Gepubliceerd op donderdag 22 januari 2026
IT 5082
Rechtbank Rotterdam ||
31 dec 2025
Rechtbank Rotterdam 31 dec 2025, IT 5082; ECLI:NL:RBROT:2025:15317 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/kort-geding-over-onrechtmatige-uitlatingen-en-rectificatieplicht-op-social-media

Kort geding over onrechtmatige uitlatingen en rectificatieplicht op social media

Rb. Rotterdam 31 december 2025, IEF 23229; IT 5082; ECLI:NL:RBROT:2025:15317 ([eisers] tegen [gedaagde]). De zaak betreft een kort geding tussen een influencer en partner enerzijds en de beheerder van een juicekanaal anderzijds. [eisers] vorderen dat berichten van het juicekanaal worden verwijderd, verwijderd gehouden en dat een rectificatie op het juicekanaal wordt geplaatst. De berichten bevatten vermeende misstanden in de beautysalons van [eiser 1], een verjaardagsfeest in attractiepark DippieDoe en de professionele achtergrond van [eiser 2]. [eiser 1] reageert op zijn eigen kanalen met berichten waarin hij suggereert dat [gedaagde] achter ernstige bedreigingen, vernielingen en het “kapotmaken” van de eerste verjaardag van zijn kind zit, en hij kondigt een eigen onderzoek en “ontmaskering” aan. In conventie vorderen [eisers] op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en een inbreuk op hun recht op eer en goede naam en privacy (artikel 8 EVRM) onder meer dat de berichten worden verwijderd en verwijderd gehouden, dat het juicekanaal zich onthoudt van soortgelijke uitingen, dat een uitgebreide rectificatie wordt geplaatst op alle socialmediakanalen van het juicekanaal en dat de namen en adressen van de bronnen die uitlatingen over [eiser 2] hebben gedaan worden verstrekt, alles op straffe van dwangsommen. In reconventie vordert [gedaagde], ook onder beroep op onrechtmatige daad en bescherming van zijn eer en goede naam, dat [eiser 1] en [eiser 2] hun uitingen over hem verwijderen en verwijderd houden, dat zij zich onthouden van nieuwe onnodig grievende uitlatingen, dat zij een rectificatie plaatsen op hun eigen socialmediakanalen en dat zij tot de proceskosten worden veroordeeld.

De rechtbank stelt dat in deze zaak de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] (artikel 10 EVRM) moet worden afgewogen tegen het recht op eer, goede naam en privacy van de [eisers] (artikel 8 EVRM) en dat alle omstandigheden van het geval hierbij een rol spelen. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat een deel van de berichten van het juicekanaal onrechtmatig is, met name de berichten waarin wordt gesproken over wanbetaling, achterstallige salarissen, contante betalingen, het wegsluizen van geld naar een boekproject en de stelling dat [eiser 2] geen rechtenstudie heeft gevolgd en afgerond. Andere uitingen acht de rechtbank daarentegen wel toelaatbaar. De berichten die de voorzieningenrechter onrechtmatig acht, moeten verwijderd blijven en geven aanleiding tot het plaatsen van twee rectificaties op Instagram. De rechtbank stelt dat [eiser 1] ook onrechtmatig heeft gehandeld door in zijn eigen berichten het juicekanaal publiekelijk in verband te brengen met maandenlange bedreigingen en grote (financiële) schade, zonder dat hij een voldoende causaal verband tussen deze gebeurtenissen en de uitingen van het juicekanaal aannemelijk maakt. De rechtbank oordeelt dat [eiser 1] deze berichten ook verwijderd moet houden en daarover een rectificatie moet plaatsen op Instagram.

 5.20 Concluderend is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat een deel van de berichten die als producties zijn overgelegd en hiervoor zijn geciteerd, onrechtmatig zijn. Met het plaatsen van de berichten in mei beschuldigt [gedaagde] [eiser 1] van misstanden, wanbetaling en het wegsluizen van gelden. Met de posts van [gedaagde] is de voornaam van [eiser 2] onthuld met als gevolg dat zij vindbaar was op social media en is zij beschuldigd van het zich voordoen als jurist terwijl zij dat niet is. Hoewel schokkend en onder omstandigheden zelfs beledigend taalgebruik in het kader van het aan de kaak stellen van een (maatschappelijke) misstand in beginsel toelaatbaar kan zijn, vereist dit dat daarvoor enige steun kan worden gevonden in beschikbaar en voldoende concreet feitenmateriaal. Daarvan is echter geen sprake. Bovendien heeft [gedaagde] voorafgaand aan het plaatsen van de posts geen hoor en wederhoor toegepast.