23 apr 2026
Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig
Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.
Ook het delen van informatie uit het jeugdzorgdossier en schadelijke, deels onjuiste uitspraken over [eiseres] is onrechtmatig. Over de DNA-test stelt de voorzieningenrechter vast dat [eiseres] niet tegen een DNA-test is, maar alleen niet instemde met het voorstel van [gedaagde] voor een niet-rechtsgeldige test via de huisarts. Uitspraken dat [eiseres] een DNA-test weigert, kloppen dus niet. [gedaagde] moet de uitingen verwijderen, verwijderd houden en stoppen met nieuwe publicaties. Hij moet ook materiaal uit het jeugdzorgdossier vernietigen. De rechter legt daarbij een dwangsom op van € 5.000 per overtreding, met een maximum van € 250.000. Ook moet hij de proceskosten betalen. De rechter wijst de eis om al het beeldmateriaal van het kind te vernietigen af. Dat heeft volgens de rechter geen meerwaarde, omdat publicatie al verboden is. Daarnaast kan [gedaagde] nog een persoonlijk belang hebben, gezien het nog niet vastgestelde vaderschap. De gevraagde rectificatie wijst de rechter ook af. Een rectificatie zou opnieuw aandacht geven aan het vaderschap, wat niet in het belang is van het kind. Met het oordeel in dit vonnis is volgens de rechter voldoende duidelijk dat de uitlatingen onjuist zijn. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
4.2. De vorderingen vallen in twee delen uiteen. [eiseres] vordert in de eerste plaats het verwijderen en verwijderd houden van diverse uitlatingen op social media, het staken en gestaakt houden ervan (vordering I en II) en het vernietigen van materiaal (vordering III). In de tweede plaats vordert zij [gedaagde] te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie (vordering IV). De voorzieningenrechter zal deze vorderingen hierna bespreken, te beginnen met de eerste.
4.4. Ten aanzien van de vorderingen onder I, a, b, c, d en f, die er kort gezegd toe strekken [gedaagde] te veroordelen de gewraakte uitlatingen van social media te verwijderen en verwijderd te houden, is namens [gedaagde] ter zitting toegezegd dat hij hieraan zal (blijven) voldoen. Deze vorderingen kunnen en zullen dan ook worden toegewezen. Ook tegen de vordering onder II, die ertoe strekt dat [gedaagde] wordt geboden het verspreiden van de aldaar genoemde beelden/content te staken en gestaakt te houden, is door [gedaagde] ter zitting uiteindelijk geen verweer gevoerd: namens [gedaagde] is ter zitting verklaard dat hij akkoord is deze activiteiten te staken en gestaakt te houden. Het onder II gevorderde zal daarom eveneens worden toegewezen. Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen, waarin [gedaagde] [eiseres] bij herhaling met de dood heeft bedreigd en ook meermaals, tot vlak voor de mondelinge behandeling van dit kort geding, negatieve/belastende uitlatingen over [eiseres] en beelden van het kind op social media heeft geplaatst, ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze veroordelingen te versterken met na te noemen dwangsom, welke zal worden gematigd en gemaximeerd.
4.5. Tussen partijen is alleen nog in geschil of het beeld van het kind dat onderdeel uitmaakt van de videoclip behorende bij het nummer “ [artiestennaam] - [nummer] ” moet worden verwijderd en verwijderd gehouden. Met [eiseres] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebruik door [gedaagde] van deze beeltenis in deze video onrechtmatig is jegens het kind. Het gaat om een fragment [fragment] . Voor het online publiceren van foto’s en video’s van een kind jonger dan 16 jaar is op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger vereist. [eiseres] is de (enige) wettelijk vertegenwoordiger van het kind en zij heeft deze toestemming niet gegeven.
4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het kind identificeerbaar, ook al is de foto in de videoclip erg klein in beeld en is het gezicht van het kind geblurd. [gedaagde] heeft de originele (niet geblurde) foto van het kind immers eerder op zijn breed gevolgde Instagram-account geplaatst, op welk account hij ook meerdere uitingen heeft gedaan over het vaderschap van dit kind. Bovendien is de foto in de clip te zien op het moment dat het nummer over vaderschap gaat. Nu het kind dus identificeerbaar in beeld is en [eiseres] hiervoor geen toestemming heeft gegeven, acht de voorzieningenrechter deze publicatie onrechtmatig. Het belang op bescherming van de privacy van deze jonge baby weegt zwaarder dan de door [gedaagde] gestelde ‘artistieke vrijheid’ en het financiële belang om de video niet te hoeven bewerken om dit fragment eruit te halen. Dit betekent dat ook het gevorderde onder I sub e zal worden toegewezen als hierna te melden, ook versterkt met een gematigde en gemaximeerde dwangsom.