Wpg-inzageverzoek vereist aanvullende zoekslag naar telefoonnummers
ABRvS 22 juli 2026, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal). [appellant] verzocht de Rijksrecherche op grond van art. 25 Wpg om inzage in alle hem betreffende politiegegevens. Het college van procureurs-generaal, dat voor de Rijksrecherche als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, meldde aanvankelijk dat geen persoonsgegevens van [appellant] waren verwerkt, maar gaf hem later alsnog inzage in registraties uit een strafrechtelijk onderzoeksdossier. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank verrichtte het college een aanvullende zoekslag, waarbij 53 verwerkingen van persoonsgegevens van [appellant] werden aangetroffen. De rechtbank Amsterdam oordeelde vervolgens dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de mailboxen van voormalige medewerkers niet waren doorzocht en waarom niet was gezocht op de nieuwe naam van een onderneming van [appellant], maar achtte een aanvullende zoekslag op zijn woonadres en telefoonnummers niet noodzakelijk. [appellant] kwam daartegen in hoger beroep op en stelde dat de zoekslag nog steeds onvolledig was, onder meer omdat in het strafrechtelijke onderzoek telefoongesprekken van de hoofdverdachte waren getapt en reeds een tapverslag was gevonden waarin zijn persoonsgegevens voorkwamen.