Oud-boekhouder moet volledige digitale bedrijfsadministratie aan onderneming overdragen
Rb. Overijssel 17 juli 2026, IT 5406; ECLI:NL:RBOVE:2026:4407 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Een bouwonderneming had haar voormalige boekhouder op grond van een overeenkomst van opdracht belast met het voeren van haar administratie in het softwareprogramma Informer. Nadat de onderneming de overeenkomst had opgezegd, wijzigde de boekhouder de toegangscode, waardoor de bestuurder van de onderneming niet meer kon inloggen, en gaf hij geen gehoor aan het verzoek om de administratie aan de opvolgende boekhouder over te dragen. De vordering tot afgifte van de fysieke administratie werd tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, nadat de boekhouder had verklaard dat hij geen fysieke administratie bezat. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang bij overdracht van de digitale administratie voldoende aannemelijk. De onderneming had op korte termijn administratieve stukken nodig voor een lopende procedure in hoger beroep en moest bovendien voldoen aan haar administratieplicht van artikel 2:10 BW. Tussen partijen stond vast dat de overeenkomst van opdracht was geëindigd en dat de digitale bescheiden die de administratie vormden eigendom waren van de onderneming. De boekhouder hield deze daarom in beginsel zonder recht of titel onder zich. Zijn wens om de administratie te bewaren met het oog op mogelijke toekomstige procedures rechtvaardigde niet dat hij de volledige administratie bleef achterhouden. Dit mogelijke belang was speculatief, woog minder zwaar dan het concrete belang van de onderneming en kon minder ingrijpend worden beschermd, bijvoorbeeld door de administratie in de bestaande toestand bij een onafhankelijke derde te deponeren.