10 mrt 2026
Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht
Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.
Ook de vordering tot rectificatie van het OM-persbericht van 24 juni 2021 wordt afgewezen. Voor zover die vordering was gebaseerd op de stelling dat het strafrechtelijk optreden van de Staat c.s. wegens strijd met het Unierecht onrechtmatig was, faalt zij al omdat die grondslag niet opgaat. Voor zover appellanten daarnaast een beroep deden op schending van de onschuldpresumptie en hun recht op privacy, volgt het hof hen evenmin. Het persbericht is volgens het hof niet herleidbaar tot de zes verdachten, omdat daarin slechts leeftijden, geslacht en hun betrokkenheid bij het aanbieden van online kansspelen worden genoemd; dat ingewijden of bekenden mogelijk toch kunnen achterhalen om wie het gaat, maakt dat niet anders. Ook is geen sprake van schending van de onschuldpresumptie, omdat het persbericht voldoende duidelijk maakt dat het slechts gaat om verdenkingen en vermoedens, terwijl de meer algemene passages over witwassen en de risico’s van illegaal gokken volgens het hof een algemeen karakter hebben en daarom niet onrechtmatig zijn jegens appellanten. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd als niet ter zake dienend. De slotsom is dat alle grieven falen, het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2024 wordt bekrachtigd en appellanten hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 3.567, te vermeerderen met rente en nakosten.
6.17
Het hof verwerpt ook het betoog dat het totaalverbod in strijd zou zijn met het Unierecht omdat het in de relevante periode niet (voldoende) zou zijn gehandhaafd. Hiervoor is reeds de stelling verworpen dat de daadwerkelijke effecten van beleid beslissend zouden zijn voor de evenredigheid (geschiktheid en noodzakelijkheid) van het online kansspelbeleid. De Staat c.s. hebben voldoende onderbouwd dat het totaalverbod door de Staat c.s. wel degelijk werd gehandhaafd en dat handhaving van het verbod ook langs civielrechtelijke weg plaatsvond. Het door appellanten aangehaalde prioriteringsbeleid van de Ksa is aan het eind van de voor de onderhavige zaak relevante periode 2007 – 2014 opgesteld, namelijk na de oprichting van de Ksa in 2012. De Staat c.s. hebben voldoende toegelicht en onderbouwd, dat de prioriteringscriteria zijn opgesteld om wegens capaciteitsbeperkingen keuzes te kunnen maken tegen wie het eerst handhavend zou worden opgetreden, dat ook werd opgetreden tegen partijen die wel aan deze criteria voldeden en (dus) van een (de facto) gedoogbeleid geen sprake was. Dat de wetgever als gevolg van wildgroei van het online aanbod heeft toegewerkt naar een stelsel van gekanaliseerd legaal aanbod, zoals dat uiteindelijk op grond van de Wet Koa tot stand is gekomen, maakt het voordien bestaande totaalverbod nog niet in strijd met het Unierecht. Aan het voorgaande doet niet af dat de wetgever op een later moment aanleiding heeft gezien om het online gokken te reguleren en in zoverre het totaalverbod af te zwakken. De politieke noodzaak die daarvoor werd gezien - appellanten verwijzen in dat verband naar verklaringen van de heren Teeven en Temmink - brengt niet mee dat de wetgeving die in deze procedure wordt getoetst daarom niet meer in lijn met het bepaalde in art. 56 VWEU kan worden geacht.
6.20
Naar het oordeel van het hof is de publicatie niet herleidbaar tot de zes verdachten, nu daarin uitsluitend hun leeftijden en geslacht worden vermeld en het feit dat zij zich met het aanbieden van online kansspelen bezig hielden. Dat ingewijden of bekenden van de verdachten op grond van het persbericht mogelijk (kunnen) weten om wie het gaat, maakt dit niet anders. Ten overvloede overweegt het hof hierover nog dat het persbericht in dit opzicht ook voldoet aan de eisen van de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolgen van het College van procureurs-generaal (hierna: de Aanwijzing), nu het persbericht geen (bijzondere) persoonsgegevens als bedoeld in art. 9 en 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bevat. Van schending van de in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde onschuldpresumptie is evenmin sprake. Het persbericht maakt voldoende duidelijk dat ten tijde van de berichtgeving (slechts) sprake is van een strafrechtelijke verdenking en een vermoeden. Zo staat in het bericht vermeld dat de desbetreffende personen verdacht worden van overtreding van de wet op de kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, dat ten aanzien van het witwassen sprake is van een vermoeden en dat zij vermoedelijk online casino kansspelen hebben aangeboden op de Nederlandse markt (curs. hof). Tegen deze achtergrond is ook voldoende duidelijk dat de mededeling dat verdachten hun uitvlucht zochten naar een buitenlandse structuur nog steeds is gedaan in het kader van de als zodanig benoemde verdenking. Tot slot hebben de door appellanten aangehaalde passages uit het persbericht over de prioriteit van de aanpak van witwassen voor het OM en de risico’s van online kansspelen een algemeen karakter en leveren (dus) geen schending van de onschuldpresumptie en/of recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van appellanten 1 tot en met 6 op. De grief faalt derhalve.