Gepubliceerd op maandag 17 augustus 2026
IT 5445
Overige instanties ||
19 mei 2026,
Overige instanties 19 mei 2026,, IT 5445; ECLI:CE:ECHR:2026:0519JUD004158523 (Miladze tegen Georgië), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/boete-voor-grove-beledigingen-van-ambtsdragers-op-tiktok-niet-in-strijd-met-artikel-10-evrm

Boete voor grove beledigingen van ambtsdragers op TikTok niet in strijd met artikel 10 EVRM

EHRM 19 mei 2026, IT 5445; ECLI:CE:ECHR:2026:0519JUD004158523 (Miladze tegen Georgië). In deze zaak plaatste Miladze, een Georgische burgeractivist, in december 2022 een openbare TikTok-video waarin hij kritiek uitte op het verkeers- en vervoersbeleid van Tbilisi en op het optreden van de burgemeester, politie- en veiligheidsfunctionarissen. Daarbij gebruikte hij herhaaldelijk zeer grove en seksueel expliciete beledigingen tegen deze functionarissen. De video werd meer dan 100.000 keer bekeken en ongeveer 600 keer gedeeld. Miladze werd wegens de video bestuursrechtelijk vervolgd. In hoger beroep bleef zijn veroordeling wegens verstoring van de openbare orde op grond van artikel 166 § 1 van de Georgische Code of Administrative Offences in stand en werd hem de wettelijke minimumboete van GEL 500, ongeveer € 180, opgelegd. De Georgische rechter beschouwde TikTok, mede gelet op bestaande nationale rechtspraak over cyberspace en sociale media, als een ‘public place’. Miladze klaagde bij het EHRM dat zijn veroordeling zijn vrijheid van meningsuiting uit artikel 10 EVRM schond. Volgens hem was de beperking onder meer niet voorzienbaar omdat de nationale bepaling niet op sociale media zou zien, en vormde zijn video politieke kritiek over een onderwerp van algemeen belang. 

Het EHRM stelt vast dat de veroordeling een inmenging vormt in het recht van Miladze op vrijheid van meningsuiting, maar acht deze inmenging gerechtvaardigd onder artikel 10 lid 2 EVRM. De beperking was bij wet voorzien: de nationale rechters hadden met verwijzing naar bestaande Georgische rechtspraak voldoende voorzienbaar uitgelegd dat het begrip ‘public place’ ook cyberspace en sociale-mediaplatforms omvat. De maatregel diende bovendien de legitieme doelen van bescherming van de goede zeden en de rechten van anderen. Bij de noodzakelijkheidstoets erkent het Hof dat de video deel uitmaakte van een debat van algemeen belang over het gemeentelijke vervoersbeleid, maar acht het van belang dat een aanzienlijk deel bestond uit uiterst grove, seksueel getinte en persoonlijk tegen identificeerbare ambtsdragers gerichte beledigingen. Het Hof ziet in dit taalgebruik geen politiek-sociale satire of ander stilistisch, retorisch of artistiek doel dat de gekozen uitdrukkingsvorm kon verklaren en onderscheidt de zaak daarmee onder meer van Peradze e.a. tegen Georgië, waarin de vulgaire uiting niet tegen identificeerbare personen was gericht. Ook de wijze van verspreiding weegt mee: TikTok maakt snelle en algoritmische verspreiding naar een groot, waaronder jong, publiek mogelijk, terwijl Miladzes waarschuwing voor grof taalgebruik de toegang voor minderjarigen of onvrijwillige blootstelling via de aanbevelingsfeed niet beperkte. De nationale rechters hadden volgens het Hof de inhoud, context, toon, het doel en de mogelijke impact van de uitingen voldoende afgewogen en relevante en toereikende redenen voor de beperking gegeven. Ten slotte was de sanctie proportioneel, nu uitsluitend de wettelijke minimumboete was opgelegd, geen strafrechtelijke sanctie volgde en de autoriteiten de video niet lieten verwijderen of Miladzes account beperkten. Gelet op deze omstandigheden en de aan Georgië toekomende beoordelingsmarge concludeert het EHRM unaniem dat de inmenging noodzakelijk was in een democratische samenleving en dat artikel 10 EVRM niet is geschonden.

78. Having regard to the margin of appreciation afforded to Contracting States (see paragraph 69 above), the particularly aggressive nature of the vulgar language used, the extensive dissemination of the video in question on a social media platform aimed at young people, the thoroughness of the balancing exercise conducted by the domestic courts, and the limited severity of the sanction imposed, the Court concludes that the respondent State provided “relevant and sufficient” reasons for the interference with the applicant’s freedom of expression.

79. The interference was therefore “necessary in a democratic society” within the meaning of Article 10 § 2 of the Convention, and accordingly, there has been no violation of Article 10.