Gepubliceerd op donderdag 26 februari 2026
IT 5117
Overige instanties ||
25 feb 2026
Overige instanties 25 feb 2026, IT 5117; ECLI:NL:RVS:2026:1033 ([appellant] tegen de Minister van Financiën), https://itenrecht.nl/artikelen/abrvs-inzagerecht-avg-strekt-niet-tot-verstrekking-naam-informant-belastingdienst

ABRvS: inzagerecht AVG strekt niet tot verstrekking naam informant Belastingdienst

ABRvS 25 februari 2026, IT 5117; ECLI:NL:RVS:2026:1033 ([appellant] tegen de Minister van Financiën). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Minister van Financiën de naam van een derde die informatie over een betrokkene aan de Belastingdienst heeft verstrekt, niet hoeft te verstrekken op grond van het inzagerecht van art.15 AVG. [appellant] had om inzage in zijn persoonsgegevens verzocht omdat hij vermoedde dat de Belastingdienst hem ten onrechte als fraudeur had aangemerkt en daarbij ook medische informatie had gebruikt. De minister verstrekte aanvullende persoonsgegevens en informatie over de bron, maar weigerde de naam van de informant bekend te maken. Volgens de minister betrof de naam geen persoonsgegeven van appellant en zou verstrekking bovendien de persoonlijke levenssfeer van de derde aantasten.  

De Afdeling stelt voorop dat een betrokkene in beginsel recht heeft op informatie over de bron van persoonsgegevens die niet bij hemzelf zijn verzameld. Dat recht is echter niet onbeperkt. Op grond van art. 15 lid 4 AVG mag het inzagerecht geen afbreuk doen aan de rechten en vrijheden van anderen. In geval van een conflict moet een belangenafweging plaatsvinden. De minister heeft volgens de Afdeling terecht het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de informant zwaarder laten wegen dan het belang van appellant bij kennisneming van diens identiteit en waarheidsvinding. Het inzagerecht strekt dus niet zover dat ook de naam van degene die gegevens heeft verstrekt moet worden prijsgegeven. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. 

5.1.    Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 1 februari 2023 heeft overwogen, is de minister op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder g, van de AVG in beginsel gehouden om [appellant] inzage te geven in alle beschikbare informatie over de bron van zijn persoonsgegevens, aangezien deze persoonsgegevens niet bij [appellant] zijn verzameld. [appellant] kan met zijn verzoek evenwel niet bereiken dat hij inzage krijgt in de naam van de persoon die gegevens over hem heeft verstrekt aan de Belastingdienst. In artikel 15, vierde lid, van de AVG is bepaald dat het recht op inzage in de eigen persoonsgegevens geen afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen. In geval van strijdigheid tussen enerzijds de volledige uitoefening van het recht van inzage van persoonsgegevens en anderzijds de rechten of vrijheden van anderen, moeten de betrokken rechten tegen elkaar worden afgewogen. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het belang van de bescherming van rechten en vrijheden van de persoon, wiens naam het betreft, zwaarder weegt dan het recht van [appellant] op inzage en zijn belang bij waarheidsvinding.

5.2.    Het betoog kan niet slagen.