9 jul 2026,
Geen recht op verwijdering of verdere rectificatie van KMar-mutatie op grond van artikel 28 Wpg
Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2026, IT 5458; ECLI:NL:RBZWB:2026:6670 ([eiser] tegen de minister van Defensie). Deze uitspraak gaat over twee verzoeken van eiser om verwijdering dan wel rectificatie van de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg). Naar aanleiding van een staandehouding op 31 juli 2019 had de KMar een mutatierapport opgesteld. Eiser verzocht in 2024 primair om volledige verwijdering van die mutatie, omdat volgens hem een wettelijke grondslag voor de verwerking ontbrak en de klachtencommissie van de KMar eerder had geoordeeld dat geen gegronde reden bestond om hem om legitimatie te vragen. Subsidiair verzocht hij om rectificatie van verschillende passages, onder meer over zijn kijkgedrag naar passerende voertuigen, het lopen dan wel oversteken van de weg, een vermeende voorbijganger en de omschrijving dat hij ‘verbaal agressief’ zou hebben gereageerd. Ter onderbouwing verwees eiser onder meer naar een geluidsopname van de staandehouding. De minister wees de verzoeken grotendeels af, omdat de gegevens rechtmatig in het kader van de dagelijkse politietaak waren verwerkt en de betwiste passages volgens hem grotendeels indrukken en waarnemingen van KMar-ambtenaren betroffen.
De rechtbank oordeelt dat geen grond bestaat voor vernietiging op grond van artikel 28 lid 2 Wpg. De persoonsgegevens zijn op grond van artikel 8 Wpg verwerkt ten behoeve van de uitvoering van de dagelijkse politietaak als bedoeld in artikel 3 Politiewet. Dat de klachtencommissie achteraf heeft geoordeeld dat geen gegronde reden bestond om eiser om legitimatie te vragen, maakt de verwerking van de met het optreden samenhangende politiegegevens niet reeds onrechtmatig. Ook bestaat geen recht op verdere rectificatie. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling overweegt de rechtbank dat het rectificatierecht van artikel 28 lid 1 Wpg niet is bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen te corrigeren of te verwijderen; voor feitelijke gegevens moet de betrokkene aannemelijk maken dat deze onjuist zijn. De bestreden passages vormen volgens de rechtbank hoofdzakelijk professionele indrukken en conclusies van de KMar-ambtenaren. Voor zover zij feitelijke gegevens bevatten, heeft eiser de onjuistheid daarvan niet aannemelijk gemaakt. Ook de geluidsopname biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De minister had de volgorde van de vraag om legitimatie inmiddels op 9 januari 2025 aangepast, zodat in zoverre al aan het verzoek was tegemoetgekomen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige besluitvorming wordt afgewezen, maar in zaak 24/8144 wordt wegens een aan de rechtbank toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn met circa anderhalve maand wel € 500 immateriële schadevergoeding toegekend ten laste van de Staat.
9. De conclusie is dat de beroepen ongegrond zijn omdat de minister terecht heeft besloten dat de KMar de mutatie niet hoefde te vernietigen dan wel te wijzigen. Eiser krijgt dus ongelijk en de beroepen zijn ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen in de zaak met procedurenummer 24/8144. Eiser krijgt in die zaak het griffierecht terug. Niet is gebleken dat er proceskosten zijn gemaakt.