29 jun 2026,
Rapper verbeurt € 90.000 aan dwangsommen wegens TikTok-fragment met minderjarig kind
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23707; IT 5382; ECLI:NL:RBDHA:2026:17586 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak vordert eiser, een rapper, staking van de executie van dwangsommen die hij volgens gedaagde heeft verbeurd doordat een TikTok-fragment met beeldmateriaal van haar minderjarige kind online is blijven staan. In een eerder kort geding van 23 april 2026 is eiser veroordeeld om alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind van zijn sociale media te verwijderen en verwijderd te houden. Het bevel omvat uitdrukkelijk een videoclip waarin op de telefoon van eiser een foto van hem met het kind zichtbaar is. Aan het bevel is een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag of dagdeel dan wel, naar keuze van gedaagde, per overtreding, met een maximum van € 250.000. Het vonnis is op 29 april 2026 betekend. Een fragment van de betreffende videoclip blijft daarna op het TikTok-account van eiser staan en wordt pas op 18 mei 2026 definitief verwijderd. Op 13 mei 2026 laat gedaagde eiser bevel doen tot betaling van € 60.000 aan op dat moment opgeëiste dwangsommen en laat zij bankbeslag leggen. Over de volledige periode van 1 tot en met 18 mei 2026 stelt zij zich op het standpunt dat eiser in totaal € 90.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. Eiser vordert primair opheffing van de beslagen, staking van de executie en terugbetaling van reeds geïnde bedragen. Subsidiair vordert hij de executie op nihil te stellen, te beperken tot de periode tot en met 3 mei 2026 of tot een lager bedrag. Meer subsidiair vordert hij de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld of en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd. Volgens eiser valt het TikTok-fragment niet onder het eerdere verwijderingsbevel. Daarnaast stelt hij dat hij het fragment na een waarschuwing van gedaagde op 3 mei 2026 heeft verwijderd, maar dat het door een technische fout of storing bij TikTok zichtbaar is gebleven of opnieuw online is verschenen. Hij beroept zich op onmogelijkheid tot nakoming in de zin van art. 611d Rv en op misbruik van executiebevoegdheid.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het eerdere vonnis in dit executiegeschil niet opnieuw inhoudelijk wordt beoordeeld. De rechter toetst de gedragingen van eiser aan de inhoud van de eerdere veroordeling, uitgelegd aan de hand van het doel en de strekking daarvan. De draagwijdte van het bevel moet beperkt worden uitgelegd: het moet gaan om handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij onder het bevel vallen. Dat is hier het geval. Het TikTok-fragment maakt deel uit van de videoclip die eiser uitdrukkelijk moest verwijderen zolang daarin een beeltenis van het kind voorkwam. Het bevel geldt bovendien voor alle in het eerdere vonnis genoemde sociale mediaplatforms en kanalen van eiser, waaronder TikTok. Dat het kind in het elf seconden durende fragment slechts ongeveer één seconde geblurd zichtbaar is, maakt dit niet anders. In het eerdere vonnis is al geoordeeld dat het kind door de context en eerdere publicaties identificeerbaar is. Eiser had het fragment daarom vóór 1 mei 2026 moeten verwijderen. Doordat het tot en met 18 mei online blijft staan, heeft hij over de volledige periode van 1 tot en met 18 mei 2026 in beginsel € 90.000 aan dwangsommen verbeurd. Ook het beroep op art. 611d Rv slaagt niet. Eiser erkent dat hij het fragment aanvankelijk over het hoofd heeft gezien, zodat voor de periode tot 3 mei 2026 geen sprake is van onmogelijkheid tot nakoming. De over deze periode verbeurde dwangsommen kunnen daarom op grond van art. 611d lid 2 Rv niet worden opgeheven of verminderd. Voor de periode daarna maakt eiser niet aannemelijk dat zich daadwerkelijk een technische storing bij TikTok heeft voorgedaan. Algemene informatie waaruit blijkt dat verwijderde berichten soms zichtbaar kunnen blijven, is daarvoor onvoldoende. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om te controleren of het fragment daadwerkelijk is verwijderd, temeer omdat het bovenaan zijn TikTok-account is vastgepind. Bij de beoordeling van het beroep op misbruik van executiebevoegdheid past volgens de voorzieningenrechter bijzondere terughoudendheid. Van misbruik is slechts in sprekende gevallen sprake, bijvoorbeeld wanneer de titel klaarblijkelijk op een feitelijke of juridische misslag berust of de executie een klaarblijkelijk onaanvaardbare noodtoestand veroorzaakt. Eiser onderbouwt niet dat inning van de dwangsommen voor hem een dergelijke financiële noodtoestand veroorzaakt. De korte duur van het fragment en de geblurde weergave van het kind zijn eveneens onvoldoende, mede omdat eiser niet reageert op de waarschuwing van 3 mei 2026. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
4.3. De conclusie is dat [eiser] in strijd met de veroordeling in het vonnis heeft gehandeld door, na betekening van het vonnis op 29 april 2026, het TikTok-fragment op zijn TikTok-account te laten staan. Dit betekent dat de dwangsommen in beginsel zijn verbeurd (over de periode van 1 mei 2026 t/m 18 mei 2026, oftewel voor een bedrag van € 90.000) en dat [gedaagde] niet onrechtmatig handelt door deze dwangsommen in te vorderen. Hierin is dus geen grond gelegen om de beslagen op te heffen of de executie te staken.