DOSSIERS
Alle dossiers

Contracten  

IT 5563

IT-leverancier schendt zorgplicht door gegevens niet vooraf veilig te stellen

Rechtbank Midden-Nederland 16 jan 2013, IT 5563; ECLI:NL:RBMNE:2013:BY7960 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/it-leverancier-schendt-zorgplicht-door-gegevens-niet-vooraf-veilig-te-stellen

Rb. Midden-Nederland 16 januari 2013, IT 5563; ECLI:NL:RBMNE:2013:BY7960 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] gaf [gedaagde] opdracht het besturingssysteem van zijn bijna zeven jaar oude Apple PowerBook te upgraden van Tiger naar Leopard. Daarbij had hij uitdrukkelijk aangegeven dat de gegevens op de laptop, waaronder een door hem geschreven boek, behouden moesten blijven. De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de crash van de harde schijf heeft veroorzaakt; gelet op de ouderdom van de laptop kon niet worden uitgesloten dat de harde schijf ook bij gebruik door [eiser] zelf zou zijn gecrasht. Wel is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in haar zorgplicht uit de overeenkomst van opdracht. Zij was de professionele partij, wist dat [eiser] weinig kennis van computers had, moest weten dat een upgrade risico op dataverlies meebracht en wist dat behoud van de gegevens voor [eiser] van groot belang was. Daarom had zij vóór aanvang van de werkzaamheden moeten proberen de gegevens veilig te stellen, bijvoorbeeld op een cd-rom, usb-stick of via webmail. De bepaling op het innameformulier dat [gedaagde] niet verantwoordelijk was voor verlies van data, bood haar geen bescherming, omdat die bepaling volgens de kantonrechter niet ziet op een tekortkoming in deze zorgplicht.

IT 5566

Cap Gemini aansprakelijk voor ernstige tekortkoming bij ontwikkeling en invoering IT-systeem

Gerechtshof Amsterdam 22 nov 2001, IT 5566; ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7868 (Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe tegen Cap Gemini Benelux B.V.), https://itenrecht.nl/artikelen/cap-gemini-aansprakelijk-voor-ernstige-tekortkoming-bij-ontwikkeling-en-invoering-it-systeem

Hof Amsterdam 22 november 2001, IT 5566; ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7868 (Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe tegen Cap Gemini Benelux B.V.). Liebeswerk Kirche in Not/Ostpriesterhilfe (KIN) had Cap Gemini opdracht gegeven een informatiesysteem te ontwikkelen dat op verschillende Europese vestigingen kon worden gebruikt. Nadat Cap Gemini had toegezegd dat het systeem gebruiksgereed zou zijn voor invoering in München, stelde KIN haar met een redelijke termijn in gebreke voor het geval dit op 1 juni 1987 niet het geval zou zijn. Uit het deskundigenbericht volgt dat het systeem op die datum hooguit het niveau van een bètaversie had: functioneel was het grotendeels gereed, maar operationeel nog niet geschikt om in productie te worden genomen. Voor herstel van de functionele tekortkomingen waren nog één tot twee manmaanden nodig en voor de operationele tekortkomingen drie tot zes manmaanden. Het hof oordeelt daarom dat Cap Gemini op 1 juni 1987 tekortgeschoten en in verzuim was. KIN mocht de overeenkomst vervolgens beëindigen en schadevergoeding verlangen. Bij de beoordeling van de ernst van de tekortkoming betrekt het hof tevens dat het systeem aanzienlijk later dan oorspronkelijk voorzien nog niet naar behoren functioneerde, verdere implementatie in andere landen nog aanzienlijke inspanningen vergde en de deskundigen hadden geoordeeld dat bij de uitvoering van het project tegen vrijwel alle basisregels van projectmanagement was gezondigd. De tekortkoming wordt daarom als ernstig aangemerkt.

IT 5562

Geen schadevergoeding voor gestelde tekortkomingen bij bouw en marketing van webshop

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 dec 2024, IT 5562; ECLI:NL:GHSHE:2024:3939 ([bedrijf A] tegen [bedrijf B]), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-schadevergoeding-voor-gestelde-tekortkomingen-bij-bouw-en-marketing-van-webshop

Hof 's-Hertogenbosch 10 december 2024, IT 5562; ECLI:NL:GHSHE:2024:3939 ([bedrijf A] tegen [bedrijf B]). [bedrijf A], verkoper van onder meer tuin- en parkmachines, gaf [bedrijf B], een online marketing- en webbureau, opdracht een nieuwe webshop te bouwen en verrichtte later met haar ook online marketingwerkzaamheden. Na ingebruikname van de webshop stelde [bedrijf A] dat [bedrijf B] was tekortgeschoten vanwege onder meer technische gebreken, trage en instabiele hosting, problemen met koppelingen en facturering, gebrekkige online marketing en het verloren gaan van gegevens uit oude webshops en e-mailverkeer. De rechtbank wees haar vorderingen af. Ook in hoger beroep krijgt [bedrijf A] geen gelijk. Het hof oordeelt dat de webshop op 25 september 2019 door ingebruikname is opgeleverd en dat de algemene voorwaarden van [bedrijf B] op de overeenkomst van toepassing zijn. Voor bepaalde gestelde gebreken geldt dat [bedrijf A] die in eerste aanleg niet langer aan haar vordering ten grondslag had gelegd en daarop in hoger beroep niet kan terugkomen. Voor andere klachten acht het hof van belang dat [bedrijf B] herstelwerkzaamheden heeft verricht en [bedrijf A] vervolgens zelf had bericht dat de webshop goed werkte. [bedrijf B] verkeerde daarom op dat punt niet in verzuim. Ten aanzien van de later gestelde traagheid van de hosting heeft [bedrijf A] na de herstelwerkzaamheden niet tijdig opnieuw geklaagd, zodat zij daarop geen beroep meer kan doen. Bovendien is de daarvoor gevorderde schade onvoldoende onderbouwd.

IT 5565

IT-dienstverlener aansprakelijk voor ransomware-schade wegens onvoldoende beveiliging

Rechtbank Amsterdam 14 nov 2018, IT 5565; ECLI:NL:RBAMS:2018:10124 (O'Cliance tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/it-dienstverlener-aansprakelijk-voor-ransomware-schade-wegens-onvoldoende-beveiliging

Rb. Amsterdam 14 november 2018, IT 5565; ECLI:NL:RBAMS:2018:10124 (O'Cliance tegen [gedaagde]). O’Cliance had [gedaagde], een IT-dienstverlener, opdracht gegeven een volledige IT-infrastructuur aan te leggen en vervolgens op afroep te beheren en onderhouden. Nadat hackers via ransomware toegang hadden gekregen tot het netwerk en zowel bestanden op de server als back-upbestanden hadden versleuteld, stelde O’Cliance [gedaagde] aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat de opdracht tot levering van een totaalpakket mede inhield dat [gedaagde] voor een adequate beveiliging van het netwerk moest zorgen. Het netwerk was echter zonder firewall en zonder externe back-upstructuur ingericht. Ook als O’Cliance bepaalde beveiligingsmaatregelen vanwege de kosten had afgewezen, mocht [gedaagde] daar als professionele IT-deskundige niet zonder meer in berusten. Hij had de opdracht moeten weigeren, alternatieven moeten aandragen of O’Cliance ten minste indringend en herhaaldelijk voor de risico’s moeten waarschuwen. Dat O’Cliance zelf over enige IT-kennis beschikte, ontsloeg hem niet van die verantwoordelijkheid. Omdat onvoldoende is gebleken dat hij meer heeft gedaan dan een enkele waarschuwing geven, is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst.

IT 5553

Juridische uitlegkwesties over earn-out vallen niet onder reikwijdte bindendadviesprocedure

Rechtbank Rotterdam 23 sep 2026, IT 5553; ECLI:NL:RBROT:2026:12508 ([bedrijf] tegen Manus, Grant Thornton c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/juridische-uitlegkwesties-over-earn-out-vallen-niet-onder-reikwijdte-bindendadviesprocedure

Rb. Rotterdam 23 september 2026, IT 5553; ECLI:NL:RBROT:2026:12508 ([bedrijf] tegen Manus, Grant Thornton c.s.). Manus heeft alle aandelen in M&I Broadcast Services van [bedrijf] gekocht. De koopprijs bestond uit een vaste koopprijs van ongeveer € 7 miljoen en een Earn Out Payment van maximaal € 3 miljoen. Nadat partijen het niet eens werden over de berekening van de earn-out, hebben zij [naam adviseur] van Grant Thornton als bindend adviseur ingeschakeld. Nadat een concept bindend advies was uitgebracht, stelde Manus zich op het standpunt dat de adviseur buiten zijn opdracht was getreden doordat hij bepalingen uit de Share Purchase Agreement (SPA) juridisch had uitgelegd. Manus beëindigde daarop de bindendadviesprocedure en startte een arbitrageprocedure bij het NAI. [bedrijf] vordert in kort geding onder meer dat Manus de opschortings- en beëindigingsverklaringen intrekt en meewerkt aan voortzetting van de bindendadviesprocedure en dat Grant Thornton c.s. die procedure hervatten. Hoewel het geschil tussen [bedrijf] en Manus onder het arbitragebeding in de SPA valt, acht de voorzieningenrechter zich op grond van art. 1022c Rv absoluut bevoegd. De gevorderde voorzieningen richten zich namelijk ook tegen Grant Thornton c.s., die niet aan het arbitragebeding zijn gebonden. Omdat de vorderingen nauw met elkaar samenhangen en niet goed kunnen worden gesplitst, kan [bedrijf] in arbitrage niet dezelfde beslissingen verkrijgen als in dit kort geding.

IT 5550

Vattenfall mag terugleverkosten niet eenzijdig invoeren zonder contractuele grondslag

Rechtbank Amsterdam 25 sep 2026, IT 5550; ECLI:NL:RBAMS:2026:9661 ([eisende partij] tegen Vattenfall), https://itenrecht.nl/artikelen/vattenfall-mag-terugleverkosten-niet-eenzijdig-invoeren-zonder-contractuele-grondslag

Rb. Amsterdam 25 september 2026, IT 5550; ECLI:NL:RBAMS:2026:9661 ([eisende partij] tegen Vattenfall). De kantonrechter oordeelt dat Vattenfall bij deze consument niet eenzijdig terugleverkosten in rekening mag brengen. De overeenkomst op grond waarvan de consument sinds 2020 elektriciteit uit zonnepanelen aan Vattenfall teruglevert, is een zelfstandige overeenkomst naast de leveringsovereenkomst. De Algemene Voorwaarden 2017 zijn daarop niet van toepassing. In de terugleveringsovereenkomst is uitsluitend bepaald dat de consument een vergoeding ontvangt voor de teruggeleverde elektriciteit. Over terugleverkosten of een bevoegdheid van Vattenfall om later nieuwe kostencomponenten toe te voegen is niets overeengekomen. Als professionele partij had Vattenfall die mogelijkheid in de overeenkomst moeten opnemen of toepasselijke algemene voorwaarden met een wijzigingsmogelijkheid moeten overeenkomen. Dat de hoogte van de terugleververgoeding kon wijzigen, betekent volgens de kantonrechter niet dat de consument ook rekening hoefde te houden met een wijziging van de prijsstructuur waarbij hij voor het terugleveren juist kosten verschuldigd zou worden.

IT 5534

Onvoldoende onderbouwing softwareverplichtingen leidt tot afwijzing wederzijdse vorderingen

Rechtbank Overijssel 9 sep 2026, IT 5534; ECLI:NL:RBOVE:2026:5571 (TJ tegen Carsub), https://itenrecht.nl/artikelen/onvoldoende-onderbouwing-softwareverplichtingen-leidt-tot-afwijzing-wederzijdse-vorderingen

Rb. Overijssel 9 september 2026, IT 5534; ECLI:NL:RBOVE:2026:5571 (TJ tegen Carsub). Tomorrow’s Journey Ltd. (TJ), eigenaar van het JRNY-softwareplatform, en Carsub B.V. sloten op 24 januari 2024 een softwareovereenkomst met daarbij een Statement of Work en een Service Level Agreement. Carsub betaalde een eenmalige custom development fee van £ 10.000 en vervolgens een maandelijkse licentievergoeding van £ 2.500. Vanaf februari 2025 stopte Carsub met betalen, omdat het platform volgens haar niet voldeed aan de gemaakte afspraken en niet geschikt was voor haar bedrijfsvoering met flexibele autoabonnementen. TJ vorderde betaling van de achterstallige en resterende licentievergoedingen, contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank wijst deze vorderingen af. Uit de Statement of Work leidt de rechtbank af dat TJ zich tot méér had verplicht dan alleen toegang geven tot het standaard JRNY-platform: daarin worden onder meer de ontwikkeling van een volledig abonnementsplatform en verschillende maatwerkaanpassingen genoemd. TJ heeft echter onvoldoende concreet gesteld welke verplichtingen precies op haar rustten, welk maatwerk zij moest leveren en in hoeverre zij die verplichtingen is nagekomen. Op grond van art. 150 Rv rustte op TJ de stelplicht en bewijslast van de feiten waarop haar betalingsvorderingen waren gebaseerd. Omdat zij haar stellingen onvoldoende had onderbouwd, kan de rechtbank niet vaststellen dat TJ haar verplichtingen uit de overeenkomst is nagekomen en dat Carsub daarom gehouden was de gevorderde licentievergoedingen te betalen.

IT 5532

Gebruik energienetwerk zonder leverancierscontract leidt tot ongerechtvaardigde verrijking

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 aug 2026, IT 5532; ECLI:NL:RBZWB:2026:8462 (Enexis tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/gebruik-energienetwerk-zonder-leverancierscontract-leidt-tot-ongerechtvaardigde-verrijking

Rb. Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2026, IT 5532; ECLI:NL:RBZWB:2026:8462 (Enexis tegen [gedaagde]). [gedaagde] heeft in de periode van 6 februari 2024 tot 10 april 2024 op haar adres energie afgenomen zonder dat zij een leveringsovereenkomst met een energieleverancier had. Zij heeft in die periode niet betaald voor het energieverbruik, de aansluiting, het transport van energie en het gebruik van de meetinstallatie. Enexis vorderde daarom € 1.480,97 op grond van onder meer ongerechtvaardigde verrijking. De kantonrechter stelt voorop dat op grond van art. 6:212 lid 1 BW degene die zonder redelijke grond is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is de schade van die ander te vergoeden voor zover dat redelijk is. Enexis is volgens de kantonrechter verarmd doordat voor het energieverbruik, de transport- en aansluitkosten en het gebruik van de meetinstallatie geen vergoeding is ontvangen, terwijl [gedaagde] is verrijkt doordat zij daarvan gebruik heeft gemaakt zonder ervoor te betalen. Het verweer dat het door Enexis berekende verbruik niet juist was, slaagt niet. Enexis heeft toegelicht dat het verbruik is vastgesteld aan de hand van het verschil tussen de eindmeterstanden van de eerdere energieleverancier en de beginmeterstanden van de daaropvolgende leverancier. Omdat op het adres een slimme meter aanwezig was, betrof dit volgens Enexis het werkelijke verbruik en geen schatting. [gedaagde] heeft vervolgens onvoldoende onderbouwd waarom het aldus vastgestelde verbruik toch onjuist zou zijn.

IT 5531

Geen recht op administratoraccount tijdens lopende ICT-overeenkomst en geen toewijzing geldvorderingen ICT-dienstverlener

Rechtbank Gelderland 8 sep 2026, IT 5531; ECLI:NL:RBGEL:2026:6919 (De Variabele tegen MTJ), https://itenrecht.nl/artikelen/geen-recht-op-administratoraccount-tijdens-lopende-ict-overeenkomst-en-geen-toewijzing-geldvorderingen-ict-dienstverlener

Rb. Gelderland 8 september 2026, IT 5531; ECLI:NL:RBGEL:2026:6919 (De Variabele tegen MTJ). De Variabele en ICT-dienstverlener MoreThanJust (MTJ) hebben in mei 2025 de overeenkomst ‘De Moderne Werkplek’ gesloten, op grond waarvan MTJ de ICT-omgeving van De Variabele opnieuw zou inrichten en deze vervolgens gedurende 36 maanden zou beheren en beveiligen. Nadat De Variabele onderdeel was geworden van de OMDUS-groep wilde zij haar ICT-infrastructuur binnen de groep harmoniseren en verlangde zij van MTJ onder meer toegang tot een Global Administrator-account, zodat haar nieuwe ICT-dienstverlener de migratie naar een gezamenlijke omgeving kon voorbereiden. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overeenkomst niet volgt dat MTJ tijdens de looptijd verplicht is administratorrechten te verstrekken. Dat volgt evenmin uit de aard of strekking van de overeenkomst, omdat De Variabele het beheer en de beveiliging van haar ICT-omgeving voor de overeengekomen periode juist aan MTJ heeft uitbesteed. Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat De Variabele eigenaar is van de betreffende gegevens en op grond van art. 5:2 BW in beginsel bevoegd is de feitelijke macht daarover terug te eisen, wordt ook de daarop gebaseerde vordering afgewezen. Onbeperkte toegang voor een derde zou het voor MTJ moeilijk maken om storingen en beveiligingslekken te herleiden en haar contractuele verantwoordelijkheid voor beheer en beveiliging te dragen. Volgens de voorzieningenrechter zou verstrekking van een Global Administrator-account alleen mogelijk zijn indien De Variabele MTJ volledig vrijwaart voor de daarmee samenhangende risico’s; een volledige migratie vormt een alternatief, maar daarop waren de vorderingen niet gericht. Ook het beroep van De Variabele op haar verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG leidt niet tot toewijzing, omdat niet is gebleken dat zij zonder administratorrechten niet aan die verplichtingen kan voldoen. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen.

IT 5509

Hof Amsterdam: blokkering softwaresystemen levert voorshands wanprestatie en persoonlijke onrechtmatige daad op

Gerechtshof Amsterdam 4 sep 2026, IT 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]), https://itenrecht.nl/artikelen/hof-amsterdam-blokkering-softwaresystemen-levert-voorshands-wanprestatie-en-persoonlijke-onrechtmatige-daad-op

Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23808; 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]). Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Hof Amsterdam in kort geding een geschil over een samenwerking voor de distributie en verdere ontwikkeling van software voor identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. Het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd en gaat voor de contractuele vordering tegen [appellant 1] uit van Nederlands recht, omdat de rechtsverhouding voorshands als distributieovereenkomst moet worden gekwalificeerd; een gestelde rechtskeuze voor Amerikaans recht is onvoldoende aannemelijk. Ook op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [appellant 2] is Nederlands recht van toepassing. Het hof gaat bovendien uit van het vereiste spoedeisend belang. Voldoende aannemelijk is dat partijen een langdurige duurovereenkomst waren aangegaan en dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen schond door de overeenkomst met slechts een termijn van een week te beëindigen en [geïntimeerde] de toegang tot haar systemen te ontzeggen. De blokkades belemmerden [geïntimeerde] ernstig in haar bedrijfsvoering. Het hof acht daarom voorshands sprake van wanprestatie door [appellant 1]. Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van [appellant 2] bij de blokkades en zijn feitelijke invloed op de bedrijfsvoering van [appellant 1], acht het hof tevens voldoende aannemelijk dat hij persoonlijk onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Het geschil over het auteursrecht op de verder ontwikkelde “+software” geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.