Inzet surveillance-software is geen inbreuk op privacy

Vzr. Rechtbank Amsterdam 11 juni 2020, IT 3167; ECLI:NL:RBAMS:2020:2917 (Studentenraden tegen UvA) Kort geding. De UvA mag online surveillance-software (proctoring) inzetten bij het afnemen van tentamens. Studentenraden hadden een verbod daarop gevorderd. De studentenraden en een student zijn ontvankelijk in hun vorderingen, omdat voor hen geen met voldoende waarborgen omklede andere rechtsgang open staat, waarmee een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan worden verkregen. Verder is er geen instemmingsrecht op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) voor het door de UvA genomen besluit, nu de daarop gebaseerde ‘Regels en Richtlijnen van de examencommissie’ waarin de wijze van surveillance is geregeld, dat expliciet bepaalt.
De UvA heeft voldaan aan alle regels en beginselen van de AVG. De grondslag voor de gegevensverweking ligt in artikel 6 lid 1 sub e AVG. De UvA heeft een in de wet geregelde publieke taak en in verband met Covid-19 is er noodzaak om online proctoring in te zetten bij het afnemen van tentamens die vanuit huis worden gemaakt. Van een onrechtmatige inbreuk op de privacy is dan ook geen sprake. [IT 3532].