Gepubliceerd op dinsdag 25 augustus 2026
IT 5469
Rechtbank Den Haag ||
3 jul 2026,
Rechtbank Den Haag 3 jul 2026,, IT 5469; ECLI:NL:RBDHA:2026:21394 (Computacenter en Protinus tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/staat-mocht-minicompetitie-voor-cisco-apparatuur-intrekken-wegens-afwijkende-berekeningsmethode

Staat mocht minicompetitie voor Cisco-apparatuur intrekken wegens afwijkende berekeningsmethode

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IT 5469; ECLI:NL:RBDHA:2026:21394 (Computacenter en Protinus tegen de Staat). In deze zaak gaat het om een minicompetitie onder de raamovereenkomst ROAD2023 Netwerken voor de levering van Cisco-netwerk- en beveiligingsapparatuur aan Rijkswaterstaat. De Staat sloot die raamovereenkomst na een aanbesteding in 2024 met vier partijen, waaronder Computacenter en Protinus. In de raamovereenkomst wordt het opslagpercentage van de leverancier berekend over de prijs van de fabrikant of distributeur. In de nadere offerteaanvraag voor de minicompetitie koos de Staat een andere systematiek: de gemiddelde opslag werd afgetrokken van de gemiddelde korting op de bruto Cisco-prijslijst, waarna het resulterende nettokortingspercentage op de listprijs werd toegepast. Computacenter schreef in, maar de Staat legde haar inschrijving terzijde omdat zij in het tabblad Totaal NOK een hoger opslagpercentage had ingevuld dan het maximum uit de raamovereenkomst. Kort daarna trok de Staat de hele minicompetitie in. Volgens de Staat week de berekeningsmethode in de uitvraag af van de raamovereenkomst en waren de spelregels rond korting en opslag onvoldoende duidelijk, waardoor de inschrijvingen niet goed vergelijkbaar waren. Protinus vordert dat de Staat de intrekking ongedaan maakt en de minicompetitie voortzet. Computacenter stelt voorwaardelijke vorderingen voor het geval de minicompetitie toch wordt voortgezet en wil dan dat de Staat haar inschrijving alsnog beoordeelt, herstelt of corrigeert. 

De voorzieningenrechter laat de intrekking in stand. Op grond van het arrest Croce Amica mag een aanbestedende dienst een aanbesteding intrekken als hij de beginselen van gelijke behandeling en transparantie respecteert. Intrekking is niet beperkt tot uitzonderlijke gevallen en hoeft niet op gewichtige redenen te berusten; de rechter toetst wel volledig of de intrekking rechtmatig is. De afwijkende berekeningsmethode rechtvaardigt volgens de voorzieningenrechter op zichzelf al de intrekking. De raamovereenkomst berekent de opslag over de inkoopprijs, terwijl de minicompetitie de opslag van het kortingspercentage aftrekt en het nettokortingspercentage vervolgens op de listprijs toepast. Dat is een wezenlijk andere systematiek die bij dezelfde prijs-, korting- en opslagpercentages tot verschillende uitkomsten leidt. De rechtbank hoeft daarom niet meer te beoordelen of ook de andere door de Staat genoemde onduidelijkheden de intrekking dragen. Dat de Staat het gebrek zelf heeft veroorzaakt en de inschrijvers hem daar vóór hun inschrijving niet op hebben gewezen, verandert niet dat hij de minicompetitie mocht intrekken. De primaire vordering van Protinus wordt afgewezen. Voor haar subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen over de heraanbesteding ontbreekt spoedeisend belang. Omdat de voorwaarde voor de vorderingen van Computacenter in haar eigen zaak niet is vervuld, komt de voorzieningenrechter niet aan de inhoudelijke beoordeling daarvan toe. Ook haar vordering als tussenkomende partij om de Staat tot handhaving van de intrekking en eventuele heraanbesteding te verplichten wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. 

5.1. De huidige stand van zaken is dat de Staat de minicompetitie heeft ingetrokken vanwege een ernstig gebrek in de uitvraag waardoor de ontvangen inschrijvingen niet (voldoende) onderling vergelijkbaar zijn. Dit is volgens de Staat (als eerste) het geval omdat in de uitvraag een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage is gehanteerd dan in de raamovereenkomst (ROK) is vastgelegd. Volgens Computacenter rechtvaardigt dit de intrekking van de minicompetitie, maar volgens Protinus niet.

5.2. Daarbij doet zich de enigszins bijzondere situatie voor dat, alhoewel het een besluit van de Staat is, de Staat zijn besluit niet nader heeft toegelicht en ook niet heeft betoogd dat en waarom zijn besluit stand zou moeten houden: de Staat refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is deze proceshouding van de Staat ingegeven doordat de Staat (met name) Computacenter kwalijk neemt dat zij niet voorafgaand aan inschrijving aan de orde heeft gesteld dat de Staat de gewijzigde berekeningssystematiek niet had mogen hanteren, ondanks dat zij dit toen al heeft geconstateerd. Wat daar echter ook van zij, de Staat heeft het besluit genomen om de minicompetitie in te trekken. De voorzieningenrechter moet beoordelen of de redenen die de Staat daar in zijn beslissing voor heeft gegeven die beslissing kunnen rechtvaardigen. 

5.3. Bij die beoordeling gelden de maatstaven zoals die volgen uit het ‘Croce Amica’- arrest1. In dat arrest is de vrijheid van de Staat om een aanbesteding in te trekken bevestigd, als hij daarbij tenminste de beginselen van gelijke behandeling en transparantie in acht neemt. Het Hof heeft verder de regel bevestigd dat de aanbestedende dienst niet slechts in uitzonderlijke gevallen van het plaatsen van een overheidsopdracht kan afzien en dat het besluit daartoe niet noodzakelijkerwijs op gewichtige redenen behoeft te berusten. De rechter moet integraal (vol) toetsen of de intrekking van de aanbestedingsprocedure rechtmatig is.

5.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de Staat in de intrekkingsbeslissing duidelijke redenen heeft meegedeeld voor zijn beslissing. De als eerst genoemde reden, dat in de uitvraag een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage is gehanteerd dan in de raamovereenkomst (ROK) is vastgelegd, rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al de intrekking door de Staat van de minicompetitie. In de minicompetitie wordt het opslagpercentage (mark-up) niet toegepast op de inkoopprijs, zoals in de raamovereenkomst tot uitgangspunt wordt genomen, maar afgetrokken van het kortingspercentage. Het resulterende nettokortingspercentage wordt vervolgens toegepast op de listprijs (GPL-prijs). Dit is een wezenlijk andere berekeningssystematiek dan die welke in het kader van de raamovereenkomst is gehanteerd. Dit leidt ook daadwerkelijk tot verschillende uitkomsten bij gebruik van dezelfde listprijs en hetzelfde kortingspercentage en opslagpercentage. Of er overigens ook sprake was van al de onduidelijkheden, die in dit geding naar voren zijn gebracht, kan gelet daarop in het midden blijven.