Onregelmatige beëindiging marketingovereenkomst rechtvaardigt ontbinding; laatste websitefactuur wel verschuldigd
Rb. Overijssel 14 juli 2026, IT 5407; ECLI:NL:RBOVE:2026:3998 ([partij A] tegen [partij B]). Partijen hadden twee afzonderlijke overeenkomsten van opdracht gesloten: een marketingovereenkomst voor maandelijkse werkzaamheden en een websiteovereenkomst voor de bouw van een nieuwe website. Het marketingbureau deelde op 2 juli 2025 mee dat het de samenwerking per augustus zou afronden, terwijl de marketingovereenkomst in ieder geval tot 31 oktober 2025 liep. Artikel 7:408 lid 2 BW stond niet centraal aan de beëindiging in de weg, omdat deze bepaling van regelend recht is en partijen daarvan in de algemene voorwaarden waren afgeweken. Op grond van die voorwaarden mocht het bureau echter alleen beëindigen wanneer de opdrachtgever haar verplichtingen niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakwam. Daarvan was geen sprake: de factuur voor juli was op 2 juli nog niet opeisbaar, de factuur voor de laatste websitefase was nog niet verzonden en er was niet onderbouwd dat de opdrachtgever zonder toestemming een derde had ingeschakeld. Het bureau schoot daarom tekort door de marketingovereenkomst zonder contractuele grond vroegtijdig te beëindigen. Uit de mededeling dat vanaf augustus geen marketingwerkzaamheden meer zouden worden verricht, mocht de opdrachtgever afleiden dat het bureau niet zou nakomen, zodat het op grond van artikel 6:83 onder c BW zonder ingebrekestelling in verzuim raakte. De opdrachtgever mocht de marketingovereenkomst daarom op grond van artikel 6:265 BW ontbinden en hoefde de factuur van € 1.064,80 voor juli niet te betalen. De gevorderde schadevergoeding van € 850 voor een online brochure wordt afgewezen, omdat onvoldoende was onderbouwd dat die brochure tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde.