17 sep 28
Geen spoedeisend belang bij sextortion-vordering: beelden al verspreid
Rb. Gelderland 24 maart 2026, IT 5238; ECLI:NL:RBGEL:2026:2749 ([naam vrouw] tegen [naam man]). In een kort geding tussen (ex-)echtgenoten vordert de vrouw onder meer een contactverbod en een verbod op verdere verspreiding van beeldmateriaal, stellende dat sprake is van sextortion. De man zou seksueel getinte beelden via een usb-stick met familieleden van de vrouw hebben gedeeld om haar onder druk te zetten in een vermogensgeschil.
De voorzieningenrechter verklaart de vrouw niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Partijen hebben reeds geen contact meer, zodat een contactverbod geen onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Daarnaast staat vast dat de beelden al zijn verspreid, terwijl onvoldoende aannemelijk is dat verdere verspreiding dreigt. Daarmee ontbreekt ook voor het gevorderde verspreidingsverbod het vereiste spoedeisend belang. De reconventionele vorderingen van de man, waaronder een voorschot op schadevergoeding wegens laster en smaad, worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en eveneens ontbreken van spoedeisend belang. De proceskosten worden gecompenseerd. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het delen van vertrouwelijke, seksueel getinte communicatie met familieleden als onbehoorlijk moet worden aangemerkt.
4.5 De vrouw heeft daarnaast gevorderd de man te verbieden foto’s en/of beeldmateriaal van haar te verspreiden. Vaststaat echter dat deze beelden reeds door de man zijn verspreid, doordat hij de usb-stick aan de ouders en de zwager van de vrouw heeft overhandigd. Voor zover in de vordering van de vrouw gelezen moet worden dat zij de man wil verbieden tot verdere verspreiding van de informatie, geldt dat onvoldoende is gebleken van een dreiging dat de man de beelden verder zal verspreiden. Op de zitting heeft de man ook nog verklaard dat hij niet tot verdere verspreiding overgaat. Ook voor deze vordering ontbreekt om die reden het spoedeisend belang.
4.10 Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Het handelen van de man, bestaande uit het delen van een vertrouwelijk appwisseling tussen partijen over hun seksleven met familie van de vrouw, terwijl hij weet dat dit indruist tegen hun traditionele normen, is op zijn minst kwalijk en onbehoorlijk. Dergelijke berichten zijn in vertrouwelijkheid uitgewisseld en dienen ook binnen die vertrouwelijke sfeer te blijven. De man wordt dan ook dringend in overweging gegeven zich hiervan in de toekomst te onthouden.