Verzekeraar krijgt geen inzage in politierapport na overlijden verzekerde
Rb. Noord-Holland 10 november 2025, IT 5060; ECLI:NL:RBNHO:2025:13692 (IptiQ tegen de politie). IptiQ is een verzekeraar en heeft in 2022 met wijlen [R.] en [D.] een overlijdensrisicoverzekering afgesloten. Een algemene uitsluitingsclausule bestaat wanneer het overlijden het gevolg is van zelfdoding of een poging daartoe. Dit geldt alleen als de (poging tot) zelfdoding heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering. [R.] is op 20 januari 2023 overleden door een treinongeluk. De exacte toedracht was onduidelijk. Sedgwick, in opdracht van IptiQ, had geprobeerd informatie te verkrijgen bij de politie, maar kreeg te horen dat er geen wettelijke grondslag bestond voor verstrekking. De politie had aangegeven dat nabestaanden via een rouwverzoek eventueel inzage konden krijgen, maar de nabestaanden wilden dat niet. IptiQ verzocht daarom de rechtbank om afgifte van de processen-verbaal op grond van artikel 196 Rv (voorlopige bewijsverrichting). In deze verzoekschriftprocedure staat de vraag centraal of de politie gehouden is om de gegevens die naar aanleiding van het overlijden van een verzekerde van IptiQ zijn opgemaakt aan IptiQ als verzekeraar beschikbaar te stellen. IptiQ stelt recht en belang te hebben bij afgifte van deze gegevens om de oorzaak van het overlijden van haar verzekerde, welke oorzaak niet vaststaat, te achterhalen. Het is volgens haar de enige manier waarop objectief kan worden vastgesteld onder welke omstandigheden haar verzekerde is overleden. Zij vordert op grond van artikel 196 Rv afgifte van de door de politie opgemaakte gegevens. De politie verzet zich tegen dit verzoek.
HvJEU beantwoordt prejudiciële vragen over het begrip "communicatie"
HvJEU 13 november 2025, IT 5059; ECLI:EU:C:2025:871 (Inteligo Media tegen ANSPDCP). Inteligo Media is de uitgever van het onlinetijdschrift avocatnet.ro, dat bestemd is om een breed en niet juridisch gespecialiseerd publiek te informeren over de dagelijkse wetswijzigingen in Roemenië. In een geschil met de Roemeense toezichthouder (ANSPDCP) werden er vragen gesteld aan het Hof:
1) In het geval dat een uitgever van een onlinetijdschrift waarmee een breed en niet-gespecialiseerd publiek wordt geïnformeerd over de dagelijks in Roemenië doorgevoerde wetswijzigingen, het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt wanneer deze een gratis gebruikersaccount aanmaakt, waarmee deze gebruiker i) gratis toegang krijgt tot aanvullende artikelen van het betrokken tijdschrift, ii) dagelijks per e-mail een nieuwsbrief ontvangt met een samenvatting van de nieuwe wetgeving die in de artikelen van het tijdschrift wordt behandeld, met hyperlinks naar die artikelen, en iii) tegen betaling toegang krijgt tot aanvullende en/of uitgebreidere artikelen en analysen van dit tijdschrift dan in de gratis dagelijkse nieuwsbrief,
a) is dat e-mailadres dan door die uitgever verkregen ‚in het kader van de verkoop van een product of een dienst’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
b) is de verzending door die uitgever van een nieuwsbrief zoals beschreven in punt ii) dan ‚direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
2) Indien op de eerste vraag onder a) en b) bevestigend wordt geantwoord: welke van de voorwaarden in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), AVG zijn van toepassing wanneer de uitgever het e‑mailadres van de gebruiker aanwendt voor het verzenden van een dagelijkse nieuwsbrief als beschreven in de eerste vraag, onder ii), overeenkomstig de vereisten van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?
3) Moet artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin het begrip ‚commerciële communicatie’ zoals gedefinieerd in artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31] wordt gebruikt, in plaats van het begrip ‚direct marketing’ zoals gedefinieerd in richtlijn [2002/58]? Indien het antwoord ontkennend luidt: vormt de in de eerste vraag, onder ii), omschreven nieuwsbrief een ‚commerciële communicatie’ in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31]?
4) Indien op de eerste vraag, onder a) en b), ontkennend wordt geantwoord:
a) vormt de verzending per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief zoals beschreven in de eerste vraag, onder ii), ‚gebruik van [...] e‑mail met het oog op direct marketing’ in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58], of
b) moet artikel 95 [AVG] juncto artikel 15, lid 2, van richtlijn [2002/58] aldus worden uitgelegd dat het niet voldoen aan de voorwaarde dat geldige toestemming van de gebruiker moet zijn verkregen in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58] wordt bestraft overeenkomstig artikel 83 [AVG], of dat dit feit wordt bestraft overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen van de regeling waarbij richtlijn [2002/58] is omgezet, die zelf ook specifieke toepasselijke sancties bevat?
5) Moet artikel 83, lid 2, [AVG] aldus worden uitgelegd dat een toezichthoudende autoriteit die beslist over het al of niet opleggen van een bestuurlijke geldboete en de hoogte daarvan, voor elk individueel geval in de sanctiebeslissing moet analyseren en motiveren welk gevolg elk van de criteria onder a) tot en met k) van die bepaling heeft gehad voor de beslissing om een geldboete op te leggen en, respectievelijk, voor de beslissing inzake de hoogte van die geldboete?”
Kort geding over gebrekkige website: toegang, schadevoorschot en beheer toegewezen
Rb. Midden-Nederland 3 december 2025, IEF 23196; IT 5058; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het bouwen van een webshop voor [eiseres sub 1] c.s. De website is ondanks herhaalde toezeggingen niet deugdelijk opgeleverd en vertoont structurele gebreken. Na een ingebrekestelling en een daaropvolgende omzettingsverklaring vordert [eiseres sub 1] c.s. in kort geding onder meer medewerking aan herstel door een derde, een voorschot op vervangende schadevergoeding en overdracht van het beheer van hosting en domeinnamen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, mede omdat de webshop in een omzetkritieke periode slecht functioneert, en acht het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een tekortkoming die omzetting naar vervangende schadevergoeding rechtvaardigt.
Uitspraak ingezonden door Floortje Eijdems, Banning.
Vorderingen De Waarden Groep c.s. afgewezen: KvK handelde niet onrechtmatig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, IT 5057; ECLI:NL:GHARL:2025:7900 (KvK tegen De Waarden Groep c.s.). De Waarden Groep is een kraamzorgorganisatie die kraamzorg levert in het westen van Nederland. Geboortezorg is een landelijke brancheorganisatie binnen de kraamzorgbranche die zich richt op landelijke belangenbehartiging en ondersteuning van zorgorganisaties die actief zijn in de geboortezorg. De Waarden Groep is een van de leden van Geboortezorg. De Waarden Groep c.s. heeft KvK gevraagd om de gegevens van de persoon of personen die uittreksels uit het handelsregister van onder meer De Waarden Groep en Geboortezorg hebben opgevraagd. KvK heeft geweigerd die gegevens te verstrekken. De Waarden Groep c.s. vindt dat KvK die gegevens wel moest verstrekken. De Waarden Groep c.s. heeft bij de rechtbank gevorderd dat KvK werd bevolen om accountgegevens, (e-mail)adresgegevens en bankgegevens te verstrekken van de personen die genoemde uittreksels uit het handelsregister hadden opgevraagd. De rechtbank heeft deze vorderingen deels toegewezen (IT 4647). De KvK beoogt met dit hoger beroep dat de vorderingen van De Waarden Groep c.s. alsnog volledig worden afgewezen.
Betrouwbaarheid iDIN in concrete geval onvoldoende onderbouwd
Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, IT 5056; ECLI:NL:GHARL:2025:6520 ([appellante] tegen BMW). BMW vordert betaling van achterstallige bedragen uit een private-leaseovereenkomst die volgens haar op 1 juli 2020 met [appellante] is gesloten. De overeenkomst is digitaal ondertekend met een geavanceerde elektronische handtekening via iDIN. [appellante] betwist dat zij de overeenkomst heeft gesloten en stelt dat sprake is van identiteitsfraude door een kennis. Zij was rond het moment van ondertekening in Spanje en had de auto nooit ontvangen. Het hof onderzoekt of de met iDIN geplaatste elektronische handtekening in dit concrete geval voldoende betrouwbaar was in de zin van artikel 3:15a BW, zodat zij dezelfde rechtsgevolgen heeft als een handgeschreven handtekening.
Artikel 13 AVG bij verzameling persoonsgegevens met bodycams
HvJ EU Conclusie A-G 1 augustus 2025, IT 5055; ECLI:EU:C:2025:623 (Integritetsskyddsmyndigheten tegen AB Storstockholms Lokaltrafik). AB Storstockholms Lokaltrafik (openbaar vervoer Stockholm) rust haar kaartcontroleurs uit met bodycams. Deze nemen continu beeld en geluid op en worden gebruikt bij het uitschrijven van boetes en ter voorkoming en documentatie van agressie. Opnames worden standaard na één minuut gewist, tenzij de controleur de wissing handmatig onderbreekt (bijvoorbeeld bij een boete of bedreiging). De Zweedse Autoriteit voor Gegevensbescherming (Integritetsskyddsmyndigheten) oordeelde dat SL tussen 2018 en 2021 de AVG had geschonden, onder meer doordat passagiers onvoldoende waren geïnformeerd over de gegevensverwerking. SL kreeg een boete van 16 miljoen SEK, waarvan 4 miljoen SEK specifiek wegens schending van de informatieplicht van artikel 13 AVG. De prejudiciële vraag die gesteld werd: "Is bij het verzamelen van persoonsgegevens met bodycams artikel 13 AVG (gegevens rechtstreeks van de betrokkene) of artikel 14 AVG (gegevens niet van de betrokkene verkregen) van toepassing?"
Klacht over onjuiste en herleidbare informatie in nieuwsbericht
HR 19 december 2025, IT 5053; ECLI:NL:HR:2025:1980 (Verzoekster tegen het gerechtsbestuur). De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden heeft een klacht van verzoekster ontvangen over een op www.rechtspraak.nl gepubliceerd nieuwsbericht over een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2023. De procureur-generaal heeft een vordering ingesteld. Deze vordering strekt ertoe dat de Hoge Raad een onderzoek instelt naar de wijze waarop het gerechtsbestuur de persoonsgegevens van verzoekster en haar jongste dochter in het nieuwsbericht heeft verwerkt. De klacht bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel klaagt over een feitelijke onjuistheid in het nieuwsbericht. Het tweede onderdeel klaagt erover dat de in het nieuwsbericht gegeven informatie tot verzoekster herleidbaar is en zij daarmee in een negatief daglicht is komen te staan. De AVG is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door gerechten.
Uitspraak ingezonden door Maurits van Beusekom en Gregor Vos, Brinkhof.
Vordering tot rectificatie en verbod misleidende reclame MammaPrint afgewezen
Rb. Amsterdam 17 december 2025, IEF 23191; RB 3953; IT5054; C/13/778526 / KG ZA 25-918 NB/MV (Exact Sciences, Genomic Health Inc. tegen Agendia). Exact Sciences biedt een in-vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt ook een IVD aan onder de naam MammaPrint. Volgens Exact Sciences heeft Agendia zich schuldig gemaakt aan misleidende reclame in de zin van artikel 7 onder a en b IVDR. Agendia zou het ten onrechte doen voorkomen dat MammaPrint even goed, of zelfs beter, presteert dan Oncotype DX. Exact Sciences heeft Agendia gesommeerd binnen één dag de misleidende uitingen te staken en een rectificatie te plaatsen. Agendia heeft niet aan die sommatie voldaan. Exact Sciences vordert in kort geding Agendia te verbieden misleidende uitingen te doen over MammaPrint.
Prejudiciële vragen gesteld over of het betalen met persoonsgegevens valt onder de oneerlijke handelspraktijk
Prejudiciële vragen gesteld aan HvJEU 2 oktober 2025, IEF 23180; IEFbe 4071; IT 5050; C-643/25 (Verbraucherzentrale Bundesverband) via MinBuza. Verweerder is Meta Platforms Ireland, beheerder van Facebook. Verzoekster is een vereniging van consumentenbeschermingsorganisaties, en bekritiseert de vermelding op Facebook waar staat: ‘Facebook is en blijft gratis’. Volgens verzoekster is dit oneerlijk en misleidend, omdat de gebruiker ‘betaalt’ met het beschikbaar stellen van zijn persoonsgegevens. Het is de vraag of het betalen met persoonsgegevens valt onder de oneerlijke handelspraktijk van punt 20 van bijlage I bij richtlijn 2005/29.
GenAI-output als illegale inhoud? De implicaties van Gema v. OpenAI voor de toepassing van de DSA
Artikel door Kees Bulder (BumaStemra)
Sinds de opkomst van generatieve artificiële intelligentie (vanaf hier: genAI), is er in toenemende mate aandacht voor de positie van makers die hun bestaanszekerheid onder druk zien staan. In de schaduw van de fundamentele vraag of de genAI-modellen van AI-ontwikkelaars auteursrechtinbreuk maken, tekent zich ook een nieuwe vraag af: bestaat er in dit debat een juridische verantwoordelijkheid voor online platforms die overspoeld worden met genAI-output? Deze vraag blijkt bijzonder actueel, mede gelet op de recente uitspraak in de rechtszaak tussen Gema en OpenAI in Duitsland.[1] In essentie concludeerde de Duitse rechter dat OpenA inbreuk heeft gemaakt op Gema’s auteursrechten door zonder haar toestemming het welbekende genAI-model ChatGPT te trainen op auteursrechtelijk beschermde teksten van haar leden, onder meer gelet op de verveelvoudigingen die binnen dit genAI-model plaatsvinden en buiten de reikwijdte vallen van de auteursrechtbeperking op tekst- en datamining. Niet alleen heeft deze uitspraak mogelijk vergaande implicaties voor andere genAI-ontwikkelaars met een vergelijkbare genAI-architectuur, maar mogelijk ook voor aanbieders van online platforms waar miljoenen gebruikers genAI-output delen en verspreiden.





























