Gepubliceerd op dinsdag 29 september 2026
IT 5539
Rechtbank Midden-Nederland ||
1 sep 2026,
Rechtbank Midden-Nederland 1 sep 2026,, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.), https://itenrecht.nl/artikelen/voorzieningenrechter-midden-nederland-overdracht-van-website-en-socialmedia-accounts-toegewezen-in-geschil-over-projectbeheer

Voorzieningenrechter Midden-Nederland: overdracht van website en socialmedia-accounts toegewezen in geschil over projectbeheer

Rb. Midden-Nederland 1 september 2026, IT 5539; ECLI:NL:RBMNE:2026:6275 ([eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. tegen [gedaagde sub 1] c.s.). In een geschil over de samenwerking rond een project met modulaire wooneenheden vorderden de eisende vennootschappen onder meer dat gedaagden zouden stoppen met het gebruik van een bepaalde naam en de bijbehorende website, domeinnaam en socialmedia-accounts zouden overdragen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de betreffende naam de (handels)naam is van twee van de eisende vennootschappen en aan hen toebehoort. Het verweer dat de naam slechts goodwill zou zijn, geen onderdeel van het verhuurbeheer vormde en alleen tijdelijk om praktische redenen door eisers werd gebruikt, acht de rechter onvoldoende onderbouwd. Gedaagden mogen de naam, of een daarvan slechts in geringe mate afwijkende naam, daarom niet langer gebruiken. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat het recht op een domeinnaam niet wettelijk is geregeld en dat een domeinnaamhouder alleen tot overdracht kan worden verplicht wanneer daarvoor een rechtsplicht bestaat, bijvoorbeeld op grond van een overeenkomst of omdat registratie of gebruik tegenover een ander onrechtmatig is. Volgens de rechter geldt hetzelfde voor socialmedia-accounts. Gedaagden moeten de betreffende website, domeinnaam en accounts op onder meer Facebook, Instagram en X, inclusief de inloggegevens, binnen twee weken overdragen.

De eisende partijen vorderden daarnaast een verbod op diffamerende en onjuiste uitlatingen en verwijdering van reeds geplaatste berichten. Die vorderingen wijst de voorzieningenrechter af. Eisers hadden onvoldoende concreet gemaakt welke uitlatingen uit de overgelegde blogberichten volgens hen onrechtmatig waren, zodat niet kon worden beoordeeld of sprake was van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Ook de omstandigheid dat één van de gedaagden in een eerdere procedure tegen een derde voor vergelijkbare uitlatingen zou zijn veroordeeld, is daarvoor onvoldoende. Een recent LinkedIn-bericht waarin over het project werd gesproken en eisers onder meer werden aangeduid als “grote ego’s met weinig vakkennis” en waarin werd gesproken over “onverantwoorde beslissingen”, acht de voorzieningenrechter evenmin onrechtmatig; die uitlatingen vallen volgens hem nog binnen de vrijheid van meningsuiting. Ook het gevorderde algemene bevel om berichten over eisers en het project te verwijderen en verwijderd te houden, wordt als te ruim afgewezen.

4.30

Hoewel het recht op een domeinnaam niet wettelijk geregeld is, is het uitgangspunt dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registreren alleen kan worden gedwongen om deze aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of voortvloeien uit de vaststelling dat registratie of gebruik van de domeinnaam tegenover die ander onrechtmatig is.5 Dit geldt ook voor social media accounts. Gelet op wat hiervoor in 4.29 is overwogen, wordt ook de vordering tot de overdracht van de website en de accounts op socialmediaplatformen toegewezen. Daarbij gaat het om de volgende website en accounts op socialmediaplatformen waarvan [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben gesteld dat deze door [gedaagde sub 1] c.s., althans [gedaagde sub 1] , worden gebruikt:

-

[naam 1] . [.] .com

-

Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’

-

Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 3] )

-

Instagram, onder de account(naam) ‘ [naam 1] ’)

-

X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 4] ’

-

X (voorheen twitter), onder de account(naam) ‘ [naam 5] ’

-

Facebook, onder de account(naam) ‘ [naam 2] ’

[gedaagde sub 1] heeft niet betwist dat zij deze website en accounts beheert. Zij heeft op de mondelinge behandeling wel verklaard dat ook anderen af en toe een stukje voor de website schrijven, maar dat heeft zij verder niet onderbouwd. Met deze verklaring heeft [gedaagde sub 1] wel feitelijk erkend dat zij deze website en accounts beheert.

4.31

Niet alleen [gedaagde sub 1] , maar ook alle andere gedaagden worden veroordeeld om de website en social media accounts over te dragen. Zij krijgen hiervoor twee weken de tijd. Als dit niet binnen die twee weken gebeurt, dan is een dwangsom verschuldigd van € 5.000,00 per dag(deel) en tot een maximum van € 20.000,00. Verder geldt voor elke keer dat na die twee weken de naam “ [naam 1] ” of een naam die daar in geringe mate van afwijkt (waaronder [naam 2] ) wordt gebruikt als bijvoorbeeld een domeinnaam of accountnaam op een socialmediaplatform, een dwangsom wordt verbeurd. Deze wordt ook beperkt en gemaximaliseerd tot € 5.000,00 per overtreding en tot een maximum van € 20.000,00.