Gepubliceerd op maandag 14 november 2022
IT 4146
Rechtbank Den Haag ||
31 okt 2022
Rechtbank Den Haag 31 okt 2022, IT 4146; ECLI:NL:RBDHA:2022:11934 (eiser tegen gedaagde), https://itenrecht.nl/artikelen/auteursrecht-op-software-is-niet-overgedragen

Auteursrecht op software is niet overgedragen

Vzr. Rechtbank Den Haag 31 oktober 2022, IEF 21085, IT 4146; ECLI:NL:RBDHA:2022:11934 (eiser tegen gedaagde) Gedaagde heeft een eenmanszaak die zich bezig houdt met het ontwikkelen en aanbieden van een softwarepakket waarmee VvE’s hun administratie kunnen voeren. Eiser is een klant van gedaagde en betaalt hem jaarlijks een licentievergoeding. De software wordt in eigendom overgedragen aan eiser door middel van een intentieverklaring. Er ontstaat, onder meer, een geschil over de auteursrechten op de software en het gebruik van de software. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet aannemelijk is geworden dat eiser rechthebbende is geworden van de auteursrechten op de software omdat niet in de intentieverklaring staat dat partijen hebben beoogd de auteursrechten op de software over te dragen. Eiser mag de software wel blijven gebruiken vanwege het belang om zijn klanten te bedienen. De vorderingen in conventie en in reconventie worden afgewezen.

4.5. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in ieder geval tot 1 maart 2021 (auteurs)rechthebbende was met betrekking tot de Software. In de (door partijen zelf, zonder juridische bijstand opgestelde) Intentieverklaring staat niet dat partijen hebben beoogd de auteursrechten van de Software over te dragen. Dat dit desondanks wel is beoogd en vervolgens is gedaan, volgt niet zonder meer uit de overdracht van de broncode en de mededeling dat [de V.O.F.] de Software meteen naar eigen wensen kon aanpassen en dat zij kon starten met het werven van klanten. Duidelijk is immers dat [gedaagde] gedurende ten minste drie jaar de zijn eigen klanten wenste te bedienen, logischerwijs met de Software. Nergens staat dat [de V.O.F.] op enigerlei wijze aan dat gebruik voorwaarden kan stellen. Verder is bedongen dat [de V.O.F.] de Software niet zonder toestemming van [gedaagde] aan derden ter hand mag stellen en dat [gedaagde] gedurende drie jaar niet met anderen in onderhandeling zal treden. Een en ander past niet bij een overdracht van auteursrecht. Het duidt veel meer op een ruime, exclusieve licentieverlening aan [de V.O.F.] , die vooruitloopt op een mogelijke auteursrechtoverdracht na verloop van een periode van drie jaar, waarbij [gedaagde] zijn eigen werk gedurende die periode mag blijven gebruiken.

4.8. In de Intentieverklaring zijn [de V.O.F.] en [gedaagde] overeengekomen dat [gedaagde] zijn eigen klanten gedurende drie jaar behoudt. Hierbij is geen uitzondering gemaakt voor [eiser sub 2] , terwijl [de V.O.F.] , met [eiser sub 2] als vennoot, juist beoogde om de Software verder te ontwikkelen. Bij het aangaan van de Intentieverklaring rekende [gedaagde] op de licentievergoeding van [eiser sub 2] , terwijl [eiser sub 2] erop rekende dat hij gebruik kon maken van de verbeterde software. Na de Intentieverklaring heeft [eiser sub 2] de licentievergoeding ook nog eenmaal voldaan. Door het gerezen conflict over de implementatie van de door [de V.O.F.] ontwikkelde Software, het dataverlies van [eiser sub 2] en de wens van [gedaagde] dat [de V.O.F.] vanaf een eigen server zou werken is een nieuwe, ten tijde van Intentieverklaring onvoorziene, situatie ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag [gedaagde] niet verlangen dat [eiser sub 2] zijn klant blijft, indien hij niet kan profiteren van de ontwikkelingen van [de V.O.F.] . Het ligt daarom in de rede dat partijen met elkaar in onderhandeling treden over de door [de V.O.F.] voor de overname van [eiser sub 2] (en mogelijk andere klanten) te betalen vergoeding. Indien partijen daarover zelf geen overeenstemming bereiken is een bodemprocedure aangewezen. Gelet op de belangen van [eiser sub 2] om zijn klanten te bedienen en om gebruik te maken van de (doorontwikkelde) Software ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan [de V.O.F.] een verbod op te leggen. Verder blijkt uit niets dat [de V.O.F.] het (voortijdig) voorzien heeft op andere klanten van [gedaagde] . Het onder I. gevorderde verbod om Software ter beschikking te stellen aan (voormalige) klanten van [gedaagde] wordt daarom afgewezen.