Gepubliceerd op donderdag 20 augustus 2026
IT 5464
Rechtbank Noord-Holland ||
20 jul 2026,
Rechtbank Noord-Holland 20 jul 2026,, IT 5464; ECLI:NL:RBNNE:2026:3083 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/technische-mogelijkheid-van-cameratoezicht-kan-onrechtmatige-privacy-inbreuk-opleveren

Technische mogelijkheid van cameratoezicht kan onrechtmatige privacy-inbreuk opleveren

Rb. Noord-Nederland 20 juli 2026, IT 5464; ECLI:NL:RBNNE:2026:3083 ([eiser] tegen [gedaagden]). In deze zaak vordert [eiser] in kort geding dat zijn buren, [gedaagden], twee beveiligingscamera’s verwijderen dan wel zodanig aanpassen dat deze niet op zijn woning en tuin kunnen worden gericht en geen geluid van zijn perceel kunnen opnemen. De camera’s hangen in de tuin van [gedaagden] op een hoogte van ten minste 2,40 meter, steken boven de schutting uit en zijn vanuit de tuin van [eiser] zichtbaar; de beweegbare camera is ook vanuit zijn slaapkamer te zien. [eiser] stelt dat hij hierdoor niet onbespied van zijn tuin kan gebruikmaken en dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer. [gedaagden] voeren aan dat de camera’s vanwege eerdere conflicten tussen partijen ter beveiliging zijn geplaatst, uitsluitend hun eigen woning en tuin filmen en geen geluid opnemen. Uit door hen verstrekte screenshots zou bovendien blijken dat de tuin van [eiser] niet in beeld komt. 

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het richten van een camera op de woning of besloten tuin van een ander in beginsel een onrechtmatige inbreuk op diens privacy vormt, behoudens een rechtvaardigingsgrond. Hoewel niet aannemelijk is geworden dat de camera’s daadwerkelijk op het perceel van [eiser] zijn gericht, kan volgens de rechtbank onder omstandigheden ook een dreigende of vermeende inbreuk onrechtmatig zijn. Gelet op de verstoorde burenrelatie, de zichtbaarheid van de camera’s en de onbetwiste technische mogelijkheid om daarmee de tuin van [eiser] waar te nemen, heeft [eiser] er een gerechtvaardigd belang bij zich in zijn eigen tuin onbespied te weten. [gedaagden] hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt waarom de camera’s voor de beveiliging van hun eigen perceel boven de schutting moeten uitsteken. De rechtbank veroordeelt hen daarom de camera’s te verwijderen of op een hoogte van maximaal 2 meter te plaatsen, waarbij zij aansluiting zoekt bij de in art. 5:49 BW genoemde maximale hoogte van een erfafscheiding. Daarmee blijft het beveiligingsbelang van [gedaagden] voldoende gewaarborgd zonder het privacybelang van [eiser] onevenredig te schaden. Aan de veroordeling wordt een dwangsom van € 250 per dag verbonden, tot maximaal € 5.000. De afzonderlijke vordering met betrekking tot geluidsopnamen wordt afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de camera’s daadwerkelijk geluid opnemen en hij, gelet op de bevolen verplaatsing, onvoldoende afzonderlijk belang bij dat verbod heeft. De proceskosten worden vanwege het karakter van het burengeschil gecompenseerd. 

4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder omstandigheden ook een vermeende/dreigende inbreuk op het recht op privacy als onrechtmatig kan worden beschouwd. Iedereen heeft er in beginsel belang bij zich in de eigen tuin onbespied te weten en niet te hoeven vrezen voor mogelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het feit dat, zoals in deze procedure genoegzaam is komen vast te staan, de verhoudingen tussen [eiser] en [gedaagden] in de loop der tijd zijn verslechterd en het feit dat de beide camera’s van [gedaagden] voor [eiser] goed zichtbaar zijn, zoals ook is gebleken uit diverse door [eiser] overgelegde foto’s, kan de voorzieningenrechter [eiser] in beginsel volgen in het door hem als zodanig ervaren ongemak dat voortvloeit uit - wat er verder zij van de bestaande instellingen daarvan - de mogelijkheid die deze camera’s in zich dragen om waar te nemen wat er zich in zijn eigen ( [eiser] ’s) tuin afspeelt.