14 jul 2026,
Verbod op negatieve uitlatingen over ex-echtgenote op sociale media blijft in stand
Gerechtshof Amsterdam 14 juli 2026, IT 5468; ECLI:NL:GHAMS:2026:2165 ([appellant] tegen [geïntimeerde]). In dit kort geding gaat [appellant] in hoger beroep tegen een vonnis dat hem verbiedt zich in het openbaar negatief uit te laten over [geïntimeerde], zijn (ex-)echtgenote. Partijen trouwden in augustus 2024 in Iran, maar gingen daarna niet samenwonen. [appellant] verbleef in Nederland en [geïntimeerde] in Iran. Vanaf december 2024 plaatste [appellant] op Instagram en Telegram berichten waarin hij [geïntimeerde] onder meer beschuldigde van oplichting, drugsgebruik, overspel en banden met het Iraanse regime. Ook deelde hij foto's en video's van haar, waaronder privéfoto's waarop zij zonder hijab te zien is en een foto van hun huwelijksakte. De voorzieningenrechter verbood [appellant] deze beschuldigingen openbaar te maken, droeg hem op de berichten, foto's en video's te verwijderen en verplichtte hem een rectificatie te plaatsen. Aan de veroordelingen koppelde de rechtbank een dwangsom van € 500 per dag tot maximaal € 25.000. In hoger beroep stelt [appellant] onder meer dat zijn uitlatingen onder zijn vrijheid van meningsuiting vallen.
Het hof past, net als de voorzieningenrechter, Iraans recht toe omdat [appellant] daartegen geen grief heeft gericht. Het acht niet aannemelijk dat de beschuldigingen aan het adres van [geïntimeerde] op waarheid berusten. Er zijn geen aanwijzingen dat zij deel uitmaakt van een oplichtersbende of zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting, drugsgebruik of overspel. De uitlatingen en beelden zijn volgens het hof bovendien zeer schadelijk voor [geïntimeerde]. De beschuldigingen kunnen in Iran tot zware straffen leiden en ook het zonder hijab verschijnen is daar strafbaar. De gedeelde foto's van de huwelijksvoltrekking waren bovendien alleen voor privégebruik bedoeld. Het beroep op de vrijheid van meningsuiting slaagt daarom niet. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met art. 1, 8 en/of 10 van de Iraanse Wet op de burgerlijke aansprakelijkheid. Het verbod op de negatieve uitlatingen, de verwijderingsplicht, de rectificatie en de dwangsom blijven in stand. Omdat niet blijkt dat [appellant] al aan de eerdere veroordelingen heeft voldaan, ziet het hof ook geen reden om de dwangsom te matigen. Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt [appellant] tot € 2.942 aan proceskosten in hoger beroep.
4.10. Het betoog van [appellant] dat de uitlatingen vallen onder zijn vrijheid van meningsuiting en dat deze uitlatingen niet zodanig kwetsend zijn als [geïntimeerde] beweert, gaat niet op. Het hof acht de uitlatingen en het plaatsen van de foto’s en video’s weldegelijk (zeer) schadelijk voor [geïntimeerde] . De uitlatingen van [appellant] kunnen [geïntimeerde] potentieel in gevaar brengen in Iran en hij heeft haar hiermee reputatieschade berokkent. Zoals namens [geïntimeerde] is aangevoerd, en van de zijde van [appellant] niet is betwist, staan op oplichting, drugsgebruik en overspel zware straffen in Iran. Bovendien is het strafbaar in Iran als een vrouw geen hijab draagt. Het is daarom zeer bezwaarlijk dat [appellant] foto’s heeft gedeeld van [geïntimeerde] zonder hijab. De foto’s die van de huwelijksvoltrekking zijn gemaakt, waarbij [geïntimeerde] geen hijab draagt, waren alleen bedoeld voor privé gebruik en niet voor publicatie in het openbaar. [appellant] kan daarom zijn handelen – ook gelet op het hiervoor geduide kwetsende en schadelijke karakter daarvan – niet rechtvaardigen met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. [appellant] heeft met zijn uitlatingen de grenzen van het toelaatbare overschreden.
4.11. Het hof acht op grond van het voorgaande voldoende aannemelijk dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1, 8 en/of 10 van de Iraanse Wet op de Burgerlijke aansprakelijkheid. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Dat betekent – samengevat – dat het aan [appellant] opgelegde verbod om zich negatief uit te laten over [geïntimeerde] en de veroordelingen om de geplaatste foto’s, video’s en grievende berichten over [geïntimeerde] te verwijderen en een rectificatie te plaatsen, in stand blijven.
4.12. Niet is gebleken dat [appellant] aan de veroordelingen in het bestreden vonnis heeft voldaan en/of dat hij de uitlatingen heeft verwijderd. De veroordeling van [appellant] om een dwangsom te betalen van € 500,- per dag, tot een maximum van € 25.000,-, blijft in stand. [appellant] heeft aangevoerd dat de feiten en omstandigheden niet een zodanig hoge veroordeling rechtvaardigen en dat [geïntimeerde] met de gevorderde dwangsom tot doel heeft om [appellant] financieel uit te kleden. Het hof ziet geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van [appellant] tot matiging van de dwangsom. Er bestaat geen aanwijzing dat het opleggen van een lagere dwangsom door [appellant] wel als prikkel tot nakoming wordt ervaren.