13 mrt 2026
HR: pasfoto op zichzelf geen biometrisch gegeven; prejudiciële vragen gesteld
HR 13 maart 2025, IT 5192; ECLI:NL:HR:2026:392 ([de kaarthoudster] tegen ICS). De Hoge Raad oordeelt in een tussenarrest over de verhouding tussen de Wwft en de AVG bij het opslaan van pasfoto’s in het kader van cliëntenonderzoek door financiële instellingen. Daarnaast kondigt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan aan het Hof van Justitie EU.De zaak draait om de vraag of International Card Services (hierna: ICS) de creditcardovereenkomst met [de kaarthoudster] mocht opzeggen nadat zij weigerde mee te werken aan online identificatie, waarbij een kopie van haar identiteitsbewijs en een selfie moesten worden aangeleverd en opgeslagen. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het opslaan van een pasfoto of selfie op zichzelf geen verwerking van biometrische gegevens vormt in de zin van de AVG [IT 4806]. Daarvan is pas sprake als de foto wordt onderworpen aan specifieke technische verwerking (zoals gezichtsherkenning) met het oog op unieke identificatie. Het enkele opslaan van een foto valt daar niet onder. De Hoge Raad volgt hier ook de conclusie van de A-G [IT 4813].
Ten aanzien van de Wwft en de AVG signaleert de Hoge Raad echter belangrijke onduidelijkheden. Met name is niet duidelijk of financiële instellingen op grond van de (vierde) anti-witwasrichtlijn verplicht zijn om een kopie van een identiteitsbewijs (inclusief pasfoto) te bewaren, en hoe een dergelijke verplichting zich verhoudt tot het beginsel van minimale gegevensverwerking onder de AVG. Ook bestaat onduidelijkheid over de vraag of foto’s kunnen worden aangemerkt als bijzondere persoonsgegevens (bijvoorbeeld gegevens waaruit ras of etnische afkomst blijkt), en onder welke voorwaarden. Omdat deze vragen niet eenduidig uit het Unierecht volgen, is de Hoge Raad voornemens prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU. De zaak wordt aangehouden zodat partijen zich over dit voornemen kunnen uitlaten.
5. Vragen van uitleg
1. Dient art. 40 lid 1, aanhef en onder a, van Richtlijn (EU) 2015/849 van 20 mei 2015 (de (gewijzigde) Europese vierde anti-witwasrichtlijn), mede bezien in verhouding tot art. 6 lid 3 van Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming, AVG) en het in art. 5 lid 1, aanhef en onder c, AVG vervatte beginsel van minimale gegevensverwerking, aldus te worden uitgelegd dat de lidstaten meldingsplichtige entiteiten dienen te verplichten tot het bewaren van een afschrift van het identiteitsbewijs dat is gebruikt bij de verificatie van de identiteit van een cliënt in het kader van een cliëntenonderzoek?
2. Indien vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord: omvat de door de lidstaten te implementeren bewaarplicht van de meldingsplichtige entiteiten dan een volledig afschrift van de relevante pagina’s van een identiteitsbewijs, met inbegrip van de op het identiteitsbewijs aangebrachte foto?
3. Kunnen foto’s waarop een persoon herkenbaar is afgebeeld, worden beschouwd als persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijken als bedoeld in art. 9 lid 1 AVG, en zo ja, onder welke voorwaarden?
a. Is in dat verband van belang of de desbetreffende foto wordt verwerkt met het doel of oogmerk om onderscheid te maken naar ras of etnische afkomst?
b. Is in dit verband van belang of informatie over ras of etnische afkomst met een voldoende mate van zekerheid uit de desbetreffende foto kan worden afgeleid?