Working document met belangrijkste wijziging persoonlijke data
2. Main elements of the reform
The main elements of the reform are the following:
- data protection as a fundamental right as enshrined in Article 8 of the Charter and Article 16 TFEU, and in that regard improving the ability of individuals to control their data (freely given, informed and explicit consent, right to rectification, to erasure and to be forgotten, right to information and access to own data, data portability, the right to object);
- maintaining the principle of covering all kinds of situations and all kinds of sectors (except national security, common foreign and security policy, and exclusively nongainful personal activity) with the same or a similar set of rules, whereby the same principles and mechanisms apply to the public and private sector, with necessary and proportionate limitations for the area of law enforcement;
- adapting data protection rules to the new technological progress in a technically neutral way (for example: privacy by design and privacy by default);
- providing effecting means for safeguarding the fundamental right to data protection (purpose limitation, responsibilities of the controller, notification and communication of data breaches, strong and independent national data protection authorities, data protection officers at all public authorities, in companies above a specific size, or in special situations, effective administrative and judicial remedies);
- preventing fragmentation and providing legal certainty for individuals, enterprises (as regards the single market) and public entities through the introduction of the so-called "one stop shop" system (competence of the data protection authority of the main establishment of the controller or processor), and the "consistency mechanism";
- providing harmonisation on basic data protection principles as regards the handling and exchange of data by police and judicial authorities for the purposes of the prevention, investigation, detection or prosecution of criminal offences or the execution of criminal penalties (data protection aspects being an essential part of existing and proposed EU legislation in that regard), thereby also ending the current situation where EU rules (Framework Decision 2008/977/JHA) applied only if a cross-border element was present;
- providing a safe and sound system of data transfers to third countries (either on an adequacy decision for a country, territory or processing sector - based, inter alia, on rights for effective administrative and judicial redress for data subjects residing in the Union - or on specific appropriate safeguards in legally binding instruments) and to promote the EU system abroad (including agreements with third countries).
Zwitsers arbitrage, dus voorlopige maatregelen naar EEX
Vzr. Rechtbank Haarlem 18 juli 2012, LJN BX7238 (Martinshof tegen Raymond Weil)
Geschil over beëindiging exclusieve distributieovereenkomst. Arbitragerecht.
Raymond Weil is een Zwitsers bedrijf dat zich toelegt op het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van horloges van het eigen merk ‘Raymond Weil’ in het luxe marktsegment. Martinshof is vanaf 1993 de vaste en exclusieve distributeur van Raymond Weil in Nederland.
Gedaagde is in Zwitserland gevestigd en partijen hebben in de distributieovereenkomst een arbitrage-clausule opgenomen, inhoudende dat alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen voor een Zwitsers scheidsgerecht zullen worden beslecht. Voorts hebben partijen in die overeenkomst een rechtskeuze voor Zwitsers recht gedaan. Gevolg hiervan is dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot die overeenkomst slechts haar grond kan vinden in artikel 24 EEX.
Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding is niet een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX, tenzij is voldaan aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 17 november 1998 (Van Uden/Deco; LJN: AD2958) genoemde voorwaarden. Aan deze voorwaarden is niet voldaan, nu door eiseres geen garantie is gegeven dat een eventueel toegewezen bedrag door haar zal worden terugbetaald en niet is gebleken dat de geldvordering betrekking heeft op vermogensbestanddelen van gedaagde die zich binnen Nederland (zullen) bevinden.
De vordering tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding is derhalve niet als een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX is aan te merken, zodat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding kennis te nemen. Het feit dat gedaagde in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te betwisten doet aan het voorgaande niet af, nu een dergelijke verschijning niet volstaat om op grond van artikel 18 EEX een dergelijke bevoegdheid aan te nemen (zoals overwogen in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 27 april 1999 (Mietz/Intership; LJN: AD 3042, r.o. 52).
De voorzieningenrechter
in conventie
7.1. verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding door Raymond Weil,
7.2. weigert de overige gevraagde voorzieningen,In reconventie
7.5. beveelt Martinshof om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan Raymond Weil te verstrekken een volledige opgave van haar voorraad artikelen van (het merk van) Raymond Weil,
7.6. veroordeelt Martinshof om aan Raymond Weil een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag dat niet aan de onder 7.5 uitgesproken hoofdveroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
Hyperlinken naaktfoto's Playboy onder omstandigheden niet toegestaan
Rechtbank Amsterdam 12 september 2012, LJN BX7043 (Sanoma Media, Playboy en Britt Dekker tegen GeenStijl Media) - persbericht
Eerder gepubliceerd als IEF 11743. Uitspraak ingezonden door Christiaan Alberdingk Thijm en Vita Zwaan, SOLV.
Auteursrecht. Hyperlinken naar naaktfoto's Playboy niet toegestaan. Interventie, nieuw publiek, winstoogmerk. Beroep op artikel 10 EVRM verworpen. Portretrecht.
Op 27 oktober 2011 stond op Geenstijl.nl een bericht over het uitlekken van de foto's onder de kop "uitgelekt! Naaktfoto's Britt Dekker", de lezer wordt door middel van een hyperlink doorgeleid naar een zip-bestand op een Australische website Filefactory.com. Op 7 en 17 november werden nogmaals hyperlinks naar de fotoreportage toegevoegd. De foto's werden in het decembernummer 2011 gepubliceerd.
Voor openbaarmaking is van belang of er sprake is van een interventie, een (nieuw) publiek en winstoogmerk.
4.11 (...) Zonder die interventie zou het publiek geen toegang tot de fotoreportage hebben gehad. Zowel uit de kop (Fucking uitgelekt) als uit de tekst van het bericht op Geenstijl.nl op 27 oktober 2011 (En dan nu het linkje met pics waar u op zat te wachten. Wie het eerste fapt, die het eerst komt. HIERRR.) is af te leiden dat GeenStijl een dergelijke interventie ook beoogde.
Zelfs al zou vast komen te staan dat de tip afkomstig is van een IP-adres dat toebehoort aan Sanoma dan kan dit verweer niet baten. Dit is voor Geenstijl immers geen vrijbrief om tot openbaarmaking over te gaan. Er is sprake van een nieuw publiek, aangezien deze fotoreportage op een paar foto's na nog niet was gepubliceerd of op andere wijze was ontsloten. Door het plaatsen van de hyperlink kon een vrij grote en onbepaalde kring van personen kennis nemen van de fotoreportage. Door het plaatsen van de hyperlink heeft GeenStijl onmiskenbaar bedoeld om bezoekers naar de website te trekken en vast groep bezoekers te houden. Het plaatsen van de hyperlink door GeenStijl dient dan ook een winstoogmerk.
Dat Dekker zelf met een twitterbericht de aandacht op de inmiddels op een Mexicaanse website te vinden fotoreportage heeft gevestigd, doet niets af aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het wordt GeenStijl verboden inbreuk te maken op de auteursrechten van Sanoma door zonder toestemming fotomateriaal te plaatsen en de fotoreportage via hyperlinks te openbaren.
Interventie
4.21. In geval van inbreuk op auteursrecht is alleen in zeer uitzonderlijke gevallen voor een geslaagd beroep op artikel 10 lid 2 EVRM. De wetgever heeft binnen de Auteurswet immers al een afweging gemaakt tussen vrije toegang tot informatie enerzijds en bescherming van informatie anderzijds. Om tegemoet te komen aan het informatierecht heeft de wetgever in de Auteurswet allerlei uitzonderingen op het auteursrecht opgenomen, bijvoorbeeld het citaatrecht, de parodie-exceptie en de onderwijsexceptie. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan aanleiding worden gevonden voor het verleggen van de reeds in de Auteurswet verdisconteerde grenzen met een beroep op buiten het auteursrecht zelf gelegen correcties, zoals de informatievrijheid. GeenStijl heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat in dit geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake is.
Portretrecht
4.29 Het stond GeenStijl in beginsel vrij om via GeenStijl.nl het bericht te publiceren dat de fotoreportage van Dekker reeds vóór publicatie in Playboy was uitgelekt. GeenStijl heeft onvoldoende gesteld om duidelijk te maken dat het daarbij noodzakelijk was om via de hyperlink, de gehele fotoreportage toegankelijk te maken. GeenStijl heeft aangevoerd dat haar berichtgeving over het uitlekken van de fotoreportage voor bezoekers van GeenStijl.nl verifieerbaar moet zijn en dat daarin de rechtvaardiging voor openbaarmaking van de gehele fotoreportage is te vinden. (...) Het betoog van GeenStijl, hierop neerkomend dat zij door middel van de hyperlink de juistheid van het bericht heeft willen aantonen, is bovendien niet op één lijn te stellen met de tekst van het bericht waarin de hyperlink was opgenomen. (...) Uit die tekst blijkt niet dat GeenStijl met de hyperlink bewijs wilde leveren voor de juistheid van het bericht, maar veeleer dat zij door het toegankelijk maken van de gehele fotoreportage via de hyperlink de bezoekers van Geenstijl.nl entertainment heeft willen bieden.Tegen deze achtergrond bezien dient de weging van de wederzijdse belangen daarom in het voordeel van Dekker uit te vallen. Daaruit volgt dat de openbaarmaking door GeenStijl een schending van het portretrecht van Dekker oplevert.
4.30. Dat Dekker zelf met een twitterbericht de aandacht op de inmiddels op een Mexicaanse website te vinden fotoreportage heeft gevestigd, doet aan het voorgaande niets af. Voor zover GeenStijl daarmee betoogt dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van Dekker, zal dat bij de beoordeling van de schade aan de orde kunnen komen.
Lees de grosse hier zaaknr. 507119 / HA ZA 11-2896, LJN BX7043
Belgisch juridisch kantoor lanceert ‘cookierecht.be’
Uit't persbericht: [red: deJuristen]lanceert cookierecht.be, om de groeiende bezorgdheid en vragen van webbedrijven, webwinkeliers én consumenten te beantwoorden.
Een nieuwe cookiewetgeving is in het land. België volgt de andere Europese lidstaten in de omzetting van de e-‐Privacyrichtlijn, waarvan cookies een onderdeel zijn. Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en het Verenigd Koninkrijk gingen ons land reeds vooraf. Ook Nederland, die de cookiewetgeving erg strengt interpreteert, heeft sinds juni een aparte cookiewet. En nu, is het de beurt aan België.
Lees verder in't persbericht.
Juridische status van virtuele objecten in online games
F.J. van Eeckhoutte, Juridische status van virtuele objecten in online games, ITenRecht IT 865.
Een bijdrage ingezonden door Filip Van Eeckhoutte, Van Eeckhoutte advocaten.
Aanleiding voor mijn gedachten te dezen was een artikel in het Advocatenblad. In het artikel werd verdedigd dat de Hoge Raad (HR) met zijn arrest over de diefstal van virtuele spelobjecten de plank had misgeslagen. De HR heeft namelijk geoordeeld dat virtuele objecten uit het online computerspel Runescape, i.c. een virtueel zwaard en amulet, ‘goederen’ zijn in de zin van artikel 310 WvSr (diefstal) en dus een diefstal van virtuele goederen mogelijk is.
Het wierp bij mij, als plichtplegende vader van een computerspelfreak van veertien, de vraag op of mijn zoon zich onbewust blootstelt aan strafrechtelijke of – erger nog – civielrechtelijke aansprakelijkheden. Hij runt immers het onder tieners wereldvermaarde spel Minecraft op een eigen server, ’t is te zeggen: mijn webserver die bij mij thuis draait. Met andere woorden, mijn zoon is de spelbeheerder, ik ben de server-eigenaar en het Zweedse bedrijf Mojang AB de eigenaar en maker van Minecraft.
(...)
Inhoudsopgave:
Inleiding
1. Virtuele objecten in het strafrecht
2. Virtuele objecten in het burgerlijk recht
2.1 Virtuele objecten als zaken
2.2 Virtuele objecten zijn vermogensrechten
2.3 Vermogensrechten sui generis
2.4 Virtuele objecten zijn auteursrechtelijk beschermde werken
3. Aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad
4. Aansprakelijkheid uit hoofde van misbruik van recht
5. Spelvoorwaarden
6. Conclusie
Wet Markt & Overheid, toezicht op oneerlijke concurrentie door de overheid?
Uit't nieuwsbericht van ICT~Office: Op 1 juli 2012 is de Wet Markt & Overheid in werking getreden. In deze wet zijn gedragsregels opgenomen die oneerlijke concurrentie door de overheid moeten tegengaan. Doel van de wet is om overheden aan te pakken die met belastinggeld economische activiteiten verrichten die ook door marktpartijen kunnen worden gedaan. Hoewel het voornemen van de wet goed te noemen valt, is het nog maar de vraag of de wet en het daaraan gekoppelde Besluit Markt & Overheid de juiste middelen zijn om dit doel te bereiken.
CBP publiceert zienswijze over Amerikaanse cloud provider
Met dank aan Annemarie Bloemen, Houthoff Buruma.
De zienswijze geeft antwoord op drie vragen van SURFmarket, een organisatie die namens medewerkers en studenten van universiteiten en hogescholen onderhandelt met ICT-aanbieders. Een meningsverschil met een Amerikaanse leverancier van cloud computing services was voor SURFmarket aanleiding om het CBP een aantal vragen te stellen. Het CBP werkt in de zienswijze een aantal stellingen van de Artikel 29 Werkgroep over dit onderwerp verder uit (zie hierover een eerder ITenRecht.nl bericht).
Volgens het CBP garandeert het feit dat een Amerikaanse cloud provider Safe Harbor gecertificeerd is niet dat de Safe Harbor Principles ook worden nageleefd. Een Safe Harbor certificering volstaat ook niet om te waarborgen dat eventuele sub-bewerkers een passend beschermingsniveau bieden. Een Nederlandse verantwoordelijke zal deze beide punten zelfstandig moeten controleren. En aangezien een Safe Harbor certificering alleen waarborgen voor een doorgifte van persoonsgegevens buiten de EU bevat, zal deze controle ook moeten zien op de verdere naleving van de Wbp door de cloud provider en zijn sub-bewerkers. Daarbij legt het CBP de nadruk op de beveiligingsverplichting van artikel 13 Wbp.
Voor wat betreft deze beveiligingsverplichting stelt het CBP verder dat een zogenaamde TPM (third party mededeling, waarin een externe deskundige een oordeel geeft over (beveiligings)maatregelen van een bewerker) die gebaseerd is op de ISAE 3402 of de SSAE 16 standaarden een middel kan zijn om te controleren of een bewerker persoonsgegevens voldoende beveiligt.
Ten slotte adviseert het CBP partijen om in cloud computing overeenkomsten alvast te anticiperen op de aankomende wijziging van de Wbp, waardoor een datalek meldingsplichtig zal worden. Een verantwoordelijke zal met zijn bewerkers schriftelijke afspraken moeten maken over de naleving van deze plicht.
Op andere blogs:
SOLV (Cpb publiceert zienswijze over cloud computing)
Doorwerken na sommaties
Rechtbank Rotterdam 29 augustus 2012, LJN BX6892 (Helion Chemie B.V. tegen Valar Groep B.V.)


In't kort: Softwarecontract; doorwerken na sommaties; niet-nakoming; welke partij in (schuldeisers-)verzuim? ontbinding; schadevergoeding; deskundige; exoneratiebeding in algemene voorwaarden; opschorting en verrekening beoordelen na vaststelling omvang ongedaanmaking.
In citaten:
2.15. Volgens de door Valar opgestelde specificatie van de werkzaamheden heeft zij tot en met 3 december 2008 doorgewerkt.2.19. Door middel van de brief van 27 februari 2009 heeft Helion het contract buitengerechtelijk ontbonden en aanspraak gemaakt op schadevergoeding. Valar heeft daarop schriftelijk afwijzend gereageerd onder verwijzing naar haar brief van 12 februari 2009.
het verzuim
7.14. Valar verwijst voorts naar haar brief van 7 november 2008 aan Helion, hiervoor bij de vaststaande feiten vermeld onder 2.14. In die brief verwoordt Valar hoezeer zij ontevreden was over de gang van zaken aan de zijde van Helion in de voorbije periode, dus vóór de ingebrekestelling van 3 november 2008. De brief bevat ook de voor het vervolg gemaakte afspraken. Uit de stellingen van Valar en uit deze brief blijkt echter niet concreet door welk gebrek aan medewerking van Helion zij op dat moment of kort daarna - tot 1 december 2008 - werd gehinderd om aan haar verplichtingen te voldoen of welk beletsel aan de zijde van Helion in die periode aan die nakoming in de weg stond. Valar heeft in de procedure gesteld dat zij aan de gang is gegaan met het uitvoeren van de werkafspraken van 5 november 2008, waartoe zij verwijst naar de specificatie van de werkzaamheden tot en met 3 december 2008. Er is dus volgens Valar tot en met 3 december 2008 doorgewerkt. Volgens Valar werden deze werkzaamheden doorkruist door confraternele correspondentie. De rechtbank kan niet beoordelen of uit confraternele correspondentie tussen 3 november 2008 en 1 december 2008 voortvloeit dat Valar werd verhinderd te werken en zo ja of dat ging om een verhindering door toedoen van Helion. Niet is gesteld uit welke mededeling uit die correspondentie die verhindering zou bestaan. Correspondentie uit die periode is niet in het geding gebracht en die van na 1 december 2008 kan in deze geen rol spelen.
7.15. Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat er in de periode van 3 november 2008 tot 1 december 2008 geen sprake was van schuldeisersverzuim van Helion, wat leidt tot het oordeel dat Valar door het uitblijven van de prestatie na de sommatie van 3 november 2008 tegen 1 december 2008 op de laatstgenoemde datum in verzuim is geraakt.
de ontbinding7.16. Helion heeft het contract dan ook op goede gronden ontbonden, de desbetreffende verklaring voor recht is toewijsbaar en hetzelfde geldt voor de verklaring voor recht dat Valar toerekenbaar is tekortgekomen.
7.18. De verplichting tot ongedaanmaking van de door Helion verrichte prestatie komt tot uitdrukking in toewijzing van de vordering tot betaling van het in totaal door haar aan Valar ter zake van het contract betaalde bedrag. Hoewel Helion dat in de dagvaarding stelde op € 70.554,17 exclusief btw, moet worden uitgegaan van het onder 2.6. genoemde bedrag van € 64.747,76, nu Helion de stelling van Valar bij conclusie van antwoord dat het verschil betalingen betreft wegens andere overeenkomsten, niet heeft weersproken. Haar vordering tot betaling van een geldsom is dus tot dit bedrag toewijsbaar op de grondslag van ongedaanmaking en niet op de grondslag schadevergoeding.
het beroep op de algemene voorwaarden
7.34. Ingevolge vorenstaande overwegingen is toewijsbaar de verklaring voor recht dat Valar jegens Helion toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van het contract, dat Helion dat contract rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat Valar jegens Helion aansprakelijk is voor de schade die Helion heeft geleden doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van het contract heeft plaatsgevonden, zij het met inachtneming van de beperkingen van artikel 7 van de algemene voorwaarden.
In reconventieHelion heeft bij conclusie van antwoord zonder toelichting het bestaan van de onderhoudscontracten betwist.
7.39.1 (...)De rechtbank verwerpt het verweer van Helion tegen dit onderdeel van de vordering. Haar stelling dat de brieven over de reorganisatie van de activiteiten van Valar haar onbekend zijn is - gelet op de overige stellingen van Valar en met name de door haar overgelegde eerder wel door Helion betaalde facturen voor dezelfde bedragen en gebaseerd op dezelfde contracten – niet doorslaggevend. Dat Helion die eerdere facturen wel betaalde brengt mee dat zij met de door Valar gekozen wijze van factureren instemde. Onbekendheid met de facturen staat niet aan toewijzing in de weg, nu de contracten de grondslag van de vordering vormen. Dit onderdeel van de vorderingen ten bedrage van € 12.064,29 inclusief btw is dus toewijsbaar, behoudens de beoordeling van het beroep van Helion op opschorting en verrekening.
Verlenging van een gebruiksrechtcontract
Uitspraak ingezonden door Roma Witczak en Dick van Engelen, Ventoux advocaten.
Licenties gebruiksrecht software. Contractuele plicht. Overgang naar windows 2003. Toepassing recht van de staat Washington.
CJIB draait programma's op een karaktergeoriënteerde interface (itt grafische interface). Attachmate ontwikkelt software en verkoopt licenties en onderhoudspakketten. Zij brengt onder andere zogeheten terminal emulatie software, dat is software waarmee een besturingssysteem met een grafische interface tevens toegang geeft tot programma's met een karaktergeoriënteerde interface. In de onderhandeling over een verlenging van een contract (met uitbreiding van het huidige aantal gebruiksrechten) wordt slechts de aanbieding voor de huidige 730 gebruiksrechten bevestigd zonder de additionele gebruiksrechten te vermelden. Nu blijkt dat er een tekort van 848 licenties is, wordt het gebruik - na sommatie - gestaakt.
CJIB vordert een verklaring voor recht dat het gebruik niet in strijd is met haar contractuele plicht. EULA spreekt over aantal eindgebruikers, niet over het aantal computers en dat ook na overgang naar Windows 2003 zonder licenties gebruik mocht maken van de software. Subsidiair vordert zij dat Comparex aansprakelijk is voor de schade vanwege tekortschieten in juiste en zorgvuldige wijze adviseren over het gebruik van licenties en de vrijwaring uit de raamovereenkomst. De reconventionele vorderingen strekken tot betaling en digitale inzage.
4.6. In kern spitst het geschil zich toe op de vraag hoe artikel 1 van EULA versie 10 moet worden uitgelegd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat niet langer een punt van discussie is dat EULA versie 10 van toepassing is op de rechtsverhouding tussen partijen gedurende de gehele periode waarop de vorderingen in conventie en reconventie betrekking hebben. Ook zijn partijen het erover eens dat hun rechtsverhouding, voor zover die betrekking heeft op het gebruik van de Software, wordt beheerste door het recht van de staat Washington (Verenigde Staten), zodat aan de hand van de inhoud van dat recht de beoordeling dient plaats te vinden.
Het CJIB beschikt over voldoende licenties voor de periode van 23 september 2002 tot de overgang naar Window 2003. Echter voor de overgang van Windows 2003 tot het einde van het contract vraagt de rechtbank aan het Internationaal Juridisch Instituut in Den Haag om advies.
4.65. De rechtbank kan op basis van de stukken niet vaststellen wat op het moment van de overgang naar Windows 2003 en de daarop volgende jaren de geldende catalogusprijzen per onderhoudspakket waren. Daarom zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten als na te noemen.
Lees het vonnis HA ZA 11-2634, LJN BY0759.
Aanbesteding landelijk crisismanagementsysteem
Vzr. Rechtbank 's-Gravenhage 5 september 2012, LJN BX6664 (Capgemini tegen NIFV en MultiOperations)
Uitspraak ingezonden door Jeroen Koëter en Christian van Seeters, Project Moore.
Aanbesteding landelijk crisismanagementsysteem (lcms). Aanbesteding, die in 2010 is georganiseerd door het NIFV, is gewonnen door en gegund aan Capgemini c.s. Het NIFV heeft op 31 januari 2012 besloten definitief geen acceptatie te verlenen aan de oplevering van LCMS 2.0 en de overeenkomsten met Capgemini c.s. met onmiddellijke ingang beïndigd. Op 8 juni 2012 heeft NIFV een aankondiging van een gegunde opdracht verzonden. De opdracht betreft een overbruggingsopdracht tot het beschikbaar stellen van een Landelijk Crisis Management Systeem. De opdracht is gegund aan MultiOperations. Capgemini c.s. vorderen (onder meer) - het NIFV te gebieden de gesloten overeenkomst tussen NIFV en Capgemini na te komen, en - het NIFV en MultiOperations te verbieden de overeenkomst zoals in de aankondiging beschreven is ten uitvoer te leggen. Voor een beslissing op de vorderingen is in de eerste plaats van belang de beantwoording van de vraag of de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. gerechtvaardigd was.
De voorzieningenrechter oordeelt dat in deze procedure voorshands van de rechtmatigheid van de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. moet worden uitgegaan. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het NIFV op grond van artikel 31 lid 1 sub c van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) gerechtigd was een overeenkomst met MultiOperations aan te gaan op basis van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking. Hierbij heeft als maatstaf te gelden dat aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten het bestaan van een onvoorziene gebeurtenis, het bestaan van dwingende spoed die onverenigbaar is met de inachtneming van de bij voormelde procedure behorende termijnen, alsmede het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende dwingende spoed. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat is voldaan aan genoemde maatstaf en dat het NIFV dus gerechtigd was een overeenkomst aan te gaan met MultiOperations om tijdelijk een lcms te verzorgen. Vorderingen van Capgemini c.s. afgewezen.
3.4. Capgemini c.s. hebben nog naar voren gebracht dat tijdens een gesprek op 31 januari 2012 door het NIFV is besloten de overeenkomsten te continueren in plaats van te ontbinden en dat er toen ook diverse meeropdrachten zijn verstrekt. Dit is door het NIFV gemotiveerd betwist. Wat er ook zij van de status van dit gesprek, gesteld noch gebleken is dat het NIFV hierin heeft aangegeven dat de tekortkoming niet meer behoefde te worden hersteld. Derhalve kan niet gezegd worden dat door dit gesprek van verzuim geen sprake meer was en dat de overeenkomsten hierdoor niet meer zouden kunnen worden ontbonden.
3.5. Het voorgaande leidt ertoe dat in deze procedure voorshands van de rechtmatigheid van de ontbinding door het NIFV van de overeenkomsten met Capgemini c.s. moet worden uitgegaan. Dit leidt ertoe dat de primaire vordering als vermeld onder IV. niet toewijsbaar is.
De procedure op grond van artikel 31 lid 1 sub c Bao
3.6. Het vorenstaande in aanmerking nemende, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of het NIFV op grond van artikel 31 lid 1 sub c van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao) gerechtigd was een overeenkomst met MultiOperations aan te gaan op basis van de procedure van gunning via onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking. Hierbij heeft als maatstaf te gelden dat aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan, te weten het bestaan van een onvoorziene gebeurtenis, het bestaan van dwingende spoed die onverenigbaar is met de inachtneming van de bij voormelde procedure behorende termijnen, alsmede het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de onvoorziene gebeurtenis en de daaruit voortvloeiende dwingende spoed. De aanbestedende dienst dient het bestaan van deze voorwaarden aan te tonen. Daarnaast geldt dat de omstandigheden waarop ter rechtvaardiging van de dwingende spoed een beroep wordt gedaan, in geen geval aan de aanbestedende dienst te wijten mogen zijn. Het NIFV heeft in zijn aankondiging het bestaan van de voorwaarden nader gemotiveerd als hiervoor onder 1.12. van de feiten nader vermeld. Capgemini c.s. zijn van mening dat aan geen van de voorwaarden is voldaan.3.8. De dwingende spoed hangt volgens het NIFV samen met de ontbinding. Zij heeft in dit verband gesteld dat zij door de ontbinding niet op korte termijn kon beschikken over een lcms, terwijl het wel van groot belang is dat er wordt gewerkt met een landelijk dekkend systeem hetgeen thans niet het geval is. 20 van de 25 regio's werken thans met het systeem van MultiOperations maar de overige regio's hanteren een ander systeem. De uitwisseling van informatie tussen deze systemen is beperkt en dat kan ernstige gevolgen hebben. Dit is ook gebleken tijdens de brand in Moerdijk in januari 2011. De overeenkomst met Capgemini c.s. moest op korte termijn zorgen voor een dergelijk landelijk dekkend systeem, maar dat is niet gelukt. Er diende derhalve met spoed een tijdelijke oplossing te worden gevonden. De betwisting van Capgemini c.s. houdt, kort gezegd, in dat er thans al jaren wordt gewerkt aan een lcms en dat dus niet valt in te zien dat er geen aanbestedingsprocedure, en al helemaal dat er geen versnelde procedure met verkorting van de termijnen, had kunnen plaatsvinden. Bovendien is er een alternatief, omdat niets eraan in de weg staat het systeem van Capgemini c.s., dat thans geschikt is voor landelijke implementatie, te accepteren, aldus Capgemini c.s. De voorzieningenrechter gaat aan deze betwisting voorbij. De rechtmatigheid van de ontbinding van de overeenkomsten met Capgemini c.s. dient als uitgangspunt te worden genomen zodat het door Capgemini c.s. genoemde alternatief niet reëel is. NIFV heeft voorts naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd dat de huidige situatie risicovol is en dat het van groot belang is dat alle regio's op korte termijn hetzelfde systeem hanteren. Het feit dat door de vertraging in de implementatie van het door Capgemini c.s. te leveren lcms er thans reeds een aanzienlijke periode zonder landelijk dekkend systeem wordt gewerkt, maakt niet dat de dwingende spoed daardoor thans ontbreekt. Daar komt bij dat het NIFV onbetwist heeft gesteld dat er ook een tijdelijke oplossing had moeten komen als de overeenkomst met Capgemini c.s. niet ontbonden was. De uitrol van hun systeem zou immers minimaal negen maanden in beslag nemen. Nu MultiOperations thans reeds het systeem van 20 van de 25 regio's verzorgt, acht de voorzieningenrechter het alleszins reëel dat het NIFV haar met spoed heeft ingeschakeld om voor een beperkte tijd alle regio's van hetzelfde systeem te voorzien. Dit lijkt de enige oplossing om op korte termijn tijdelijk een landelijk dekkend systeem te krijgen. Aannemelijk is immers dat iedere andere inschrijver voor de uitrol van een landelijk dekkend systeem ongeveer een jaar nodig zou hebben. Het oorzakelijk verband tussen de ontbinding van de overeenkomst van NIFV met Capgemini c.s. en de dwingende spoed is met het vorenstaande ook gegeven.
3.9. Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheden waarop ter rechtvaardiging van de dwingende spoed een beroep wordt gedaan niet aan het NIFV te wijten zijn, zoals NIFV ook heeft gemotiveerd. Ook bij de betwisting van deze voorwaarde wijzen Capgemini c.s. er op dat de ontbinding niet gerechtvaardigd was, maar hieraan wordt zoals voormeld voorbij gegaan. Daarnaast is weliswaar aannemelijk geworden dat het project in de loop der tijd is uitgebreid maar dit brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met zich dat de ontbinding van de overeenkomst en de omstandigheid dat thans met spoed een tijdelijke oplossing moet worden gevonden aan het NIFV te wijten is, zoals Capgemini c.s. stellen.
3.10. Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de onder 3.6. genoemde maatstaf en dat het NIFV dus gerechtigd was op grond van artikel 31, eerste lid sub c, Bao een overeenkomst aan te gaan met MultiOperations om tijdelijk een lcms te verzorgen. Dat leidt ertoe dat ook de overige vorderingen niet voor toewijzing vatbaar zijn.