27 mrt 2026
Digitale vormfout bij processtukken: herstel boven niet-ontvankelijkheid
HR 27 maart 2026, IT 5174; ECLI:NL:HR:2026:514 ([de vrouw] tegen [de man]). De Hoge Raad heeft zich in deze beschikking uitgelaten over de gevolgen van een onjuiste wijze van elektronische indiening van een processtuk. Centraal stond de vraag of een beroepschrift dat binnen de appeltermijn per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend, maar niet via het voorgeschreven systeem van “Veilig Mailen”, kan leiden tot ontvankelijkheid in hoger beroep. In de onderliggende echtscheidingsprocedure had de man tijdig hoger beroep ingesteld door zijn beroepschrift per e-mail aan het hof te sturen. Deze wijze van indiening was alleen in strijd met het toepasselijke procesreglement, dat een limitatief stelsel van indieningswijzen kent en elektronische indiening uitsluitend via beveiligde kanalen toestaat. De papieren versie van het beroepschrift werd pas na afloop van de beroepstermijn ontvangen. Het hof verklaarde de man desondanks ontvankelijk, mede vanwege een destijds niet eenduidige praktijk rondom e-mailindiening.
In cassatie werd aangevoerd dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden toegepast, zodat afwijking van de voorgeschreven indieningswijze tot niet-ontvankelijkheid had moeten leiden. De Hoge Raad verwerpt deze klacht en maakt een onderscheid tussen termijnoverschrijding en een gebrek in de wijze van indiening. Volgens de HR is in dit geval sprake van een tijdige indiening, maar met een vormgebrek. Als uitgangspunt geldt dat de rechter de indienende partij de gelegenheid moet bieden dit gebrek te herstellen door het processtuk alsnog op de juiste wijze in te dienen. Indien herstel achterwege blijft, kan niet-ontvankelijkheid volgen. De rechter kan echter ook oordelen dat herstel geen zinvolle functie meer heeft en de partij zonder herstel ontvankelijk verklaren. De HR acht deze benadering in overeenstemming met de regeling van art. 33 lid 6 Rv inzake herstel van gebreken bij elektronisch procederen. Daarmee wordt bevestigd dat onjuist gebruik van digitale indieningskanalen niet zonder meer fataal is, mits het processtuk tijdig is ontvangen en het gebrek zich leent voor herstel. Het cassatieberoep wordt verworpen.
3.2 In dit geval heeft de man het beroepschrift met de gronden tijdig, dus binnen de appeltermijn, ingediend bij het hof. Het beroepschrift is evenwel op gebrekkige wijze ingediend omdat het per gewone (onbeveiligde) e-mail is ingediend en niet per beveiligde e-mail (‘Veilig Mailen’) zoals voor de indiening van processtukken per e-mail is voorgeschreven in het in deze zaak toepasselijke procesreglement.
Uitgangspunt in een dergelijk geval is dat de rechter de indienende partij in de gelegenheid stelt om dit gebrek te herstellen door binnen een door de rechter te bepalen termijn hetzelfde beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen. Maakt de indienende partij van deze gelegenheid geen gebruik, dan kan de rechter haar niet-ontvankelijk verklaren. De rechter kan evenwel in een geval als dit in de omstandigheid dat het alsnog indienen van het beroepschrift via Veilig Mailen geen zinvol herstel is van het eerdere onbeveiligd mailen, aanleiding zien om deze herstelmogelijkheid achterwege te laten en de indienende partij zonder herstel ontvankelijk te verklaren.
Het voorgaande strookt met het sinds 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv, dat een algemene herstelmogelijkheid in geval van elektronisch procederen behelst.