemmen met de waren en diensten waarvoor het Uniewoordmerk van Belden is ingeschreven. Omdat daardoor reëel verwarringsgevaar bestaat, in die zin dat het publiek kan menen dat IP Groep een officiële wederverkoper is of anderszins commercieel met Belden c.s. is verbonden, wordt het gevorderde inbreukverbod tegen IP Groep toegewezen. Smartmedia maakt volgens de rechtbank geen merkinbreuk, omdat op haar website zelf de HIRSCHMANN-merken of daarmee overeenstemmende tekens niet voorkwamen. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, en de rechtbank laat in het midden of ook een beroep op art. 2.20 lid 2 sub d BVIE zou slagen.

IT 5199

Beperkt verbod ten aanzien van erkend overgenomen foto’s

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen), https://itenrecht.nl/artikelen/beperkt-verbod-ten-aanzien-van-erkend-overgenomen-foto-s

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23463; IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen). De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen van [eisende partij] tegen Nordkitchen slechts in zeer beperkte mate toe. De kern van het geschil was of Nordkitchen foto’s, teksten en vormgeving van de website van [eisende partij] had overgenomen waarop auteursrecht rustte en waarvan [eisende partij] rechthebbende was. De voorzieningenrechter beperkt zijn beoordeling tot de foto’s, omdat voorshands niet is gebleken dat ook teksten of vormgeving voldoende concreet als overgenomen materiaal zijn aangewezen. Daarbij formuleert de rechter eerst het toepasselijke auteursrechtelijke toetsingskader: voor bescherming is vereist dat een werk nauwkeurig en objectief identificeerbaar en oorspronkelijk is, in die zin dat het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; bij foto’s mogen zulke creatieve keuzes niet zonder meer worden verondersteld. Verder geldt dat het auteursrecht in beginsel toekomt aan de maker, doorgaans de fotograaf, en dat overdracht aan een opdrachtgever schriftelijk moet blijken. Tegen die achtergrond wordt alleen het verbod toegewezen voor de foto’s genoemd in randnummers 3.1, 3.3, 3.5 en 3.12 van de dagvaarding. Dat oordeel berust erop dat Nordkitchen, mede via haar onthoudingsverklaring en haar toelichting ter zitting, in wezen heeft erkend dat juist die foto’s van haar website moesten worden verwijderd, terwijl zij onvoldoende heeft onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk was gebeurd. De voorzieningenrechter verbiedt daarom verdere openbaarmaking, verveelvoudiging of enig ander gebruik van die specifieke foto’s. Aan dit verbod wordt echter geen dwangsom verbonden, omdat niet is gebleken dat Nordkitchen onwelwillend is om concreet aangewezen materiaal te verwijderen zodra duidelijk is om welke foto’s het gaat en waarop het gestelde recht ziet.

IT 5044

Nieuw art. 8a Databankenwet: databankrecht geldt niet voor gegevens uit verbonden producten

Gegevens die worden verkregen uit of gegenereerd door een verbonden product of een gerelateerde dienst vallen sinds 21 november 2025 niet meer onder het sui generis databankrecht van de Databankenwet.

Het nieuwe artikel 8a Databankenwet luidt:

“Het recht, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is niet van toepassing wanneer gegevens worden verkregen uit of gegenereerd door een verbonden product of gerelateerde dienst als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2023/2854 (...).”

Dat blijkt uit de Uitvoeringswet dataverordening van 29 oktober 2025, ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/2854 (Dataverordening) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 betreffende geharmoniseerde regels inzake eerlijke toegang tot en eerlijk gebruik van data.

IT 4949

Besluit over vaststelling toezichtsvergoeding TikTok nietig

HvJ EU 10 sep 2025, IT 4949; ECLI:EU:T:2025:843 (TikTok Technology Ltd tegen Europese Commissie ), https://itenrecht.nl/artikelen/besluit-over-vaststelling-toezichtsvergoeding-tiktok-nietig

Gerecht EU 10 september 2025, IT 4949; ECLI:EU:T:2025:843 (TikTok Technology Ltd tegen Europese Commissie). TikTok Technology Ltd (hierna: TikTok) vordert door haar beroep op artikel 263 VWEU een nietigverklaring van uitvoeringsbesluit C92023) 8173 final van de Europese Commissie van 27 november 2023 tot vaststelling van de toezichtsvergoeding die voor TikTok geldt krachtens artikel 43, lid 3, van verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: het bestreden besluit). Overeenkomstig artikel 43 van de digitaledienstenverordening brengt de Commissie aanbieders van zeer grote onlineplatforms (hierna: „ZGOP’s”) en van zeer grote onlinezoekmachines (hierna: „ZGOZ’s”) een jaarlijkse toezichtsvergoeding in rekening voor elke dienst waarvoor zij zijn aangewezen krachtens artikel 33. Die vergoeding wordt vastgesteld middels een uitvoeringshandeling en is bestemd om de geraamde kosten te dekken die de Commissie maakt in verband met haar toezichtstaken uit hoofde van de digitaledienstenverordening. Overeenkomstig artikel 43, lid 4, van deze verordening stelt de Commissie die vergoeding vast volgens de methode die zij heeft vastgesteld in een gedelegeerde handeling, met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 43, lid 5, van die verordening. TikTok voert vijf middelen aan, waarvan de eerste is ontleend aan een schending van artikel 43, lid 5, onder b), van de digitaledienstenverordening en, bij wege van exceptie, aan de onwettigheid van artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127. Dit valt uiteen in vijf onderdelen. Ten eerste, het gebruik van de gemeenschappelijke methode is niet rechtmatig, ten tweede, schending van artikel 43, lid 5, onder b), van de digitaledienstenverordening, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste alinea, onder p), van de digitaledienstenverordening, betreffende de wettelijke definitie van het GAMAA, ten derde, de methode die in het bestreden besluit is gebruikt om het GAMAA te ramen behandelt de platforms discriminatoir, ten vierde, noch artikel 43 van de digitaledienstenverordening noch artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127 vormt een rechtsgrondslag voor de vaststelling van een methode voor de berekening van het GAMAA in een uitvoeringshandeling, en ten vijfde, aanvoering van een exceptie van onwettigheid met betrekking tot artikel 4, lid 2, van gedelegeerde verordening 2023/1127. 

IT 4751

EU integreert herziene gedragscode tegen online haatzaaien in wetgeving

Op 20 januari 2025 is een vernieuwde gedragscode tegen illegale haatzaaiende uitlatingen op internet formeel opgenomen in de Digital Services Act (DSA). Dit besluit werd genomen na positieve beoordelingen door zowel de Europese Commissie als de Raad voor Digitale Diensten. De gedragscode, die voortbouwt op een eerder initiatief uit 2016, is ontworpen om de verspreiding van haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms effectiever aan te pakken en tegelijkertijd de naleving van EU-wetgeving te verbeteren. De vernieuwde code, ondertekend door platforms zoals Facebook, TikTok, YouTube en LinkedIn, legt nadruk op samenwerking met maatschappelijke organisaties en toezichthouders. De code vereist dat meldingen van haatzaaiende inhoud binnen 24 uur worden beoordeeld. Platforms worden ook aangespoord om transparant te zijn over hun moderatie-inspanningen door rapportages op te splitsen naar land en type incident, en meer inzicht te bieden in de rol van algoritmes bij de verspreiding van dergelijke inhoud. De gedragscode fungeert niet alleen als richtlijn voor de aanpak van illegale inhoud, maar biedt ook een kader waarmee platforms kunnen aantonen dat zij voldoen aan de risicobeperkende vereisten van de DSA. Dit is vooral relevant voor de zogenaamde "zeer grote online platforms" (VLOP's) en zoekmachines (VLOSE's), die onderworpen zijn aan strengere regels.

IT 4620

AVG-recht van inzage moet wijken voor het belang van Bunq om aan de wettelijke Wwft-plichten te voldoen

Rechtbank 9 sep 2024, IT 4620; ECLI:NL:RBDHA:2024:14477 (Verzoeker tegen Bunq B.V.), https://itenrecht.nl/artikelen/avg-recht-van-inzage-moet-wijken-voor-het-belang-van-bunq-om-aan-de-wettelijke-wwft-plichten-te-voldoen

Rb. Den Haag 9 september, IT 4620; ECLI:NL:RBDHA:2024:14477 (Verzoeker tegen Bunq B.V.). Verzoeker is klant van Bunq. Bunq heeft de bankrekeningen van verzoeker geblokkeerd, omdat hij niet heeft gereageerd op het herhaaldelijke verzoek om bepaalde documenten toe te sturen. Verzoeker verstrekt de documenten daarna alsnog en de blokkade wordt opgeheven. Verzoeker vraagt Bunq vervolgens om inzage in alle van hem verwerkte gegevens, onder andere met betrekking tot de blokkering van zijn rekeningen. Bunq doet als verzocht, maar verzoeker stelt dat er gegevens ontbreken. Verzoeker stapt naar de rechter. In de tussentijd heeft Bunq aanvullende gegevens verstrekt die Bunq in relatie tot verzoeker heeft verwerkt. Desondanks vraagt verzoeker aan de rechtbank om Bunq op te dragen hem volledige inzage te verschaffen in zijn persoonsgegevens, inclusief de gegevens die zijn verwerkt als onderdeel van het besluitvormingsproces rondom de blokkade en de opheffing daarvan. Verzoeker legt daaraan ten grondslag dat Bunq onzorgvuldig te werk is gegaan, onder andere door het gebruik van geautomatiseerde besluitvorming. Bunq stelt daarentegen dat zij voldoende tegemoet is gekomen aan het inzageverzoek en dat er geen sprake is geweest van geautomatiseerde besluitvorming.

IT 4617

HvJ EU: Ierland verleende onrechtmatige staatssteun; Apple moet 13 miljard euro terugbetalen

HvJ EU 10 sep 2024, IT 4617; ECLI:EU:C:2024:724 (Commissie t. Ierland e.a.), https://itenrecht.nl/artikelen/hvj-eu-ierland-verleende-onrechtmatige-staatssteun-apple-moet-13-miljard-euro-terugbetalen

HvJ EU 10 september 2024, IT 4617; ECLI:EU:C:2024:724 (Europese Commissie tegen Ierland e.a.). Het Hof heeft definitief uitspraak gedaan en bevestigt het besluit van de Europese Commissie uit 2016 dat Ierland Apple onrechtmatige staatssteun heeft verleend. Tussen 1991 en 2014 genoten Apple-vennootschappen belastingvoordelen via twee fiscale rulings die de belastbare winst in Ierland beperkten. De Commissie oordeelde dat deze voordelen, die gebaseerd waren op de behandeling van winsten uit intellectuele-eigendomslicenties, in strijd waren met de Europese staatssteunregels. Ierland moet daarom €13 miljard aan belastingvoordelen van Apple terugvorderen. In 2020 vernietigde het Gerecht het besluit van de Commissie, omdat het vond dat de Commissie onvoldoende had bewezen dat er sprake was van een selectief belastingvoordeel. Het Hof heeft nu die uitspraak herzien en het oordeel van de Commissie hersteld. Het Hof stelt dat de winsten uit Apple’s activiteiten buiten de Verenigde Staten terecht aan Ierland hadden moeten worden toegerekend voor belastingdoeleinden, en steunt daarmee de oorspronkelijke bevindingen van de Commissie.

IT 4559

Art. 126jj Sv over automatische kentekenherkenning maakt geen inbreuk op 8 EVRM

Rechtbank 29 mei 2024, IT 4559; ECLI:NL:RBDHA:2024:7945 (Privacy First tegen de Staat), https://itenrecht.nl/artikelen/art-126jj-sv-over-automatische-kentekenherkenning-maakt-geen-inbreuk-op-8-evrm

Rb. Den Haag 29 mei 2024, IT 4559; ECLI:NL:RBDHA:2024:7945 (Privacy First tegen de Staat). WAMCA zaak. Op 1 januari 2019 is de ‘Wet van 22 november 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie’ in werking getreden. Op basis van het bij de Wet ANPR ingevoerde artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is het voor opsporingsambtenaren van de politie en Koninklijke Marechaussee mogelijk om door middel van daarvoor aangewezen camera’s via de techniek van Automatic Number Plate Recognition (ANPR) kentekengegevens van passerende voertuigen vast te leggen voor een periode van vier weken. In deze zaak zijn vorderingen ingesteld in een collectieve actie namens Nederlandse ingezetenen van wie de privacy wordt geschonden door artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Privacy First stelt dat artikel 126jj Sv kennelijk onverbindend is wegens strijd met artikel 8 EVRM. Het oordeel van de rechtbank is dat de regeling van artikel 126jj Sv voldoet aan de eisen van artikel 8 lid 2 EVRM. Hoewel deze regeling een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer inhoudt, is de noodzaak van deze inbreuk voldoende aangetoond, is de inbreuk proportioneel en is er geen minder ingrijpend alternatief beschikbaar. De regeling van artikel 126jj Sv valt ook onder de artikelen 7 en 8 van het Handvest, omdat deze betrekking heeft op het privéleven en de verwerking van persoonsgegevens. Het Hof heeft vastgesteld dat deze inmenging voldoet aan een doel van algemeen belang, namelijk het bestrijden van ernstige criminaliteit om de openbare veiligheid te waarborgen. De inmenging is tevens geschikt om dit doel te bereiken. De rechtbank concludeert daarnaast dat de uitvoeringspraktijk van artikel 126jj Sv niet onrechtmatig is. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te rechtvaardigen dat de uitvoeringspraktijk van artikel 126jj Sv onrechtmatig zou zijn en de vorderingen zouden kunnen ondersteunen. Daarom zullen de vorderingen van Privacy First worden afgewezen.

IT 4525

Lidstaten schieten tekort in omzetten van richtlijn (EU) 2018/1972

it en recht 14 mrt 2024, IT 4525; ECLI:EU:C:2024:232 (Europese Commissie tegen Republiek Polen e.a.), https://itenrecht.nl/artikelen/lidstaten-schieten-tekort-in-omzetten-van-richtlijn-eu-2018-1972

HvJ EU 14 maart 2024, IT 4525;  ECLI:EU:C:2024:232 (Europese Commissie tegen Republiek Polen, e.a.). De Europese Commissie heeft procedures gestart tegen meerdere lidstaten wegens tekortschieten in het omzetten van richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie. De lidstaten zouden niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen hebben aangenomen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 124, lid 1, van de richtlijn. Dit zou hebben geleid tot schending van artikel 258 VWEU. Het gaat om de lidstaten Ierland, Letland, Polen, Portugal en Slovenië.