Staat mocht minicompetitie voor Cisco-apparatuur intrekken wegens afwijkende berekeningsmethode
Rb. Den Haag 3 juli 2026, IT 5469; ECLI:NL:RBDHA:2026:21394 (Computacenter en Protinus tegen de Staat). In deze zaak gaat het om een minicompetitie onder de raamovereenkomst ROAD2023 Netwerken voor de levering van Cisco-netwerk- en beveiligingsapparatuur aan Rijkswaterstaat. De Staat sloot die raamovereenkomst na een aanbesteding in 2024 met vier partijen, waaronder Computacenter en Protinus. In de raamovereenkomst wordt het opslagpercentage van de leverancier berekend over de prijs van de fabrikant of distributeur. In de nadere offerteaanvraag voor de minicompetitie koos de Staat een andere systematiek: de gemiddelde opslag werd afgetrokken van de gemiddelde korting op de bruto Cisco-prijslijst, waarna het resulterende nettokortingspercentage op de listprijs werd toegepast. Computacenter schreef in, maar de Staat legde haar inschrijving terzijde omdat zij in het tabblad Totaal NOK een hoger opslagpercentage had ingevuld dan het maximum uit de raamovereenkomst. Kort daarna trok de Staat de hele minicompetitie in. Volgens de Staat week de berekeningsmethode in de uitvraag af van de raamovereenkomst en waren de spelregels rond korting en opslag onvoldoende duidelijk, waardoor de inschrijvingen niet goed vergelijkbaar waren. Protinus vordert dat de Staat de intrekking ongedaan maakt en de minicompetitie voortzet. Computacenter stelt voorwaardelijke vorderingen voor het geval de minicompetitie toch wordt voortgezet en wil dan dat de Staat haar inschrijving alsnog beoordeelt, herstelt of corrigeert.