Gepubliceerd op dinsdag 3 maart 2026
IT 5122
Rechtbank Overijssel ||
13 feb 2026
Rechtbank Overijssel 13 feb 2026, IT 5122; ECLI:NL:RBOVE:2026:715 ([eiser] tegen de burgemeester van Zwolle), https://itenrecht.nl/artikelen/burgemeester-mocht-avg-verzoek-afwijzen-vanwege-wet-bibob

Burgemeester mocht AVG-verzoek afwijzen vanwege Wet Bibob

Rb. Overijssel 13 februari 2026, IT 5122; ECLI:NL:RBOVE:2026:715 ([eiser] tegen de burgemeester van Zwolle). [eiser] verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens in een adviesrapport van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC), dat was opgesteld naar aanleiding van een vergunningaanvraag. De burgemeester weigerde inzage onder verwijzing naar de geheimhoudingsplicht van artikel 28 Wet Bibob. Volgens de burgemeester valt het RIEC-advies onder het gesloten verstrekkingenregime van de Wet Bibob en zou verstrekking afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank volgt dit standpunt. Het inzagerecht van artikel 15 AVG kan op grond van artikel 23 AVG en artikel 41 UAVG worden beperkt wanneer dat noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De geheimhoudingsplicht uit de Wet Bibob vormt zo’n wettelijke beperking. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de burgemeester deze belangenafweging onjuist heeft gemaakt. Dat het Bibob-advies eerder (onder geheimhouding) aan eiser was verstrekt, maakt dit niet anders: het RIEC-advies is een afzonderlijk document waarop de geheimhoudingsplicht eveneens van toepassing is. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat geen dwangsom is verbeurd wegens niet tijdig beslissen, omdat de ingebrekestelling te vroeg was ingediend. Het beroep wordt ongegrond verklaard

9.6 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in de geheimhoudingsplicht op grond van de Wet Bibob en het niet van toepassing zijn van een uitzondering daarop aanleiding heeft kunnen zien om de inzage in (de persoonsgegevens in) het RIEC-advies te weigeren op basis van de weigeringsgrond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG.

9.6.1.
Hierbij is van belang dat onder “de rechten en vrijheden van anderen” in de zin van deze laatste bepaling ook de rechten en vrijheden van de verwerkingsverantwoordelijke (oftewel de burgemeester zelf) en het door hem geraadpleegde RIEC vallen. Dit kan worden afgeleid uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 43, aanhef en onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens.10 Hoewel deze bepaling – anders dan de burgemeester stelt – niet gelijkluidend is aan artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG, is dit wel de voorloper van die bepaling en is de uitzondering (“voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen”) wel gelijkluidend.

9.6.2.
Verder is van belang dat [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat de beperking van het recht op inzage niet noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de bescherming van de rechten en vrijheden van de burgemeester en het RIEC of van anderen. Bovendien kan de rechtbank – doordat zij van [eiser] geen toestemming heeft gekregen om kennis te nemen van het RIEC-advies – ook niet beoordelen of zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen.

9.6.3.
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de burgemeester zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geheimhoudingsplicht op grond van de Wet Bibob ertoe leidt dat de beperking op het recht op inzage noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van de rechten en vrijheden van anderen. Daarom heeft de burgemeester een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan deze geheimhoudingsplicht dan aan de belangen van [eiser] bij inzage in (de persoonsgegevens in) het RIEC-advies. Dit betekent dat de burgemeester deze inzage heeft kunnen weigeren.