Gepubliceerd op maandag 24 juli 2023
IT 4324
Rechtbank Gelderland ||
20 jul 2023
Rechtbank Gelderland 20 jul 2023, IT 4324; ECLI:NL:RBGEL:2023:4184 (Eiser/de Minister voor Rechtsbescherming), https://itenrecht.nl/artikelen/verzoek-inzage-persoonsgegevens-ten-onrechte-afgewezen

Verzoek inzage persoonsgegevens ten onrechte afgewezen

Rechtbank Gelderland 20 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4184, IT 4324 (Eiser/de Minister voor Rechtsbescherming) Bestuursprocesrecht. In deze zaak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen een afwijzing van zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens. Eiser heeft twee omgevingsvergunningen aangevraagd, die zijn afgewezen omdat de gemeente via een landelijk adviesorgaan te horen kreeg dat er een ernstig vermoeden bestaat dat eiser zich schuldig maakt aan witwassen. Naar aanleiding van deze afwijzing heeft eiser een verzoek om inzage tot de minister van Rechtsbescherming gericht. Dat verzoek is afgewezen, waarop eiser beroep heeft ingesteld.

Het verzoek is deels afgewezen, voor zover het inzage in de adviezen van het landelijk adviesorgaan en de interne notities bij het dossier van eiser betreft. Inzage in de overige gegevens is toegewezen. De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister van Rechtsbescherming correct is, behalve waar het gaat om de interne notities. De minister van Rechtsbescherming beroept zich op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit zou blijken dat mails en notities die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg niet onder het inzagerecht vallen. Deze interpretatie wordt niet gevolgd. Ook interne notities vallen onder het inzagerecht. De rechtbank oordeelt dat de interne notities bij het dossier van eiser aan de inzage moeten worden toegevoegd.

11.2 In de door de minister genoemde jurisprudentie wordt verwezen naar uitspraken van de Hoge Raad van 29 juni 2007. Het standpunt van de minister dat daaruit volgt inhoudende dat het inzagerecht zich niet uitstrekt tot interne notities die persoonlijke gedachten van betrokken ambtenaren bevatten en uitsluitend voor intern overleg en beraad zijn bedoeld, volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020 volgt, zo begrijpt de rechtbank, dat de jurisprudentie van de Hoge Raad van 2007 niet ziet op de situatie dát er geautomatiseerde verwerking in bestanden heeft plaatsgehad, maar dat het meer ging om de vraag óf de persoonsgegevens wel in een bestand waren opgenomen. Die vraag speelt niet bij geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, zoals bij e-mails, wat hier aan de orde is. De verwijzing van de minister naar de jurisprudentie van de rechtbanken van een latere datum dan de door deze rechtbank genoemde uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2020 maakt dat niet anders. Dat er e-mails zijn verzonden door het LBB naar de gemeente blijkt uit het overzicht bij nummer 112 en 113. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling kon de minister naar het oordeel van de rechtbank niet volstaan met de enkele vermelding dat sprake is van een interne notitie dan wel document en om die reden inzage weigeren. Deze beroepsgrond slaagt