Gepubliceerd op woensdag 22 april 2026
IT 5224
Hoge Raad ||
10 mrt 2026
Hoge Raad 10 mrt 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (Het OM tegen [verdachte]), https://itenrecht.nl/artikelen/whatsapp-berichten-als-bewijs-voor-bekendheid-met-vonnis

WhatsApp-berichten als bewijs voor bekendheid met vonnis

Parket bij de Hoge Raad 10 maart 2026, IT 5224; ECLI:NL:PHR:2026:227 (het OM tegen [verdachte]). In deze strafzaak staat de vraag centraal of de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld en of hij eerder op de hoogte was van zijn veroordeling via WhatsApp. Het gerechtshof had het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat uit overgelegde WhatsApp-berichten tussen de verdachte en zijn raadsman zou blijken dat de verdachte al geruime tijd wist dat hij was veroordeeld. Volgens de wet (art. 408 lid 2 Sv) begint de termijn voor hoger beroep namelijk te lopen op het moment dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. In de bewuste berichten stuurde de verdachte onder meer een screenshot van de "Berichtenbox" van MijnOverheid en vroeg hij zijn advocaat om uitleg over de status van zijn zaak.

De A-G oordeelt echter dat de conclusie van het hof onbegrijpelijk is. De A-G stelt dat uit de WhatsApp-correspondentie weliswaar blijkt dat de verdachte wist dat er iets was beslist, maar niet dat hij bekend was met de specifieke inhoud van de uitspraak, met name de strafoplegging. Het screenshot van MijnOverheid toonde slechts een algemene notificatie en geen juridisch inhoudelijk vonnis. De A-G benadrukt dat voor het gaan lopen van de appeltermijn sprake moet zijn van een omstandigheid waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de verdachte wist dat er een einduitspraak was gedaan én wat de strekking daarvan was. Omdat de WhatsApp-berichten eerder duiden op onwetendheid en een verzoek om opheldering dan op daadwerkelijke bekendheid, adviseert de A-G de Hoge Raad om de uitspraak van het hof te vernietigen.

3.25 Het hof heeft niet zonder meer begrijpelijk geoordeeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte reeds in 2023 met de einduitspraak van de rechtbank bekend is geraakt als bedoeld in art. 408 lid 2 Sv. De toepassing van deze bepaling wordt mijns inziens onvoldoende gedragen door de vermelding in de bij e-mailbericht van 20 maart 2025 door de raadsman van de verdachte overgelegde Whatsapp-berichten “dat aan de verdachte in 2023 door de politie in Nijmegen een brief is overhandigd van de rechtbank in Arnhem waarin stond vermeld dat als de verdachte zich de komende twee jaar schuldig zou maken aan een strafbaar feit, hij voor twee maanden naar de gevangenis zou moeten” en door de omstandigheid dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 13 februari 2025 niet blijkt van de oplegging van andere voorwaardelijke gevangenisstraffen. Uit de onder 3.21 weergegeven zinnen en de overige inhoud van de onder 3.6 weergegeven Whatsapp berichten blijkt immers niet dat aan de verdachte is medegedeeld dat aan hem een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest is opgelegd. De berichten houden juist expliciet in dat niet aan de verdachte zou zijn medegedeeld dat hij naast twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf tot twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld (“THE LETTER DID NOT SAY AT ALL THAT I AM ALREADY CONVICTED OF 2 MONTHS PRISON.”) respectievelijk dat in de brief “only” over een voorwaardelijk strafdeel van twee jaren werd gesproken. Op grond van de berichten van de verdachte kan enkel worden vastgesteld dat aan hem een op de onderhavige zaak betrekking hebbende brief is uitgereikt met daarin de vermelding van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.