10 nov 2025
Verzekeraar krijgt geen inzage in politierapport na overlijden verzekerde
Rb. Noord-Holland 10 november 2025, IT 5060; ECLI:NL:RBNHO:2025:13692 (IptiQ tegen de politie). IptiQ is een verzekeraar en heeft in 2022 met wijlen [R.] en [D.] een overlijdensrisicoverzekering afgesloten. Een algemene uitsluitingsclausule bestaat wanneer het overlijden het gevolg is van zelfdoding of een poging daartoe. Dit geldt alleen als de (poging tot) zelfdoding heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na de ingangsdatum van de verzekering. [R.] is op 20 januari 2023 overleden door een treinongeluk. De exacte toedracht was onduidelijk. Sedgwick, in opdracht van IptiQ, had geprobeerd informatie te verkrijgen bij de politie, maar kreeg te horen dat er geen wettelijke grondslag bestond voor verstrekking. De politie had aangegeven dat nabestaanden via een rouwverzoek eventueel inzage konden krijgen, maar de nabestaanden wilden dat niet. IptiQ verzocht daarom de rechtbank om afgifte van de processen-verbaal op grond van artikel 196 Rv (voorlopige bewijsverrichting). In deze verzoekschriftprocedure staat de vraag centraal of de politie gehouden is om de gegevens die naar aanleiding van het overlijden van een verzekerde van IptiQ zijn opgemaakt aan IptiQ als verzekeraar beschikbaar te stellen. IptiQ stelt recht en belang te hebben bij afgifte van deze gegevens om de oorzaak van het overlijden van haar verzekerde, welke oorzaak niet vaststaat, te achterhalen. Het is volgens haar de enige manier waarop objectief kan worden vastgesteld onder welke omstandigheden haar verzekerde is overleden. Zij vordert op grond van artikel 196 Rv afgifte van de door de politie opgemaakte gegevens. De politie verzet zich tegen dit verzoek.
De rechtbank wijst het verzoek af omdat er gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige bewijsverrichting. Bij de beoordeling of IptiQ recht heeft op inzage of afschrift hiervan heeft te gelden dat deze gegevens politiegegevens zijn in de zin van de Wpg. Het gaat hier namelijk om persoonsgegevens die in het kader van de uitoefening van de politietaak zijn verwerkt. De ambtenaar van de politie of de persoon aan wie politiegegevens ter beschikking zijn gesteld, is ingevolge artikel 7 Wpg verplicht tot geheimhouding daarvan. Deze geheimhoudingsplicht kan alleen opzij worden gezet door een in de Wpg gegeven voorschrift. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het hier gaat om een gesloten verstrekkingenregime waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verstrekking of inzage ten behoeve van een betrokkene (degene over wie politiegegevens zijn verwerkt) en verstrekking of inzage aan een derde. Informatieverstrekking aan een derde, zoals in dit geval aan IptiQ, is alleen mogelijk in gevallen die specifiek worden genoemd in de Wpg en het Besluit Politiegegevens. Die bieden ze niet. De politie heeft zich aldus te houden aan het gesloten verstrekkingenstelsel van de Wpg. Dat dit voor derden, zoals Iptiq, mogelijk onwelgevallige gevolgen kan hebben, maakt niet dat doorbreking van dit stelsel in dit geval is gerechtvaardigd. Het verzoek van IptiQ wordt afgewezen en moet, als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten betalen.
4.15. IptiQ heeft tot slot nog tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de politie op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) wel gehouden kan zijn tot verstrekking van bepaalde gegevens. Voor zover IptiQ hiermee heeft bedoeld te betogen dat daarom de verzochte gegevens zouden moeten worden verstrekt, faalt dit betoog. Zoals namens de politie terecht naar voren is gebracht, gaat het in deze zaak niet om strafvorderlijke gegevens. Hierdoor mist de Wjsg in dit geval toepassing. Aan het enkele feit dat deze wet- en regelgeving voor strafvorderlijke gegevens een bevoegdheid - geen verplichting - schept tot verstrekking daarvan in bepaalde gevallen, kan geen recht op verstrekking van niet-strafvorderlijke gegevens zoals in dit geval worden ontleend.