4 aug 2026,
Hof Amsterdam: LinkedIn verbeurt maximale dwangsom wegens plaatsing li_gc-cookie
Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IT 5492; ECLI:NL:GHAMS:2026:2154 (LinkedIn tegen [geïntimeerde]. Het hof bekrachtigt het vonnis in een executiegeschil tussen LinkedIn en een gebruiker over het plaatsen van cookies. In een kortgedingvonnis uit 2024 was LinkedIn geboden om het zonder toestemming (doen) plaatsen of uitlezen van trackingcookies of andere cookies waarvoor toestemming is vereist op de apparaten van de gebruiker te staken, op straffe van dwangsommen. Volgens de gebruiker heeft LinkedIn dit gebod overtreden door onder meer de cookies bcookie en li_gc te plaatsen. Het hof oordeelt dat het gebod niet is beperkt tot één specifieke cookie, maar in beginsel iedere trackingcookie of andere toestemmingsplichtige cookie omvat. De bcookie valt echter niet onder het gebod, omdat in het vonnis uit 2024 onvoldoende aannemelijk was geacht dat voor deze cookie toestemming was vereist. De li_gc-cookie kan wel onder het gebod vallen.
Het hof oordeelt voorshands dat voor het plaatsen van de li_gc-cookie via websites van derden op grond van artikel 11.7a lid 1 Tw toestemming van de websitebezoeker vereist is. LinkedIn heeft niet duidelijk gemaakt waarom deze cookie strikt noodzakelijk is voor de door de bezoeker gevraagde dienst, zodat de uitzondering van artikel 11.7a lid 3 Tw niet van toepassing is. Ook heeft LinkedIn onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gebruiker toestemming voor het plaatsen van de cookies had gegeven. Op grond van artikel 7 lid 1 AVG moet LinkedIn als verwerkingsverantwoordelijke kunnen aantonen dat toestemming is verleend, maar de door haar overgelegde stukken zijn volgens het hof onvoldoende om geïnformeerde toestemming aan te nemen voor het gebruik van LinkedIn-cookies op websites van derden waar de gebruiker zelf cookies weigert. Omdat namens LinkedIn is bevestigd dat bij een overtreding met één van de betrokken cookies sprake is van meer dan vijftig overtredingen, heeft LinkedIn door het gebruik van li_gc het maximumbedrag van € 25.000 aan dwangsommen verbeurd. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt LinkedIn in de proceskosten van het hoger beroep.
Valt de no-follow cookie onder de uitzondering van artikel 11.7a, derde lid, Tw?
De zogenaamde “no-follow cookie” die gebruikt wordt om te registreren dat iemand geen cookies wil, kan gezien worden als een door een gebruiker gevraagde dienst waarbij het plaatsen van gegevens strikt noodzakelijk is. Dit lijkt tegenstrijdig nu de gebruiker immers kenbaar heeft gemaakt geen gegevens te willen laten plaatsen. ACM oordeelt dat in dit specifieke geval een no-follow cookie als strikt noodzakelijk gezien mag worden. ACM verlangt hierbij wel de volgende waarborgen:
- de gebruiker moet een keuze gehad hebben tussen het toestaan en weigeren van cookies én gekozen hebben om cookies te weigeren. Indien de gebruiker geen handeling heeft verricht zal de website logischerwijs moeten blijven informeren dat de website voornemens is cookies te plaatsen;
- de website dient de gebruiker te informeren dat een no-follow cookie geplaatst zal worden met als enig doel de registratie van de keuze; (…)
Van beide bedoelde waarborgen is niet gebleken dat daar bij het plaatsen van li_gc door een website van een derde (de advertiser) is voldaan. Zoals in 6.11 is overwogen,wordt deze cookie in alle gevallen geplaatst en dus ook als de bezoeker van de website geen keuze heeft gemaakt tussen het accepteren en weigeren van cookies. LinkedIn heeft niet aangevoerd, en ook is niet anderszins gebleken, dat in een dergelijk geval de bezoeker wordt geïnformeerd dat de website voornemens is cookies te plaatsen. Evenmin is gebleken dat de bezoeker van de website van een advertiser wordt geïnformeerd dat een no-follow cookie geplaatst zal worden. Overigens is het de vraag of de hiervoor genoemde passage wel ziet op het geval dat in deze zaak aan de orde is, namelijk dat een cookie van LinkedIn wordt geplaatst op het moment van bezoek van de website van een derde. Omdat in deze zaak niet is voldaan aan de hiervoor genoemde waarborgen, kan ook dit verder in het midden blijven.
6.17.
Wat betreft het document van de Artikel 29 Werkgroep geldt dat uit de door LinkedIn genoemde vindplaats slechts volgt dat een cookie die gebruikt wordt om voorkeuren van de gebruiker vast te leggen in bepaalde omstandigheden onder een vrijstelling (van, naar het hof begrijpt, het toestemmingsvereiste) kan vallen. Waarom dit voor li_gc zou gelden, heeft LinkedIn niet toegelicht.
6.18.
LinkedIn heeft ten slotte nog opgemerkt dat de websitebeheerder (in dit geval: de advertiser) verantwoordelijk is voor de naleving van de regelgeving voor de op diens website geplaatste cookies van derden (in dit geval: LinkedIn). Wat hier ook van moge zijn, aangenomen moet worden dat deze verantwoordelijkheid (ook) op LinkedIn rust. In het 2024-vonnis is LinkedIn aangemerkt als partij op wie de verplichtingen voortvloeiend uit de Telecommunicatiewet rusten. Daar zal in dit kort geding vanuit moeten worden gegaan.
6.19.
Uit het voorgaande volgt dat op grond van artikel 11.7a lid 1 Tw voor het plaatsen van li_gc via de website van een advertiser, toestemming vereist is van de bezoeker van die website. Dit leidt tot de conclusie dat grief 4 niet slaagt.