DOSSIERS
Alle dossiers

Persoonsgegevens  

IT 5460

Afwijzing wijziging identiteitsgegevens in BRP wegens onvoldoende bewijs dat brondocumenten op [appellant] betrekking hebben

Overige instanties 29 jul 2026, IT 5460; ECLI:NL:RVS:2026:4440 ([appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/afwijzing-wijziging-identiteitsgegevens-in-brp-wegens-onvoldoende-bewijs-dat-brondocumenten-op-appellant-betrekking-hebben

RvS 29 juli 2026, IT 5460; ECLI:NL:RVS:2026:4440 ([appellant] tegen het college van burgemeester en wethouders van Maastricht). [appellant] verzocht het college om zijn in de basisregistratie personen (BRP) geregistreerde voornaam en geslachtsnaam te wijzigen, omdat de identiteit waaronder hij sinds zijn asielprocedure in 1995 stond geregistreerd volgens hem vals was. Die gegevens waren destijds op basis van een verklaring onder ede in de BRP opgenomen en [appellant] had op basis daarvan ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ter onderbouwing van de door hem gestelde Algerijnse identiteit legde hij onder meer verschillende geboorteakten, een Algerijns paspoort, identiteitskaarten en een uittreksel van een huwelijksakte over. Bureau Documenten van de IND achtte de meeste documenten echt, maar kon wegens onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen oordeel geven over de correcte opmaak en afgifte. Daarnaast verschilden twee gezichtsvergelijkende onderzoeken van conclusie: Securitech achtte het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dezelfde persoon, terwijl Bureau Documenten slechts redelijke steun vond voor die hypothese. Het college wees het verzoek af omdat niet voldoende vaststond dat de overgelegde documenten daadwerkelijk betrekking hadden op [appellant]. De rechtbank Limburg liet die afwijzing in stand. 

IT 5458

Geen recht op verwijdering of verdere rectificatie van KMar-mutatie op grond van artikel 28 Wpg

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 jul 2026, IT 5458; ECLI:NL:RBZWB:2026:6670 ([eiser] tegen de minister van Defensie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-recht-op-verwijdering-of-verdere-rectificatie-van-kmar-mutatie-op-grond-van-artikel-28-wpg

Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2026, IT 5458; ECLI:NL:RBZWB:2026:6670 ([eiser] tegen de minister van Defensie). Deze uitspraak gaat over twee verzoeken van eiser om verwijdering dan wel rectificatie van de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Naar aanleiding van een staandehouding op 31 juli 2019 had de KMar een mutatierapport opgesteld. Eiser verzocht in 2024 primair om volledige verwijdering van die mutatie, omdat volgens hem een wettelijke grondslag voor de verwerking ontbrak en de klachtencommissie van de KMar eerder had geoordeeld dat geen gegronde reden bestond om hem om legitimatie te vragen. Subsidiair verzocht hij om rectificatie van verschillende passages, onder meer over zijn kijkgedrag naar passerende voertuigen, het lopen dan wel oversteken van de weg, een vermeende voorbijganger en de omschrijving dat hij ‘verbaal agressief’ zou hebben gereageerd. Ter onderbouwing verwees eiser onder meer naar een geluidsopname van de staandehouding. De minister wees de verzoeken grotendeels af, omdat de gegevens rechtmatig in het kader van de dagelijkse politietaak waren verwerkt en de betwiste passages volgens hem grotendeels indrukken en waarnemingen van KMar-ambtenaren betroffen.

IT 5453

Wpg-inzageverzoek vereist aanvullende zoekslag naar telefoonnummers

Overige instanties 22 jul 2026, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/wpg-inzageverzoek-vereist-aanvullende-zoekslag-naar-telefoonnummers

ABRvS 22 juli 2026, IT 5453; ECLI:NL:RVS:2026:4287 ([appellant] tegen het college van procureurs-generaal). [appellant] verzocht de Rijksrecherche op grond van art. 25 Wpg om inzage in alle hem betreffende politiegegevens. Het college van procureurs-generaal, dat voor de Rijksrecherche als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, meldde aanvankelijk dat geen persoonsgegevens van [appellant] waren verwerkt, maar gaf hem later alsnog inzage in registraties uit een strafrechtelijk onderzoeksdossier. Na een eerdere vernietiging door de rechtbank verrichtte het college een aanvullende zoekslag, waarbij 53 verwerkingen van persoonsgegevens van [appellant] werden aangetroffen. De rechtbank Amsterdam oordeelde vervolgens dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de mailboxen van voormalige medewerkers niet waren doorzocht en waarom niet was gezocht op de nieuwe naam van een onderneming van [appellant], maar achtte een aanvullende zoekslag op zijn woonadres en telefoonnummers niet noodzakelijk. [appellant] kwam daartegen in hoger beroep op en stelde dat de zoekslag nog steeds onvolledig was, onder meer omdat in het strafrechtelijke onderzoek telefoongesprekken van de hoofdverdachte waren getapt en reeds een tapverslag was gevonden waarin zijn persoonsgegevens voorkwamen.

IT 5463

Verzoek om inzage in AVG-procedure aangehouden wegens verwevenheid met hoofdzaak

Rechtbank Noord-Holland 8 jul 2026, IT 5463; ECLI:NL:RBNHO:2026:9870 ([verzoeker] tegen De Huurwoningbemiddelaar), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verzoek-om-inzage-in-avg-procedure-aangehouden-wegens-verwevenheid-met-hoofdzaak

Rb. Noord-Holland 8 juli 2026, IT 5463; ECLI:NL:RBNHO:2026:9870 ([verzoeker] tegen De Huurwoningbemiddelaar). In deze zaak verzoekt [verzoeker] de rechtbank op grond van artikel 195 Rv om De Huurwoningbemiddelaar te bevelen nadere gegevens en stukken over te leggen in een reeds lopende AVG-procedure. Het verzoek ziet onder meer op stukken ter onderbouwing van de door De Huurwoningbemiddelaar gestelde rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens, waaronder vernietigingsdocumentatie, logbestanden en het bewaartermijnbeleid, en op nadere informatie over door haar aangehaalde jurisprudentie. [verzoeker] verzoekt daarnaast dat, wanneer de gevraagde informatie niet wordt verstrekt, het beroep van De Huurwoningbemiddelaar op die jurisprudentie en op de rechtmatige verwijdering van persoonsgegevens buiten beschouwing wordt gelaten. De Huurwoningbemiddelaar verzet zich tegen toewijzing van het incidentele verzoek. 

IT 5459

Rechtbank: geen spoedeisend belang bij AVG-inzage en beperking van verwerking

Rechtbank Rotterdam 15 jul 2026, IT 5459; ECLI:NL:RBROT:2026:9578 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rechtbank-geen-spoedeisend-belang-bij-avg-inzage-en-beperking-van-verwerking

Rb. Rotterdam 15 juli 2026, IT 5459; ECLI:NL:RBROT:2026:9578 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Een moeder vordert namens haar dochter in kort geding onder meer dat het besluit van een hockeyvereniging tot beëindiging van het lidmaatschap voorlopig buiten werking wordt gesteld en dat haar dochter weer tot de vereniging wordt toegelaten. Daarnaast verlangt zij afschrift van het volledige dossier van haar dochter, informatie over personen en instanties aan wie persoonsgegevens zijn verstrekt, beperking van de verwerking van die persoonsgegevens en een verbod op verdere verspreiding van een onderzoeksrapport. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot herstel van het lidmaatschap af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het besluit dateert van november 2023, de dochter heeft sindsdien niet meer gehockeyd en er is geen concrete wens om het lidmaatschap op korte termijn te hervatten. Ook het gestelde belang bij reputatieherstel maakt niet dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

IT 5455

Korpschef moet bij Wpg-inzageverzoek onderscheid tussen gerichte en automatische BRP-bevragingen inzichtelijk maken

Overige instanties 15 jul 2026, IT 5455; ECLI:NL:RVS:2026:4141 (korpschef van politie tegen [wederpartij]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/korpschef-moet-bij-wpg-inzageverzoek-onderscheid-tussen-gerichte-en-automatische-brp-bevragingen-inzichtelijk-maken

ABRvS 15 juli 2026, IT 5455; ECLI:NL:RVS:2026:4141 (korpschef van politie tegen [wederpartij]). [wederpartij] verzocht op grond van art. 25 Wpg om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens nadat hij had vastgesteld dat de politie zijn gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) tussen 2018 en 19 mei 2022 meer dan achthonderd keer had geraadpleegd. Hij wilde weten waarom op zijn naam en op de namen van onder meer zijn dochters, ouders en ex-partner was gezocht, wie binnen de politie de BRP had geraadpleegd, wat de redenen voor die raadplegingen waren en waarvoor de verkregen gegevens werden gebruikt en verwerkt. Ook ging hij ervan uit dat in verband met die raadplegingen documenten, zoals processen-verbaal, waren opgesteld en verzocht hij daarvan inzage. De korpschef wees het verzoek af en stelde dat BRP-bevragingen bij verwerking in de politiesystemen grotendeels automatisch plaatsvinden, dat niet inzichtelijk was welke raadplegingen gericht en welke automatisch waren verricht en dat daarvan geen afzonderlijke documenten werden aangemaakt. De rechtbank Midden-Nederland vernietigde dat besluit, omdat de korpschef onvoldoende had onderbouwd dat ook van gerichte BRP-bevragingen geen gegevens beschikbaar waren en het inzageverzoek te beperkt had opgevat. 

IT 5450

Gegevens over rechtspersoon kunnen politiegegevens van ondernemer zijn, maar geen verwijdering zonder aannemelijke onjuistheid

Rechtbank Amsterdam 9 jun 2026, IT 5450; ECLI:NL:RBAMS:2026:5770 ([eiser] tegen de korpschef van de Politie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gegevens-over-rechtspersoon-kunnen-politiegegevens-van-ondernemer-zijn-maar-geen-verwijdering-zonder-aannemelijke-onjuistheid

Rb. Amsterdam 9 juni 2026, IT 5450; ECLI:NL:RBAMS:2026:5770 ([eiser] tegen de korpschef van de Politie). In deze zaak oordeelt de bestuursrechter dat gegevens die formeel betrekking hebben op een rechtspersoon toch politiegegevens over een natuurlijke persoon kunnen zijn wanneer zij direct met die persoon verband houden en tot hem herleidbaar zijn. [eiser], eigenaar van een horecabedrijf, verzocht de korpschef op grond van art. 28 Wpg om verwijdering van een passage uit een door de Dienst Regionale Informatie Organisatie opgestelde persoonsscreening ten behoeve van een Drank- en Horecavergunning. In die passage stond dat bij zijn bedrijf tijdens een observatie was gezien dat pakketjes aan een taxichauffeur werden overgedragen, waarna deze chauffeur werd aangehouden wegens handel in verdovende middelen. Volgens [eiser] had deze observatie niet plaatsgevonden. De korpschef wees het verzoek af omdat de passage volgens hem betrekking had op het bedrijf als rechtspersoon en niet op [eiser] als natuurlijke persoon, zodat geen sprake zou zijn van [eiser] betreffende politiegegevens waarop art. 28 Wpg van toepassing is. 

IT 5435

AVG van toepassing op opslag van strafrechtelijke gegevens in personeelsdossier politieambtenaar

HvJ EU 4 jun 2026, IT 5435; ECLI:EU:C:2026:449 (Darashev), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/avg-van-toepassing-op-opslag-van-strafrechtelijke-gegevens-in-personeelsdossier-politieambtenaar

HvJ EU 4 juni 2026, IT 5435; ECLI:EU:C:2026:449 (Darashev). In deze zaak beantwoordt het Hof elf prejudiciële vragen van de Bulgaarse rechter over de toepassing van de AVG, Richtlijn (EU) 2016/680 en Richtlijn 2000/78 op persoonsgegevens die tijdens een strafrechtelijk onderzoek naar een politieambtenaar zijn verkregen en vervolgens in zijn personeelsdossier worden bewaard. De betrokken politieambtenaar wordt in het kader van een onderzoek naar een gewelddadige diefstal als verdachte aangehouden, gedurende 24 uur vastgehouden en onderworpen aan verschillende onderzoeksmaatregelen. Hij wordt bij een herkenningsprocedure niet door de slachtoffers geïdentificeerd en zijn vingerafdrukken worden niet op de goederen van de slachtoffers aangetroffen. Hij wordt nadien niet vervolgd of in staat van beschuldiging gesteld en het onderzoek wordt geschorst omdat de dader niet kan worden geïdentificeerd. De ambtenaar blijft werkzaam bij het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken, maar gegevens over zijn aanhouding, zijn status als verdachte en de tegen hem verrichte onderzoeksmaatregelen blijven in zijn personeelsdossier en de bestanden van het ministerie opgenomen. Volgens hem wordt hem mede op grond van die gegevens bevordering geweigerd. Hij vordert schadevergoeding en verwijdering van de gegevens. De verwijzende rechter vraagt onder meer welk gegevensbeschermingsregime op deze verwerking van toepassing is, of de opslag in het personeelsdossier rechtmatig kan zijn op grond van een wettelijke verplichting, of aanspraak bestaat op gegevenswissing en of een weigering van bevordering wegens de status van verdachte onder Richtlijn 2000/78 valt. 

IT 5427

Hof constateert twee vormverzuimen bij verkrijging en onderzoek van Ennetcomdata

Gerechtshof Den Haag 11 jun 2026, IT 5427; ECLI:NL:GHDHA:2026:1924 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-constateert-twee-vormverzuimen-bij-verkrijging-en-onderzoek-van-ennetcomdata

Hof Den Haag 11 juni 2026, IT 5427; ECLI:NL:GHDHA:2026:1924 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). De zaak betreft een voormalige medewerkster van Ennetcom, een bedrijf dat aangepaste BlackBerry-toestellen verkocht waarmee versleutelde e-mails konden worden verzonden en ontvangen. De berichten verliepen via een Blackberry Enterprise Server die Ennetcom bij Bitflow Technologies in Canada huurde. Op verzoek van Nederland werden de serverdata in 2016 door de Canadese autoriteiten gekopieerd; de dataset bevatte ongeveer 3,7 miljoen berichten en notities en ook private sleutels waarmee berichten konden worden ontsleuteld. Het hof verwerpt het betoog dat het rechtshulpverzoek aan Canada als zodanig zonder verdragsrechtelijke grondslag was gedaan, maar oordeelt wél dat bij de verkrijging van de gegevens art. 125la Sv had moeten worden toegepast. Hoewel de server fysiek bij Bitflow stond, moet het aantreffen van de gegevens daar volgens het hof materieel worden gelijkgesteld met het aantreffen daarvan bij Ennetcom. Ennetcom kwalificeert daarbij als aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. Voor het rechtshulpverzoek was daarom vooraf een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Die ontbrak, zodat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Daarnaast is ook bij het latere onderzoek aan en gebruik van de Ennetcomdataset, waaronder de ontsleuteling, geen sprake geweest van de vereiste voorafgaande betrokkenheid van een rechter-commissaris. Ook dat levert volgens het hof een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv op. De geschonden voorschriften dienen met name ter bescherming van privacygevoelige communicatie door voorafgaand onafhankelijk rechterlijk toezicht.

IT 5424

Korpschef motiveert gedeeltelijke weigering van inzage in politiegegevens onvoldoende

Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, IT 5424; ECLI:NL:RBMNE:2026:4326 (eisers tegen korpschef van politie), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/korpschef-motiveert-gedeeltelijke-weigering-van-inzage-in-politiegegevens-onvoldoende

Rb. Midden-Nederland 11 mei 2026, IT 5424; ECLI:NL:RBMNE:2026:4326 (eisers tegen korpschef van politie). Twee eisers verzochten de korpschef op grond van de Wet politiegegevens om inzage in de politiegegevens die over hen worden verwerkt. De korpschef wees de inzageverzoeken bij besluiten van 11 juli 2025 gedeeltelijk af. Hij beriep zich daarbij op art. 27 lid 1 Wpg: het vermijden van belemmering van gerechtelijke onderzoeken of procedures (onder a), het vermijden van nadelige gevolgen voor de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (onder b), de bescherming van de rechten en vrijheden van derden (onder d) en de bescherming van de nationale veiligheid (onder e). Omdat eisers de toepassing van de d-grond niet bestreden, beoordeelt de rechtbank alleen de gronden onder a, b en e. Volgens art. 27 lid 2 Wpg moet een gehele of gedeeltelijke afwijzing schriftelijk worden gemotiveerd. Daaraan heeft de korpschef niet voldaan: de motivering kwam volgens de rechtbank in wezen neer op een herhaling van de wettelijke weigeringsgronden en maakte niet duidelijk waarom gedeeltelijke weigering in dit concrete geval noodzakelijk was. Ook de brieven die bij de vertrouwelijke stukken waren gevoegd, boden daarvoor onvoldoende concrete motivering. Daarnaast had de korpschef geen kenbare en toetsbare belangenafweging gemaakt waaruit bleek waarom het belang bij weigering zwaarder woog dan het belang van eisers bij inzage.