Gepubliceerd op woensdag 5 augustus 2026
IT 5409
Rechtbank Den Haag ||
24 jun 2026,
Rechtbank Den Haag 24 jun 2026,, IT 5409; ECLI:NL:RBDHA:2026:19054 ([eiser] tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/om-handelt-onrechtmatig-door-herleidbaar-persbericht-over-zedenverdenking-zonder-vereiste-toestemming

OM handelt onrechtmatig door herleidbaar persbericht over zedenverdenking zonder vereiste toestemming

Rb. Den Haag 24 juni 2026, IT 5409; ECLI:NL:RBDHA:2026:19054 ([eiser] tegen de Staat). De politie publiceerde op 31 maart 2023, in afstemming met het Openbaar Ministerie, een persbericht waarin stond dat de eigenaar van een nachtclub in een bepaalde plaats werd verdacht van aanranding en verkrachting van twee minderjarige meisjes en dat eerder vergelijkbare meldingen over hem waren binnengekomen. De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van de betrokken politie- en OM-functionarissen vast dat het primaire doel van het bericht het vergroten van de meldingsbereidheid van mogelijke andere slachtoffers was. Het bericht was dus gericht op waarheidsvinding en moest als opsporingsberichtgeving worden beoordeeld, niet uitsluitend als algemene publieksvoorlichting. Het OM had met de aanduiding “eigenaar van een nachtclub” bewust beoogd de verdachte herkenbaar te maken voor potentiële slachtoffers. Daarmee was zijn identiteit in ieder geval voor deze groep derden herleidbaar en was in die zin sprake van het vrijgeven van zijn identiteit. Hiervoor was volgens de toepasselijke Aanwijzing opsporingsberichtgeving toestemming van de hoofdofficier van justitie vereist. Omdat vaststond dat deze toestemming niet was verleend, ontbrak van meet af aan een rechtvaardiging voor de inzet van dit opsporingsmiddel en handelde het OM onrechtmatig jegens eiser in de zin van artikel 6:162 BW. De vordering, voor zover gebaseerd op het handelen van de politie, wordt afgewezen, omdat de politie een van de Staat te onderscheiden rechtspersoon is. De rechtbank beoordeelt niet meer afzonderlijk of de mededeling over eerdere meldingen zelfstandig onrechtmatig was of dat de verwerking in strijd was met de AVG, omdat eiser geen afzonderlijke schade als gevolg daarvan had gesteld.

De rechtbank neemt causaal verband aan tussen het persbericht en de aantasting van eisers eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer. In de hypothetische situatie zonder de normschending zou het OM volgens de rechtbank geen informatie aan de media hebben verstrekt en zou eiser niet als verdachte zijn geïdentificeerd. Gelet op de ernstige zedenverdenking, het beperkte aantal nachtclubs in de plaats en de voorzienbare maatschappelijke onrust moest het OM er rekening mee houden dat derden zouden proberen de identiteit van de verdachte te achterhalen en dat media deze zouden publiceren. Dat eiser een dag later zelf tegenover een journalist bevestigde dat hij de verdachte was, doorbrak het causale verband niet, omdat hij toen feitelijk al in de media was geïdentificeerd. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van de materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat. De rechtbank kent alvast € 15.000 als voorschot op de immateriële schadevergoeding toe vanwege de ernstige en langdurige reputatie- en privacyschade. Of het persbericht ook heeft bijgedragen aan de sluiting van eisers horecagelegenheden en de daarmee samenhangende vermogensschade moet in de schadestaatprocedure nader worden beoordeeld. De Staat moet het persbericht binnen zeven dagen verwijderen van alle door het OM beheerde websites en socialemedia-accounts en verwijderd houden. Een dwangsom wordt niet opgelegd, omdat de Staat had toegezegd vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. Een bevel tot verwijdering van de website van de politie wordt niet gegeven. De Staat wordt daarnaast veroordeeld tot betaling van € 1.842 aan kosten van het voorlopig getuigenverhoor en € 3.379,47 aan proceskosten.

 

5.9.

De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] sluiten verder aan bij de inhoud van de brief die het OM op 14 november 2023 aan (de advocaat van) [eiser] heeft gestuurd:

“Het persbericht is in het kader van waarheidsvinding uitgebracht. Gelet op het onderzoeksbelang en eerdere soortgelijke meldingen bij de politie was het primaire doel van het bericht om de meldingsbereidheid bij eventuele andere slachtoffers te vergroten.”

De rechtbank kan de inhoud van de brief niet anders begrijpen dan dat ook het OM ervan uitging dat het persbericht is uitgebracht in het kader van waarheidsvinding en dat het primaire doel was het vergroten van de meldingsbereid bij andere slachtoffers van [eiser] . De Staat heeft er tijdens de mondelinge behandeling nog op gewezen dat in de brief wordt ingegaan op de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, en dat hieruit volgt dat het OM ervan uitging dat het persbericht een voorlichtingsbericht was, maar dit doet geen afbreuk aan hetgeen het OM in de brief over het doel van het persbericht heeft opgenomen. Nu het persbericht is uitgebracht in het kader van waarheidsvinding, dient de rechtmatigheid van de publicatie te worden beoordeeld aan de hand van de Aanwijzing opsporingsberichtgeving. De Staat heeft verder nog betoogd dat voor veel voorlichtingsberichten geldt dat deze kunnen bijdragen aan een lopend opsporingsonderzoek, maar dat deze berichten daarmee nog geen opsporingsberichtgeving zijn, maar de Staat gaat er hiermee aan voorbij dat het primaire doel van het bericht in dit geval waarheidsvinding was. Indien een persbericht primair wordt ingezet in het kader van waarheidsvinding, kan het OM voor een dergelijk persbericht geen grondslag ontlenen aan de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging.