Beide buren moeten camera verwijderen wegens ongerechtvaardigde privacy-inbreuk
Hof Amsterdam 28 juli 2026, IT 5488; ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 ([appellant] tegen [geïntimeerden]). Het Gerechtshof oordeelt in kort geding dat zowel de camera van [appellant] als die van [geïntimeerden] een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Uitgangspunt is dat het bewoners in beginsel vrijstaat een camera te plaatsen ter bescherming van hun woning, perceel of eigendommen, maar dat deze vrijheid wordt begrensd door de privacy van anderen. Een camera mag daarom in beginsel niet tevens het perceel, de woning of de persoon van een ander in beeld brengen of kunnen brengen. Een dergelijke privacy-inbreuk is in beginsel onrechtmatig, tenzij daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat; daarvoor moeten de ernst van de inbreuk en de belangen die met het cameratoezicht worden gediend tegen elkaar worden afgewogen. Bij de camera van [appellant] acht het hof voldoende aannemelijk dat deze, mede door de beweegbaarheid en bedieningsmogelijkheden, het perceel van [geïntimeerden] in beeld brengt of kan brengen. Het door [appellant] gestelde belang bij bescherming van haar perceel, eigendommen en katten rechtvaardigt deze inbreuk niet, omdat zij onvoldoende heeft toegelicht waarom de camera op één hoog moet hangen en niet op een minder privacy-inbreukmakende plaats kan worden bevestigd. Het bevel om haar camera te verwijderen en het verbod om camera’s zo te plaatsen dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel of de woning van [geïntimeerden], blijven daarom in stand.