Gepubliceerd op woensdag 4 november 2026
IT 5626
Rechtbank Den Haag ||
2 nov 2026,
Rechtbank Den Haag 2 nov 2026,, IT 5626; ECLI:NL:RBDHA:2026:26100 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://itenrecht.nl/artikelen/bankgarantie-rechtsgeldig-ondertekend-via-chatbot-met-geavanceerde-elektronische-handtekening

Bankgarantie rechtsgeldig ondertekend via chatbot met geavanceerde elektronische handtekening

Rb. Den Haag 17 juni 2026, IT 5626; ECLI:NL:RBDHA:2026:26100 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiseres] en [gedaagde] staat de vraag centraal of een bankgarantieovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen door middel van een elektronische handtekening via een chatbot. [gedaagde] heeft een woning gekocht waarvoor een bankgarantie van € 43.000 moest worden gesteld. Een hypotheekadviseur heeft via een intermediair een bankgarantie aangevraagd, waarna de garantieopdracht digitaal is ondertekend via een chatbot. Nadat onregelmatigheden in de hypotheekaanvraag aan het licht kwamen, werd de hypotheek niet verstrekt en ging de aankoop niet door. De bankgarantie werd vervolgens ingeroepen en uitbetaald. [eiseres] vordert terugbetaling van het uitgekeerde bedrag, maar [gedaagde] betwist dat zij de garantieopdracht heeft ondertekend en stelt dat de digitale ondertekeningsmethode onvoldoende betrouwbaar is.

De rechtbank beoordeelt de elektronische handtekening aan de hand van artikel 3:15a BW en de eIDAS-verordening. Volgens de rechtbank is sprake van een geavanceerde elektronische handtekening waarvoor een voldoende betrouwbare ondertekeningsmethode is gebruikt. Daarbij weegt mee dat de aanvraag is ingediend via een beveiligd portaal dat uitsluitend toegankelijk is voor bevoegde adviseurs, waarna een unieke ondertekeningslink naar het e-mailadres van [gedaagde] is gestuurd. Ook moest de ondertekenaar identificatievragen beantwoorden en de garantieopdracht bevestigen. Hoewel de hypotheekadviseur de digitale handtekening feitelijk heeft geplaatst, had [gedaagde] hem zelf toegang gegeven tot haar mailbox om de aankoop van de woning en de bankgarantie te regelen. Volgens de rechtbank is daarom geen sprake van de gestelde identiteitsfraude en is [gedaagde] gebonden aan de elektronische handtekening. De bankgarantieopdracht heeft daarmee als onderhandse akte dwingende bewijskracht. [gedaagde] moet € 43.455 terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten af, omdat het betreffende contractuele beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG. In de vrijwaringszaak worden de betrokken tussenpersonen hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de bedragen waartoe [gedaagde] in de hoofdzaak is veroordeeld.

De rechtbank oordeelt dat de door [partij A] gebruikte digitale ondertekeningsmethode in dit specifieke geval voldoende betrouwbaar is. Daartoe is het volgende doorslaggevend.

5.6.1. [partij A] heeft toegelicht dat het proces start bij de adviseur van de koper – in dit geval ( [partij F] met behulp van) [partij C] – die namens de koper een bankgarantie aanvraagt en daarbij de persoonsgegevens van de koper opgeeft, waaronder het e-mailadres. De adviseur beschikt als enige over een persoonlijk wachtwoord voor de beveiligde online portal van [partij A] ; particulieren hebben geen toegang tot dit portal. Vereiste voor een aansluiting op dit portal is dat het kantoor van adviseur beschikt over een AFM-vergunning. De adviseur initieert vervolgens de digitale ondertekening, waarna de koper op het opgegeven e-mailadres een unieke link ontvangt om de drie stappen als vermeld onder randnummer 3.7 te doorlopen.

5.6.2. [partij A] heeft overgelegd de ‘Certificering digitaal ondertekenen via [chatbot] (van Dialog Group)’. Hieruit volgt dat de door [partij A] gebruikte digitale ondertekening kwalificeert als een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van de eIDAS-verordening. Dit vereist onder meer (i) dat de ondertekening op unieke wijze verbonden is aan de ondertekenaar, (ii) dat de ondertekenaar achteraf identificeerbaar is en (iii) dat de ondertekenaar de exclusieve controle heeft over de ondertekening.

5.6.3. Daarvan is ook in onderhavige procedure voldoende gebleken. Uit het eveneens in dit kader door [partij A] overgelegde logbestand8 blijkt dat [partij C] op 9 juli 2024 in de beveiligde online portal een aanvraag voor een bankgarantie voor [partij B ] heeft gedaan. Bij die aanvraag zijn diverse persoonsgegevens van [partij B ] opgegeven, waaronder het e-mailadres [e-mailadres] . [partij B ] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat dit haar e-mailadres is. [partij C] heeft de digitale ondertekening voor de aanvraag van de bankgarantie geïnitieerd. Het logboek bevestigt dat vanuit het systeem een ondertekeningsmail met daarin een unieke link is verzonden naar het e-mailadres van [partij B ] . Hierbij werd de identiteit van [partij B ] gewaarborgd en had [partij B ] de exclusieve controle over de ondertekening. Voorts is ter identificatie van [partij B ] gevraagd naar haar geboortedatum, postcode en voornaam.