Rb. Overijssel: korpschef moet inzageverzoek beoordelen op grond van art. 25 Wpg in plaats van art. 15 AVG
Rb. Overijssel 24 juli 2026, IT 5524; ECLI:NL:RBOVE:2026:4534 ([eiseres] tegen de korpschef). [eiseres] heeft de korpschef verzocht om inzage in haar persoonsgegevens over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017, specifiek in bevragingen die in die periode op basis van haar BSN in de Basisregistratie Personen zijn gedaan. De korpschef heeft het verzoek beoordeeld op grond van art. 15 AVG en afgewezen omdat haar persoonsgegevens volgens hem in die periode niet door de korpschef waren verwerkt. [eiseres] stelt dat duidelijk had moeten zijn dat zij inzage verzocht in politiegegevens en dat haar verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moest worden beoordeeld. De rechtbank volgt haar daarin. Voor de juridische kwalificatie van een inzageverzoek zijn volgens de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak, de inhoud en context van het verzoek bepalend en niet de door de verzoeker gekozen juridische benaming. [eiseres] had in haar verzoek verwezen naar een eerder inzageverzoek waarop de korpschef met toepassing van de Wpg had beslist en waarbij een overzicht van gegevens was verstrekt. Daarom had voor de korpschef duidelijk moeten zijn dat zij opnieuw een dergelijk overzicht wilde, maar nu over een andere periode. Daarbij komt dat voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de politietaak waarop het verzoek ziet de Wpg de bijzondere en specifiekere wettelijke regeling vormt ten opzichte van de AVG. De korpschef had het verzoek daarom op grond van art. 25 Wpg moeten beoordelen.