Gepubliceerd op maandag 27 juli 2026
IT 5388
Rechtbank Amsterdam ||
3 mei 2019,
Rechtbank Amsterdam 3 mei 2019,, IT 5388; ECLI:NL:RBAMS:2019:3022 (Vision tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kunstenaar-is-geen-consument-en-moet-overeengekomen-opzegvergoeding-aan-kunstbemiddelaar-betalen

Kunstenaar is geen consument en moet overeengekomen opzegvergoeding aan kunstbemiddelaar betalen

Rb. Amsterdam 3 mei 2019, IT 5388; ECLI:NL:RBAMS:2019:3022 (Vision tegen [gedaagde]). Een kunstenares sloot in november 2016 een consignatieovereenkomst met Vision on Art, een Belgische onderneming die bemiddelt bij de verkoop van kunstwerken. Vision zou haar werken via elektronische veilingen en professionele kunstwebsites aanbieden en promoten en ontving bij verkoop een commissie. In de overeenkomst stond dat de kunstenares bij opzegging 10% van de waarde van de nog niet verkochte werken moest betalen wanneer minder dan de helft van de werken was verkocht. Ook Vision kon onder bepaalde omstandigheden een vergelijkbare vergoeding verschuldigd worden wanneer zij de overeenkomst binnen twaalf maanden opzegde. Nadat Vision de aangeleverde foto’s van de kunstwerken online had geplaatst, zegde de kunstenares de overeenkomst in augustus 2017 op. Vision bracht daarop € 4.452,80 aan opzegvergoeding in rekening. De kantonrechter oordeelt dat de kunstenares bij het aangaan van de overeenkomst niet als consument handelde. Beslissend is het doel waarvoor zij de overeenkomst sloot: zij wilde met de verkoop van haar kunstwerken inkomsten verwerven om daarmee uiteindelijk in haar levensonderhoud te voorzien. Daarmee gaat het om een beroepsactiviteit. Dat zij daarmee op dat moment nog onvoldoende verdiende, een bijstandsuitkering ontving of het schilderen een hobbymatig karakter had, maakt dat niet anders.

De kantonrechter verwerpt het beroep op ontbinding. In de eerdere berichten van de kunstenares werd onvoldoende duidelijk gemaakt welke verplichting Vision niet nakwam en werd geen termijn voor nakoming gesteld. Omdat evenmin was aangevoerd dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk was, verkeerde Vision niet in verzuim. In het midden kan daarom blijven of de opzeggingsbrief als een ontbindingsverklaring kon worden aangemerkt. Ook het beroep op dwaling slaagt niet. De opzegvergoedingsbepaling stond in de vooraf toegezonden overeenkomst en was bij gewone lezing kenbaar, zodat op Vision geen afzonderlijke spreekplicht rustte. Van misbruik van omstandigheden is evenmin gebleken. Omdat de kunstenares niet als consument handelde, is het Europese consumentenrecht niet van toepassing. De kantonrechter toetst het beding wel als algemene voorwaarde aan artikel 6:233, onder a, BW. Het beding is niet onredelijk bezwarend. Daarbij wegen het wederkerige karakter van de regeling en het verdienmodel van Vision mee: Vision verricht en financiert de publicatie- en promotiewerkzaamheden direct na het sluiten van de overeenkomst, maar ontvangt in beginsel pas een vergoeding wanneer een kunstwerk wordt verkocht. De kunstenares onderbouwt niet dat de hoogte van de vergoeding niet in redelijke verhouding staat tot die werkzaamheden of afwijkt van wat in de markt gebruikelijk is. Het beroep van Vision op het beding is evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kunstenares moet daarom € 4.452,80 aan hoofdsom, € 690,04 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 104,24 aan reeds verschenen rente betalen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Haar reconventionele vordering van € 5.100 aan schadevergoeding wordt afgewezen, omdat Vision niet in verzuim verkeerde.

tekortkoming Vision

3.6.

Als eerste verweer voert [gedaagde] aan dat zij de overeenkomst heeft ontbonden met haar brief van 9 augustus 2017 (zie 1.11). Dit als gevolg van een gestelde wanprestatie (tekortkoming). De vereiste ingebrekestelling zou besloten liggen in de brief van 23 januari 2017 (zie 1.10). De kantonrechter verwerpt dit verweer. Naast het feit dat de brief van 23 januari 2017 niet duidelijk aangeeft welke verplichting Vision niet nakomt, wordt Vision geen termijn gesteld waarbinnen zij alsnog kan nakomen. Dat laatste geldt ook voor de eerdere e-mail van [gedaagde] van 14 november 2016 (zie 1.9). Nu [gedaagde] niet heeft aangevoerd dat nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is ontbreekt verzuim, wat nodig is voor ontbinding. Dat [gedaagde] geen jurist is, zoals zij heeft aangevoerd, maakt dit niet anders: de regeling van de ingebrekestelling is juist bedoeld om ervoor te zorgen (i) dat het voor een wederpartij helder is welke verplichting niet wordt nagekomen en (i) de wederpartij de gelegenheid te geven alsnog aan zijn of haar verplichtingen te voldoen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de brief van [gedaagde] van 9 augustus 2017 als ontbindingsverklaring kwalificeert ondanks dat in de brief de term “opzeggen” wordt gebruikt.

dwaling/misbruik van omstandigheden

3.7.

[gedaagde] beroept zich voorts op vernietiging van de opzegvergoedingsbepaling op grond van dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub b BW). Dit artikel bepaalt dat een overeenkomst, die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten de dwalende had behoren in te lichten (spreekplicht). [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat Vision haar voorafgaand en tijdens het ondertekenen van de overeenkomst niet heeft gewezen op de essentiële opzegvergoedingsbepaling en deze niet heeft toegelicht, terwijl dit wel had gemoeten. Vision betwist dat [gedaagde] heeft gedwaald.

3.8.

In het algemeen wordt aangenomen dat geen spreekplicht bestaat wanneer de wederpartij (in dit geval Vision) er redelijkerwijs vanuit mag gaan dat de feiten bij de dwalende bekend waren of voor het aangaan van de overeenkomst bekend hadden kunnen worden. Vast staat dat de opzegvergoedingsbepaling is opgenomen in de overeenkomst. De tekst van de overeenkomst heeft Vision voorafgaand aan het ondertekenen aan [gedaagde] toegestuurd. [gedaagde] had aldus door lezing van de overeenkomst bekend kunnen zijn met de opzegvergoedingsbepaling. Het verweer dat de bepaling achterin de overeenkomst is ‘weggestopt’ passeert de kantonrechter: Het onderdeel van de overeenkomst dat ziet op internet promotie (bijlage 4) bestaat uit drie bladzijden waarbij op de laatste bladzijde in normaal lettertype afspraken staan over het einde van de overeenkomst, waarvan de opzegvergoedingsbepaling een onderdeel is. Hiermee had [gedaagde] bij gewone lezing bekend kunnen worden. Dat [gedaagde] een leek is op juridisch gebied, dat zij geen financiële middelen had en dat partijen ongelijkwaardig zijn maakt dit niet anders. Vision is niet gehouden te onderzoeken of haar toekomstige contractspartij in staat is de opzegvergoeding te betalen in het geval deze toepasselijk wordt. Wanneer een persoon deelneemt aan het economisch verkeer mag er in beginsel van worden uitgegaan dat deze zelf kan beslissen of hij of zij in staat is een transactie aan te gaan en de mogelijke financiële gevolgen daarvan te dragen. Omstandigheden die maken dat dit in deze situatie anders zou zijn heeft [gedaagde] niet aangevoerd.

3.9.

Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep op dwaling niet.