Gepubliceerd op vrijdag 9 juli 2021
IT 3588
Rechtbank ||
2 jul 2021
Rechtbank 2 jul 2021, IT 3588; ECLI:NL:RBDHA:2021:6769 (Gemeente Bodegraven tegen gedaagden), https://itenrecht.nl/artikelen/uitlatingen-over-satanisch-pedofiel-netwerk-moeten-worden-verwijderd

Uitlatingen over satanisch-pedofiel netwerk moeten worden verwijderd

Vzr. Rechtbank Den Haag 2 juli 2021, IEF 20074, IT 3588; ECLI:NL:RBDHA:2021:6769 (Gemeente Bodegraven tegen gedaagden) Kort geding. Drie mannen verspreiden al geruime tijd online verhalen over een satanisch-pedofiel netwerk in Bodegraven. Zij noemen namen van mensen die daarbij volgens hen betrokken zijn (als dader of slachtoffer) en roepen medestanders op tot actie, waaronder het leggen van bloemen op een gemeentelijke begraafplaats. De rechter oordeelt dat de drie mannen direct moeten stoppen met hun acties en de al gepubliceerde verhalen van het internet moeten verwijderen. Er is geen enkel objectief bewijs voor de vergaande aantijgingen, die veel onrust onder burgers veroorzaken. De 'hervonden herinneringen' van een van de mannen vormen geen objectief bewijs. Het belang van de gemeente en haar inwoners om gevrijwaard te blijven van ongefundeerde verdachtmakingen weegt in dit geval zwaarder dan de vrijheid van meningsuiting van de drie mannen.

4.9. Aan de onrechtmatigheid van het handelen van [gedaagden] doet niet af dat het in dit geval verhalen over kindermisbruik betreft. [gedaagden] kunnen uiteraard worden gevolgd in hun standpunt dat het bestaan van een satanisch-pedofiel netwerk een ernstige misstand betreft, waarvoor in beginsel publiekelijk aandacht mag worden gevraagd. Echter, gezien de onmiskenbaar verstrekkende gevolgen die in dit geval de uitlatingen voor de daarbij direct betrokkenen en de openbare orde en veiligheid binnen de Gemeente hebben, mag van [gedaagden] worden verlangd dat zij hun uitlatingen slechts doen, indien die van een deugdelijke feitelijke onderbouwing zijn voorzien. Hieraan ontbreekt het echter volledig. De uitlatingen van [gedaagden] zijn immers feitelijk slechts gebaseerd op beweerdelijk ‘hervonden’ herinneringen van [gedaagde 2] . Deze herinneringen vinden echter geen enkele steun in thans beschikbaar objectief feitenmateriaal. Exemplarisch is in dit verband de door [gedaagden] als feit gepresenteerde stelling dat de broer van [eiser 2] wegens betrokkenheid bij het netwerk zelfmoord heeft gepleegd door voor een trein te springen. Die stelling wordt op geen enkele wijze met objectief bewijsmateriaal gestaafd, hetgeen bij een dergelijke verstrekkende stelling wel had mogen worden verwacht. Dit klemt te meer nu ter zitting uit de officiële overlijdensakte van de broer van [eiser 2] is geciteerd, waarin een natuurlijke doodsoorzaak staat vermeld. Die doodsoorzaak strookt met hetgeen [eiser 2] daarover steeds heeft gesteld en maakt tevens duidelijk dat ook voor het gestelde verhullen van de daadwerkelijke doodsoorzaak door [eiser 2] elke onderbouwing ontbreekt.