25 sep 2025
A-G Spielmann over het begrip "gegevens over gezondheid" in het kader van doping in sport
HvJ EU Conclusie A-G 25 september 2025, IT 5066; ECLI:EU:C:2025:733 (NADA Austria e.a.). Sportregelgeving bevindt zich op het snijvlak van verschillende rechtsbronnen. Dit wordt geïllustreerd door de antidopingregelgeving, die het resultaat is van een gezamenlijk normatief project van de private en de publieke sector. Het Hof biedt voor het eerst de gelegenheid om bepaalde aspecten van de antidopingregelgeving te onderzoeken in het licht van de vereisten in verband met de bescherming van persoonsgegevens. In het kader van antidopingprocedures zijn tegen sporters AR, YT, DI en RN (hierna: verzoekers) schorsingsbeslissingen genomen. Deze schorsingen worden bekend gemaakt via een lijst op de website van de Nationale Anti Doping Agentur Austria (hierna: NADA). Verzoekers hebben verzocht om de vermelding te verwijderen, NADA gaf hier geen gehoor aan. Verzoekers hebben daarna een klacht ingediend. De verwijzende rechter stelde daarna de volgende vragen:
„1) Vallen verwerkingen van gegevens van personen, waardoor hun naam, de beoefende sport, de gepleegde overtreding van antidopingregels, de [opgelegde] sanctie alsmede de aanvang en het einde daarvan bekend worden gemaakt in de vorm van een vermelding in een tabel op het algemeen toegankelijke deel van de website op https://www.nada.at/de/recht/suspendierungen-sperren van [NADA], alsmede in algemeen toegankelijke persmededelingen van de [ÖADR] op https://www.oeadr.at, binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie in de zin van artikel 16, lid 2, eerste volzin, VWEU, zodat de [AVG] op een dergelijke verwerking van persoonsgegevens toepasselijk is?
Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
2) Is de informatie dat een bepaalde persoon een bepaalde overtreding van de antidopingregels heeft begaan en wegens deze overtreding is uitgesloten van deelname aan (nationale en internationale) wedstrijden een ‚gegeven over gezondheid’ in de zin van artikel 9 AVG?
3) Staat de AVG – met name gelet op artikel 6, lid 3, tweede alinea, ervan – in de weg aan een nationale regeling die voorziet in de bekendmaking van de naam van de door de beslissing van de ÖADR of de onafhankelijke arbitragecommissie geraakte personen, de duur van de schorsing en de redenen daarvoor, zonder dat daaruit gezondheidsgegevens van de betrokkene kunnen worden afgeleid? Speelt het daarbij een rol dat bekendmaking van deze informatie aan het grote publiek volgens de nationale regeling alleen achterwege kan blijven wanneer het bij de betrokkenen gaat om een recreatieve sporter, een minderjarige of een persoon die door informatie of andere aanwijzingen te verstrekken in belangrijke mate tot de opsporing van mogelijke overtredingen van de antidopingregels heeft bijgedragen?
4) Vereist de AVG – met name gelet op de beginselen van artikel 5, lid 1, onder a) en c), AVG – dat vóór de bekendmaking in elk geval een afweging wordt gemaakt tussen de persoonlijke belangen van de betrokkenen die door een bekendmaking worden geraakt enerzijds en het belang van het grote publiek bij de informatie betreffende de door een sporter gepleegde overtreding van de antidopingregels anderzijds?
5) Vormt de informatie dat een bepaalde persoon een bepaalde overtreding van de antidopingregels heeft begaan en op grond daarvan is uitgesloten van deelname aan (nationale en internationale) wedstrijden, een verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 AVG?
6) Indien de vijfde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moeten de activiteiten respectievelijk besluiten van de overheid waaraan overeenkomstig artikel 10 AVG het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen is opgedragen, door een rechter kunnen worden getoetst?
7) Is een klacht overeenkomstig artikel 77 AVG betreffende een aangevoerde inbreuk in het licht van artikel 17 AVG, waarbij er op het tijdstip van de indiening van de klacht bij de toezichthoudende autoriteit en van het besluit door de toezichthoudende autoriteit nog geen sprake was van verwerking van persoonsgegevens van de betrokkene maar de verwerking in de loop van de procedure voor de rechter in tweede aanleg heeft plaatsgevonden, ontvankelijk respectievelijk wordt deze nadien ontvankelijk wanneer er reeds bij de indiening van de klacht concrete aanwijzingen bestaan dat een verwerking van persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke op handen is dan wel in de nabije toekomst zal plaatsvinden?”
Volgens A-G Spielmann moet art. 2 lid 2 sub a AVG restrictief worden uitgelegd, daardoor is de AVG volledig van toepassing op de betrokken gegevensbewerking. "Gegevens over gezondheid" moet daarentegen ruim worden uitgelegd. Door de vermelding van de naam van de verboden stof bij de schorsing, kan dit leiden tot verwerking van gezondheidsgegevens in de zin van art. 9 AVG. Verder kunnen Bepaalde antidopingsancties zó zwaar en repressief zijn dat zij functioneel strafrechtelijk zijn, art. 10 AVG kan van toepassing zijn. Daaruit volgt dat verwerking alleen mag onder overheidstoezicht en met passende waarborgen, en dat rechterlijke toetsing vereist is. Verder moet de verwerkingsverantwoordelijke volgens de A-G per geval een belangenafweging maken. De publicatie moet evenredig zijn, gelet op de concrete omstandigheden van het geval. Automatische, wereldwijde publicatie van namen is niet vanzelfsprekend evenredig.
211. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 16, lid 2, eerste volzin, VWEU en artikel 2, lid 2, onder a), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG
moeten aldus worden uitgelegd dat
de verwerking van persoonsgegevens die krachtens de nationale antidopingregels bestaat in de publicatie van de namen van de betrokken sporters, de beoefende sportdiscipline, de gepleegde overtreding van de antidopingregels, de opgelegde sanctie en de aanvang en het einde van die sanctie, niet kan worden geacht te zijn verricht in het kader van ‚activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen’ in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van verordening 2016/679.
2) Artikel 9, lid 1, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het bekendmaken van de naam van de betrokken sporter, de duur van zijn schorsing en de redenen voor die schorsing geen verwerking van gegevens over gezondheid in de zin van die bepaling vormt, tenzij die redenen de naam vermelden van de verboden stof(fen) die in het lichaam van de betrokken sporter is/zijn aangetroffen, aangezien de vermelding van die stof(fen) direct of indirect informatie over de gezondheidstoestand, waaronder de toekomstige gezondheidstoestand, van de betrokken sporter kan onthullen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
3) Artikel 5, lid 1, onder a) en c), en artikel 6, lid 3, tweede alinea, van verordening 2016/679
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich verzetten tegen een verplichting voor nationale antidopingorganisaties om persoonsgegevens te publiceren – zoals de naam van de sporters die zijn gestraft wegens overtreding van de antidopingregelgeving, de duur van de opgelegde schorsing en de redenen daarvoor (in het bijzonder de naam van de verboden stof) – wanneer, gelet op de specifieke omstandigheden van het geval, niet of niet meer aan het evenredigheidsvereiste wordt voldaan, met name wat betreft de reikwijdte en de duur van de publicatie, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
4) Artikelen 5 en 6 van verordening 2016/679, gelezen in het licht van alle op de verwerkingsverantwoordelijke rustende verplichtingen en verantwoordelijkheden,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij vereisen dat de verwerkingsverantwoordelijke, vóór de verwerking van de gegevens, per geval een afweging maakt van de betrokken belangen indien dat noodzakelijk is om de persoonsgegevens in overeenstemming met verordening 2016/679 te verwerken.
5) Artikel 10 van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het van toepassing kan zijn op de verwerking van persoonsgegevens betreffende veroordelingen of strafbare feiten waarin de nationale antidopingregelgeving voorziet, aangezien, ongeacht de kwalificatie van die strafbare feiten naar nationaal recht, de veroordelingen die daaruit voortvloeien een repressief doel dienen en zodanig zwaar zijn dat zij een effect hebben dat gelijkwaardig is aan een strafrechtelijke sanctie, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
6) Artikel 10 van verordening 2016/679, gelezen in het licht van artikel 79, lid 1, daarvan,
moet aldus worden uitgelegd dat
de activiteiten of besluiten van een autoriteit waaraan op grond van die bepaling het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen is toevertrouwd, aan rechterlijke toetsing moeten kunnen worden onderworpen.
7) Artikel 77 van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
– een klacht op grond van artikel 17 van deze verordening (gestelde schending van het recht op gegevenswissing) niet-ontvankelijk is wanneer deze betrekking heeft op een verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene, bestaande in de bekendmaking van die gegevens, die – hoewel aanstaande – noch op het tijdstip van de indiening van de klacht van die persoon bij de toezichthoudende autoriteit, noch op het tijdstip van de vaststelling van het besluit van die autoriteit had plaatsgevonden, onverminderd de eventuele ontvankelijkheid van een klacht met betrekking tot een verwerking van persoonsgegevens die niet louter hypothetisch is en waarvoor de toezichthoudende autoriteit preventieve of conservatoire maatregelen kan nemen;
– het zich, gelezen in het licht van artikel 78, lid 1, van verordening 2016/679, niet verzet tegen de ontvankelijkheid van een klacht die de toezichthoudende autoriteit eerder niet-ontvankelijk heeft verklaard, wanneer de gegevensverwerking plaatsvindt terwijl het beroep betreffende dezelfde feiten bij de rechter aanhangig is. Het staat aan de interne rechtsorde om, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, de voorwaarden vast te stellen voor een dergelijke ontvankelijkheid, zowel bij de toezichthoudende autoriteit als bij de rechter, zodat de doeltreffende bescherming van de door verordening 2016/679 gewaarborgde rechten, de coherente en homogene toepassing van de bepalingen ervan en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte worden gewaarborgd.”