DOSSIERS
Alle dossiers

Social media  

IT 5201

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026,, IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IT 5198

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026,, IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

IT 5189

Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk

Rechtbank Rotterdam 26 feb 2026,, IT 5189; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kort-geding-over-toegang-tot-instagram-account-van-gezamenlijke-tandartspraktijk

Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.

IT 5181

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 mrt 2026,, IT 5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IT 5172

Kort geding bij verstek over YouTube-video’s: verwijdering, rectificatie, verbod op diffamerende uitlatingen en staking van portret- en auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 23 feb 2026,, IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kort-geding-bij-verstek-over-youtube-video-s-verwijdering-rectificatie-verbod-op-diffamerende-uitlatingen-en-staking-van-portret-en-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 23 februari 2026, IEF 23430; IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding bij verstek staan Online Trading Campus LLC en [eiser] tegenover [gedaagde] naar aanleiding van op YouTube geplaatste video’s en andere uitlatingen over eisers. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarna de voorzieningenrechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en verstek verleent. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vorderingen van eisers grotendeels niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze daarom in hoofdzaak toe, zij het met aanpassing van enkele termijnen, beperking van de dwangsom en aanpassing van de tekst van de gevorderde rectificatie, juist omdat het om een verstekvonnis gaat. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om binnen 48 uur na betekening de drie in de dagvaarding genoemde video’s van internet en meer in het bijzonder van het YouTube-kanaal [naam kanaal] te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast moet gedaagde binnen diezelfde termijn de inbreuk op de portretrechten van eiser sub 2 staken en gestaakt houden door diens portret niet langer openbaar te maken in de video’s en bijbehorende thumbnails. Ook moet hij binnen 48 uur de inbreuk op de auteursrechten van eisers staken en gestaakt houden door de in de dagvaarding omschreven beelden niet langer openbaar te maken of te verveelvoudigen. Verder verbiedt de voorzieningenrechter gedaagde om binnen 48 uur na betekening, online en offline, al dan niet met inschakeling van derden, nog langer onrechtmatige en diffamerende uitlatingen over eisers te doen.

IT 5168

Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.

Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026,, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (Lewis tegen Van Ooijen), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uitingen-fan-over-relatie-met-zanger-niet-onrechtmatig-bevonden

Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.

IT 5167

Vrijspraak voor Instagram-smaad: onvoldoende voor bewijs van plaatsen berichten door verdachte

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 mrt 2026,, IT 5167; ECLI:NL:GHARL:2026:1544 (Verdachte tegen het vonnis van de politierechter), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vrijspraak-voor-instagram-smaad-onvoldoende-voor-bewijs-van-plaatsen-berichten-door-verdachte

Hof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2026, IT 5166; ECLI:NL:GHARL:2026:1544 (Verdachte tegen het vonnis van de politierechter). Het hof spreekt verdachte vrij van smaad naar aanleiding van berichten die op Instagram zijn geplaatst over een politieagent. Hoewel uit het dossier blijkt dat verdachte op enige wijze betrokken was bij het account waarop de berichten verschenen, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat zij de berichten zelf heeft geplaatst. Het hof acht daarmee niet bewezen dat sprake is van “plegen” van smaad, zoals ten laste gelegd. Omdat het bewijs onvoldoende is om directe daderschap aan te nemen, volgt vrijspraak. Het hof gelast daarnaast de teruggave van de in beslag genomen telefoon en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de schadevordering

IT 5166

Prejudiciële vragen gesteld over gegevenswissing onder de AVG

HvJ EU 17 nov 2025,, IT 5166; C-730/2 (Vinted tegen Valstybinė duomenų apsaugos inspekcija), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-gegevenswissing-onder-de-avg

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 17 november 2025, IT 5166; C-730/25 (Vinted tegen Valstybinė duomenų apsaugos inspekcija) via MinBuza. Verzoekster is de vennootschap Vinted, exploitant van een online marktplaats. Na klachten van drie gebruikers over geblokkeerde accounts en geweigerde wissing van persoonsgegevens heeft de nationale toezichthoudende autoriteit voor gegevensbescherming (tevens verweerder), inbreuken van de AVG vastgesteld. De Litouwse rechter vraagt het Hof vervolgens om uitleg van diverse bepalingen van de AVG. 

IT 5164

Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx.

Offlimits v Grok en X: kort geding over niet‑consensuele uitkleedbeelden

Rechtbank Amsterdam 26 mrt 2026,, IT 5164; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/offlimits-v-grok-en-x-kort-geding-over-niet-consensuele-uitkleedbeelden

Rb Amsterdam 26 maart 2026, IEF 23420, IT 5164; C/13/783613 / KG ZA 26-120 EAM/JD (Offlimits tegen X.AI, X en XIUC). In deze zaak start Stichting Offlimits, die zich richt op het voorkomen en bestrijden van online (seksueel) grensoverschrijdend gedrag en (kinder)misbruik, een kort geding tegen X.AI (ontwikkelaar van de generatieve AI‑chatbot Grok), X Corp (de Amerikaanse X‑entiteit) en XIUC (de Ierse exploitant van X in de EER). Grok is een large language model dat via grok.com, een standalone‑app en de “Grok‑in‑X”‑functie op X beschikbaar is. Gebruikers kunnen er niet alleen tekst mee genereren, maar ook afbeeldingen bewerken en genereren. Aanleiding zijn onder andere een CCDH‑rapport en een artikel in The Guardian waaruit blijkt dat na introductie van de beeldfunctie grote hoeveelheden geseksualiseerde afbeeldingen, inclusief beelden die kinderen lijken te tonen, met Grok zijn gegenereerd en op X geplaatst, waarna de Europese Commissie een DSA‑onderzoek naar X aankondigt. Offlimits stelt dat Grok ondanks door X.AI/X aangekondigde technische maatregelen in januari 2026 nog steeds (1) niet‑consensuele “uitkleedbeelden” van echte personen genereert (deepfake‑stripbeelden) zonder controle op toestemming of leeftijd en (2) kinderpornografisch materiaal of daarop lijkende beelden kan genereren, en vordert daarom verboden en geboden (met hoge dwangsommen) die er in de kern op neerkomen dat Grok en X geen functionaliteit meer mogen aanbieden waarmee deze beelden kunnen worden gegenereerd en verspreid. De voorzieningenrechter acht zich op grond van art. 79 AVG, art. 7 lid 2 Brussel I‑bis en art. 7 Rv internationaal bevoegd, past AVG en Nederlands recht toe (via Rome II, art. 14), en verklaart Offlimits als 3:305a‑stichting ontvankelijk onder het “lichte regime” vanwege het ideële karakter en het ontbreken van schadevorderingen.

IT 5155

Hof Den Haag: zorgvuldigheid vereist bij online beschuldigingen op sociale media

Gerechtshof Den Haag 17 mrt 2026,, IT 5155; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-den-haag-zorgvuldigheid-vereist-bij-online-beschuldigingen-op-sociale-media

Hof Den Haag 17 maart 2026, IEF 23399; IT 5155; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]). Na een kortstondige relatie plaatste [appellante] TikTok-video’s waarin zij de indruk wekte dat [geïntimeerde] zich schuldig maakte aan (seksuele) contacten met minderjarigen. [geïntimeerde] reageerde daarop in zijn YouTube-programma met beledigende en seksueel getinte uitlatingen, waaronder suggesties dat [appellante] in de porno-industrie werkzaam zou zijn. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat beide partijen onrechtmatig hebben gehandeld door uitlatingen over elkaar te doen via sociale media.