12 mrt 2026,
Geen betaling verschuldigd na ontbinding wegens voortijdige livegang gebrekkige webshop
Rb. Noord-Holland 12 maart 2026, IT 5586; ECLI:NL:RBNHO:2026:2486 ([eisers] tegen [gedaagde]). Een onderneming gespecialiseerd in marketing- en IT-diensten heeft met een webshopeigenaar een overeenkomst gesloten voor het herontwerpen van de homepage en productpagina van haar webshop en het ontwerpen en drukken van autostickers. De vernieuwde website is op 18 december 2024 zonder voorafgaande goedkeuring van de opdrachtgever live gegaan. Volgens de opdrachtgever bevatte de website onjuiste informatie over prijzen en bezorgmogelijkheden en werden verkeerde foto's getoond. Zij heeft daarom per WhatsApp laten weten de samenwerking te willen beëindigen en de oorspronkelijke situatie te willen herstellen. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland vat dit bericht op als een beroep op ontbinding van de overeenkomst voor de webshopwerkzaamheden. De opdrachtgever heeft voldoende onderbouwd dat het was afgesproken dat zij de website voorafgaand aan de livegang mocht bekijken en goedkeuren. De opdrachtnemer heeft deze afspraak niet nageleefd. Door een softwarefout bleef de vernieuwde website na een test online en kon de livegang niet volledig worden teruggedraaid. De opdrachtnemer heeft bovendien onvoldoende onderbouwd dat de oorspronkelijke situatie was hersteld. Volgens de kantonrechter rechtvaardigen deze omstandigheden, met name de onjuiste informatie en foto's op de website, de ontbinding van de overeenkomst. De opdrachtnemer verkeerde daarnaast in verzuim, omdat zij ondanks herhaalde verzoeken de oude situatie niet heeft hersteld.
De ontbinding leidt op grond van artikel 6:271 BW tot ongedaanmakingsverbintenissen. Omdat de verrichte werkzaamheden naar hun aard niet ongedaan kunnen worden gemaakt, moet op grond van artikel 6:272 BW worden beoordeeld welke waarde de prestatie daadwerkelijk voor de opdrachtgever heeft gehad. De kantonrechter stelt deze waarde vast op nihil, omdat gesteld noch gebleken is dat de webshopwerkzaamheden enige waarde voor de opdrachtgever hebben gehad. De opdrachtgever hoeft daarom de factuur van € 1.815 inclusief btw voor de webshopwerkzaamheden niet te betalen. Wel moet zij € 192,38 betalen voor de afzonderlijk geleverde autostickers, vermeerderd met wettelijke handelsrente, en € 40 aan buitengerechtelijke incassokosten. De tegenvordering van de opdrachtgever tot betaling van € 4.550 aan schadevergoeding wordt volledig afgewezen. De gestelde kosten voor herstelwerkzaamheden zijn onvoldoende onderbouwd, de kosten voor het opstellen van het verweer vallen onder de proceskosten en het gestelde omzetverlies is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook de gevorderde immateriële schadevergoeding wegens stress wordt afgewezen, omdat een aantasting in de persoon onvoldoende is onderbouwd. De proceskosten in conventie worden gecompenseerd. Voor de afgewezen tegenvordering moet de opdrachtgever € 331,50 aan proceskosten betalen.
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat is overeengekomen dat zij de website zou mogen bekijken en dat haar goedkeuring nodig was voordat de website live zou gaan. Dit wordt ondersteund door de Whatsapp-berichten van 18 december 2024 van [eisers] ‘die had nog helemaal niet live gemogen namelijk’ en ‘Het overgaan naar de nieuwe site had nog niet meteen gemoeten omdat het nog niet geheel functioneel is. Door een fout is hij toch overgegaan wat we nu dus merken’. Daarbij komt dat het ook een logische gang van zaken is dat een klant de mogelijkheid krijgt om een ontworpen website te bekijken en opmerkingen te maken voordat deze live gaat. Die mogelijkheid is [gedaagde] echter niet geboden.
5.6.
Partijen zijn het er over eens dat het probleem hem er in zat dat de site na de test, die normaal 10 tot 15 minuten duurt, niet meer offline ging door een softwarefout en dat dit probleem deels niet meer terug te draaien viel. [eisers] heeft wel gezegd dat de oude site weer is teruggezet en alle fouten zijn hersteld, maar zij heeft dat onvoldoende onderbouwd, bijvoorbeeld met berichten, documenten of schermafbeeldingen. Daarbij komt dat [eisers] zich ook op het standpunt stelt dat haar de toegang tot de website werd ontzegd en het haar daardoor onmogelijk werd gemaakt om nog langer aanpassingen te doen. Dat standpunt valt moeilijk te rijmen met de stelling dat de oude site was teruggezet en alle fouten waren hersteld.
5.7.
Het komt er op neer dat [eisers] geen gehoor heeft gegeven aan de afspraak om de website eerst te laten goedkeuren door [gedaagde] en dat vervolgens de website live is gegaan, waarna die livegang niet ongedaan te maken viel. Met name het gegeven dat er foute informatie en foto’s op de website stonden, maakt dat er sprake is van een tekortkoming die de ontbinding rechtvaardigt.
5.8.
Voor de ontbinding is echter wel noodzakelijk dat [eisers] in verzuim verkeerde. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter sprake. Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat [gedaagde] , nadat zij ontdekte wat er aan de hand was, meerdere keren aan [eisers] heeft gevraagd de site weer offline te halen en de webshop weer in de oude situatie te herstellen. [eisers] heeft dat niet gedaan, maar heeft de nieuwe website proberen aan te passen, echter dat is niet wat er had moeten gebeuren.
5.9.
Dit betekent dat [gedaagde] op 21 december 2024 bevoegd kon overgaan tot het ontbinden van de overeenkomst. Dat betekent in deze zaak het volgende.
5.10.
De ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover hieraan al is voldaan, ontstaat een verbintenis tot ongedaan-making van de reeds ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272 lid 1 BW). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op het tijdstip van de ontvangst werkelijk heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW).
5.11.
Hiervoor is al overwogen dat de prestatie van [eisers] niet aan de verbintenis heeft beantwoord. Gesteld noch gebleken is dat de prestatie van [eisers] enige waarde heeft gehad voor [gedaagde] . Deze wordt daarom vastgesteld op nihil. Dit leidt ertoe dat [gedaagde] geen vergoeding is verschuldigd voor de door [eisers] verrichte prestaties wat betreft de website en webshop. Het voorgaande betekent ook dat [gedaagde] het door [eisers] gevorderde bedrag van € 1.815,- (inclusief btw) aan hoofdsom, dat door [gedaagde] ter zake de website en webshop onbetaald is gelaten, niet is verschuldigd.