Enkel versturen van nieuwsbrief is geen levering van software
Sector kanton Rechtbank 's-Hertogenbosch 7 juni 2012, LJN BW8396 (Vastgoed Service Center B.V.)
In het tussenvonnis is eiseres in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat een bepaald computerprogramma aan gedaagde was geleverd. Zij heeft hiertoe stukken in het geding gebracht waaruit naar eigen zeggen blijkt dat gedaagde haar nieuwsbrief ontving, dat in die nieuwsbrief op 9 maart 2010 stond vermeld hoe het computerprogramma moet worden geïnstalleerd en dat de nieuwsbrief van 29 maart 2010 slechts bestemd was voor gebruikers van het computerprogramma. Tevens zou het uitleg bevatten over hoe het programma moet worden gebruikt.
Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de stukken niet zonder meer dat gedaagde de nieuwsbrieven ook daadwerkelijk heeft ontvangen. Het enkele versturen van die nieuwsbrieven levert geen levering van het computerprogramma op.
Ingevolge artikel 2 Auteurswet juncto artikel 3:96 BW dienen zulke zaken te worden geleverd door een daartoe bestemde akte. De enkele vermelding van de wijze waarop een computerprogramma kan worden geïnstalleerd in een nieuwsbrief kan niet worden gekwalificeerd als een dergelijke leveringsakte. De vordering (tot betaling voor het computerprogramma) wordt afgewezen.
Niche-advocatenkantoor time.lex 5 jaar
Uit't persbericht: time.lex, het grootste Belgische niche-advocatenkantoor in zijn sector bestaat 5 jaar en breidt nog verder uit.
time.lex is gespecialiseerd in telecommunicatie, IT/IP, media en e-business. In nauwelijks 5 jaar groeide time.lex uit tot het grootste onafhankelijke Belgische niche-kantoor in zijn sector, met een bijzondere nadruk op privacybescherming, begeleiding van IT-projecten en contracten, handhaving van intellectuele eigendomsrechten en media. In al deze materies gaat bijzondere aandacht naar de uitdagingen van de steeds toenemende digitalisering van het zakenleven.
Het kantoor heeft vestigingen in Brussel, sinds kort ook in Kortrijk, en telt momenteel een 20-tal specialisten, allen met achtergrond in grote kantoren en bedrijven. Via een van de oprichters, Prof. Jos Dumortier, is er een nauwe samenwerking met het Interdisciplinair Centrum voor Recht en ICT van de KU Leuven.
Die duidelijke focus geeft het kantoor alles om in te spelen op de echte noden van de markt: een ruime expertise in alle domeinen van het recht, concrete en praktische oplossingen voor de focusdomeinen van het kantoor en een kennis die altijd up-to-date is. Het nichekantoor werkt bovendien kostenefficiënter dan een klassiek georganiseerd internationaal kantoor. Hierdoor vinden cliënten er gespecialiseerde en praktijkgerichte dienstverlening aan haalbare tarieven.
Zo geeft time.lex strategische en operationele juridische ondersteuning aan een nationaal en internationaal cliënteel van multinationals, start-ups, en overheidsdiensten van lokaal tot Europees niveau. Een netwerk van buitenlandse specialisten geeft time.lex bovendien toegang tot lokale expertise in heel Europa en daarbuiten.
Opinion article 29 Cookie Consent Exemption
Artikel 29 data protection working party, Opinion 04/2012 on Cookie Consent Exemption, 00879/12/EN, 7 juni 2012.
In een recente opinie heeft de artikel29-werkgroep een opinie aangenomen inzake de vrijstelling van toestemming voor cookies, zij eindigt met de woorden:
Ultimately, to decide if a cookie is exempt from the principle of informed consent it is important to verify carefully if it fulfils one of the two exemption criteria defined in Article 5.3 of Directive 2009/136/EC. After a careful examination, if substantial doubts remain on whether or not an exemption criterion applies, website operators should closely examine if there is not in practice an opportunity to gain consent from users in a simple unobtrusive way, thus avoiding any legal uncertainty.
Website: Artikel 29 werkgroep
[] lanceert haar nieuwe website
Uit het persbericht: [deJuristen], een juridisch nichekantoor gespecialiseerd in ICT-recht & intellectuele eigendom, kondigt de lancering van haar nieuwe website aan. Met die website wil zij een lans breken voor een moderner recht, ofwel een ‘recht 2.0’. Uit onderzoek bij haar cliënten bleek dat vooral onbegrip over de juridische wereld de grootste ergernis was, en bijdroeg tot het kwalijke imago van de juridische sector. Video bleek de oplossing. Website [red: deJuristen]
“Door korte stukjes per onderdeel te gebruiken, zijn we er in geslaagd om meer duidelijkheid te bieden aan de bezoeker”, zegt Matthias Dobbelaere, partner bij [red: deJuristen]. “Die duidelijkheid was broodnodig, gezien rechtzoekenden al te vaak tegen de muren van een moeilijk jargon oplopen.” Het extensief gebruik van video ter uitlegging is nog niet eerder gezien in Europa, tenminste in de juridische sector. “De video’s zijn absoluut geen ‘gadget’ of loutere aandachtstrekker, maar wel een overtuigde, bewuste keuze om klaarheid te brengen en de bezoeker weldegelijk iets bij te brengen”, vervolgt Dobbelaere. ”Ook het taalgebruik en de schrijfstijl werden geoptimaliseerd om de toegankelijkheid te vergroten. “ In 2012 daalde het vertrouwen in de juridische sector van 69% tot 60% (bron). Een zorgwekkende, en consistente trend. Nochtans dient recht juist een nuttig instrument te zijn.
Elektronisch identificatie ontwerpverordening
Deze verordening is door de Commissie aangenomen op 4 juni 2012 en zal door de co-decisieprocedure worden geleid.
Both elements of the Regulation – e-ID and eSignatures - will create a predictable regulatory environment to enable secure and seamless electronic interactions between businesses, citizens and public authorities. This will increase the effectiveness of public and private online services, eBusiness and electronic commerce in the EU.
The approach to eSignatures, which builds on the current eSignature Directive (Directive 1999/93/EC), has brought a degree of harmonisation to practices across Europe. All countries in the EU have legal frameworks for eSignatures, however these diverge and make it de facto impossible to conduct cross border electronic transactions. The same holds true for trust services like time stamping, electronic seals and delivery, and website authentication, which lack European interoperability. Therefore, this Regulation proposes common rules and practices for these services.
For e-ID the Regulation provides for the legal certainty by the mutual recognition and acceptance principle in which Member States accept national e-IDs which have been officially notified to the Commission. It is not obligatory for Member States to register their national eIDs, but the Commission hopes that many Member States will chose to do this.
The Commission and EU Member States have proven that cross border mutual recognition of eIdentification works, through the STORK project involving 17 Member States.
Today's draft Regulation is the last of 12 key actions proposed in the Single Market Act (see IP/11/469). These proposals are also flagged in the eGovernment Action Plan 2011-2015 (see IP/10/1718) and the EU's Roadmap to Stability and Growth (see IP/11/1180); and Digital Agenda for Europe (see IP/10/581, MEMO/10/199 and MEMO/10/200).
Personalia: Thera Adam-Van Straaten
Uit't persbericht: De sectie Intellectueel Eigendom & ICT van het Rotterdamse advocatenkantoor Kneppelhout & Korthals wordt uitgebreid door de komst van Thera Adam- Van Straaten.
Thera Adam- Van Straaten heeft in de afgelopen 14 jaar een brede adviespraktijk opgebouwd in het IE en reclamerecht en heeft daarnaast ruime ervaring in de procespraktijk. Sectiehoofd Olaf van Haperen: “We zijn bijzonder blij met de komst van Thera. Het is altijd prettig als goede juristen je team komen versterken, en met Thera erbij is onze positie beduidend sterker geworden. We zijn vooral blij met haar komst vanwege haar expertise in het reclamerecht en merkrecht. Zij vormt een belangrijke pijler voor ons middellange termijn doel, de IE sectie van Rotterdam en omstreken worden“
Thera Adam- Van Straaten studeerde eerst een jaar aan de Oxford Polytechnic waarna zij aan de Rijksuniversiteit Utrecht haar studie rechten voltooide. Zij werkt sinds 2001 als advocaat en heeft in 2007 een jaar als bedrijfsjurist bij Unilever gewerkt. Zij specialiseerde zich direct in het intellectuele eigendomsrecht en later in het reclamerecht en voedingsclaims.
Zij zal zich richten op procederen en adviseren op het gebied van het intellectueel eigendomrecht, het reclamerecht, met name op het gebied van de marketing van fast moving consumer goods. Thera Adam: “Bij dit puur Rotterdamse kantoor krijgt de IE /ICT sectie alle ruimte. Dit full service kantoor, dat het belangrijkste kantoor van de regio wenst te worden, biedt mij een enorme uitdaging waar ik mijn ambitie, kennis en netwerk volledig kan benutten.”
Thera Adam- Van Straaten is Vice-voorzitter van de Beneluxvereniging voor Merken- en Modellenrecht (BMM) en is daarnaast internationaal actief o.a. via de Marques en ECTA (European Communities Trade Mark Association). Zij zit in de Raad van Bestuur van de Utrechtse vrouwelijke studentenvereniging UVSV/NVVSU (1350 leden). Daarnaast heeft zij gepubliceerd in het BMM Bulletin, het Journaal Warenwet. In 2002 heeft zij de Grotius opleiding Benelux, Europees en Internationaal Merkenrecht met succes afgerond.
Verstrekken inkomensgegevens aan verhuurder door Belastingdienst in strijd met wet
De verstrekking van inkomensgegevens van huurders aan woningverhuurders door de Belastingdienst was in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dit is de conclusie van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) dat de staatssecretaris van Financiën hiervan in een brief op de hoogte heeft gesteld. De Belastingdienst verstrekte informatie over het feit of het huishoudinkomen al dan niet meer bedroeg dan € 43.000. De gegevensverstrekking liep vooruit op een wetsvoorstel dat huurverhoging op grond van inkomen mogelijk maakt in het kader van de zogeheten ‘aanpak scheefwonen’
Belangen en beletselen in de SGOA-mediation
Zal helaas niet doorgaan, uitgesteld
In deze training staat centraal het functioneren van de mediator in de SGOA mediations, waar zakelijke belangen de focus van het conflict lijken te zijn. Soms is in de mediation een effectief zakelijk discours ver te zoeken… Hoe kan de mediator preventief of reactief bijdragen aan een effectief onderhandelingsklimaat en hoe kan de mediator (interne of externe) blokkades voor effectief onderhandelen aanpakken.
Inschrijven: email
Waar BCN, Daltonlaan 100, 3584 BJ Utrecht. (routebeschrijving)
Wanneer 13 juni 2012 15.30 – 18.30
Prijs: € 350,00 p.p. excl. BTW
Inclusief: koffie, thee en een borrel
Ordepunten: Er zijn door het NMI drie PE punten toegekend aan deze training. NoVa punten dienen door u individueel te worden aangevraagd.
Programma
15.00 – 15.30 ontvangst en koffie
15.30 – 16.30 inleiding:
belangen en beletselen in de zakelijke mediation
structureren van de zakelijke mediation
procedurele rechtvaardigheid en effectief interveniëren
16.30 – 16.45 koffie of theepauze
17.00 – 18.30 praktijkvoorbeelden en oefeningen aan de hand van casus uit de mediationpraktijk van de SGOA.
Slordig omgesprongen met handelsnaam
Rechtbank Arnhem 9 mei 2012, LJN BW7438 (Agriom B.V. tegen Agri Information Partner B.V.)
Contractenrecht. FENIT-voorwaarden. In maart 2006 sluiten AIP en Agriom B.V., die ook handelt onder de naam Agriom Beheer en die de moedermaatschappij van Agriom Trade is, met elkaar een softwaregebruiksrechtovereenkomst. Deze software van AIP wordt bestemd voor gebruik in het bloemen- en plantenveredelingsbedrijf. De FENIT-voorwaarden zijn van toepassing verklaard, met inbegrip van de vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsclausule.
Plantveredelaar, mevrouw X , zegt haar arbeidsovereenkomst bij Agriom B.V. op. Agriom B.V. verbiedt AIP de betrokkene in dienst te nemen op basis van die clausule. In de dagvaarding somt Agriom Trade de werkzaamheden van [betrokkene1] op, die verband houden met veredelingsprogramma’s en onder meer met de daarmee samenhangende patenten en kwekersrechten. In de feiten is steeds sprake van Agriom B.V. als partijnaam, de officiële naam van de beheersmaatschappij die ook Agriom Beheer gebruikt. Ook facturen gezonden aan Agriom B.V. werden steeds door Agriom trade betaald, daarmee hoeft het AIP nog niet duidelijk te zijn dat Agriom trade haar contractspartner was.
Met het gebruik van de naam Agriom B.V. is slordig omgesprongen, is ter comparitie erkend. Dat wil het rechtspersonenrecht nu juist voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat AIP er op mocht vertrouwen dat haar contractspartner en de werkgever van betrokkene 1 dezelfde rechtspersoon was en dat dit Agriom B.V. was. Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van Agriom Trade in haar vorderingen leiden. Waar partijen echter in dit proces en ook in hun onderhandelingen vooral verdeeld worden gehouden over de uitleg van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden zal de rechtbank ten overvloede op deze uitleg ingaan.
4.4. Met het gebruik van de naam Agriom B.V. is slordig omgesprongen, is ter comparitie erkend. Dat wil het rechtspersonenrecht nu juist voorkomen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat AIP er op mocht vertrouwen dat haar contractspartner en de werkgever van [betrokkene1] dezelfde rechtspersoon was en dat dit Agriom B.V. was. Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van Agriom Trade in haar vorderingen leiden.
4.6. Daarbij merkt de rechtbank allereerst op dat ter comparitie onvoldoende is komen vast te staan dat AIP tegenover Agriom B.V. erkend heeft dat zij de Fenitvoorwaarden overtreden heeft. Niet valt uit te sluiten, zoals de rechtbank ter comparitie al aangegeven heeft, dat AIP in de onder 2.4 en 2.6 bedoelde gesprekken, waarin voor haar het herstellen en bestendigen van de relatie met Agriom B.V. voorop stond, de indruk heeft gewekt niet alleen het standpunt van Agriom B.V. te begrijpen, maar dit ook te delen. Bovendien staat het AIP vrij haar juridische stellingname te wijzigen.
4.7. In de dagvaarding somt Agriom Trade de werkzaamheden van [betrokkene1] op, die verband houden met veredelingsprogramma’s en onder meer met de daarmee samenhangende patenten en kwekersrechten. Zij wijst hierbij op de vertrouwensband die met AIP ontstaan is doordat de onder 2.1 bedoelde overeenkomst AIP op de hoogte bracht van onder meer de klantenbestanden van haar wederpartij, terwijl de software rechtstreeks de verdelingsprocessen betrof waarbij [betrokkene1] intensief betrokken was. Dit alles leidt tot het vermoeden dat [betrokkene1] in de zin van art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden betrokken was bij de uitvoering van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst, terwijl de uitvoering hiervan vertrouwelijke gegevens ter kennis van AIP kon brengen waarover zeker ook [betrokkene1] kon beschikken.
4.8. De uitleg die AIP aan art. 3.2 van de Fenitvoorwaarden geeft, houdt allereerst in dat de intentie van het artikel is dat zij, AIP, wordt beschermd tegen het aftroggelen van haar werknemers door haar klanten. Hierin gaat AIP volledig voorbij aan de overduidelijk wederkerige strekking van de bepaling. Deze beschermt beide partijen bij de overeenkomst over en weer tegen het aftroggelen van werknemers, zoals volgt uit de woorden ‘Elk der partijen zal (…) slechts na voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partij, medewerkers van de andere partij (…)’. Enige beperking tot AIP, die in deze Fenitvoorwaarden als ‘de Leverancier’ wordt aangeduid, kan hier niet in gelezen worden. Nu AIP nalaat aan te geven waarom dat anders zou zijn, verwerpt de rechtbank haar hier bedoelde betoog.
DDMA handleiding Cookiewet
DDMA handleiding Cookiewet ‘Wet en werkelijkheid', mei 2012.
DDMA publiceert vandaag een uitgebreide handleiding Cookiewet. In deze handleiding wordt een vertaalslag gemaakt van de juridische materie naar de Nederlandse beroepspraktijk. Aan de hand van diverse voorbeelden en een stappenplan wordt de lezer geïnformeerd over de wijzigingen die respectievelijk begin juni en per 1 januari 2013 in de bedrijfsvoering moeten zijn aangepast.
Zie verder: hier