7 jul 2026,
Rb. Zeeland-West-Brabant acht zich bevoegd in internationale crypto boilerroomzaak
Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juni 2026, IT&Recht 5341; ECLI:N:RBZWB:2026:5959 (Kyrrex tegen [persoon]). In deze zaak tussen Kyrrex en [persoon] staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft kennis te nemen van een vordering wegens vermeende betrokkenheid bij internationale crypto boilerroomfraude en, indien dat het geval is, of de zaak wegens samenhang moet worden verwezen naar de rechtbank Den Haag, waar al vergelijkbare procedures tegen Kyrrex aanhangig zijn. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat zij op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv rechtsmacht heeft en ziet geen aanleiding de zaak naar de rechtbank Den Haag te verwijzen. [persoon] stelt dat hij slachtoffer is geworden van crypto boilerroomfraude waarbij meerdere aan Kyrrex gelieerde vennootschappen betrokken zouden zijn. Naast Kyrrex UK Ltd. zijn volgens hem ook andere vennootschappen uit onder meer Cyprus, Malta en St. Vincent & The Grenadines bij de fraude betrokken. Kyrrex voert in een incident aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd is, omdat de onderneming in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd, geen activiteiten in Nederland verricht, niet operationeel is wegens het ontbreken van een vergunning en zich nooit op de Nederlandse markt heeft gericht. Volgens Kyrrex biedt de enkele omstandigheid dat de gestelde financiële schade zich op een Nederlandse bankrekening heeft voorgedaan onvoldoende aanknopingspunten voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Subsidiair verzoekt Kyrrex verwijzing naar de rechtbank Den Haag, waar reeds ongeveer twintig vergelijkbare procedures tegen haar lopen. De rechtbank stelt voorop dat zij haar bevoegdheid moet beoordelen aan de hand van artikel 6, aanhef en onder e Rv, dat rechtsmacht toekent wanneer het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich daar kan voordoen. Zij acht zich bevoegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de bankrekening waarvan gelden zijn verdwenen in Nederland wordt aangehouden, dat de vermogensvermindering zich in Nederland heeft voorgedaan en dat [persoon] in Nederland woont. Volgens de rechtbank is de schade daarmee in Nederland geleden. De rechtbank verwerpt tevens het betoog dat Kyrrex zich niet op de Nederlandse markt zou hebben gericht. Volgens de rechtbank wordt die stelling weersproken door het relatief grote aantal Nederlandse benadeelden dat zich inmiddels heeft gemeld.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat het uitgangspunt dat een partij moet kunnen voorzien voor welke rechter zij kan worden gedaagd, in dit soort gevallen niet onverkort geldt voor een vermeende medeplegende facilitator van grensoverschrijdende digitale cryptofraude. Wanneer fraude zich over meerdere jurisdicties uitstrekt en gebruik wordt gemaakt van een ondoorzichtige structuur van buitenlandse rechtspersonen, kan een dergelijke facilitator zich volgens de rechtbank niet met succes beroepen op het ontbreken van voorzienbaarheid ten opzichte van consumenten die daarvan schade hebben geleden. Dat geen consumentenovereenkomst bestaat, maar uitsluitend een gestelde onrechtmatige daad, doet daaraan volgens de rechtbank niet af. Verder overweegt de rechtbank dat benadeelde consumenten bij internationale cryptofraude vaak worden geconfronteerd met een complex netwerk van rechtspersonen die in verschillende jurisdicties zijn gevestigd, waarbij effectieve rechtsbescherming niet steeds is gewaarborgd. Van een individuele consument kan volgens de rechtbank niet worden verlangd dat hij binnen een dergelijke constructie achterhaalt welke entiteit precies verantwoordelijk is of waar de fraudebaten uiteindelijk terecht zijn gekomen. Een effectieve rechtsbescherming brengt daarom mee dat de bevoegdheidsregels in dergelijke gevallen ruim worden uitgelegd. De woonplaats van de benadeelde, de plaats waar diens bankrekening wordt aangehouden en waar de vermogensschade zich manifesteert, vormen volgens de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Ook het subsidiaire verzoek tot verwijzing naar de rechtbank Den Haag wordt afgewezen. Hoewel de rechtbank erkent dat de onderhavige procedure overeenkomsten vertoont met de reeds aanhangige Haagse zaken, acht zij het belang van [persoon] bij een zelfstandige beoordeling van zijn vordering en bij behoud van eigen procesregie zwaarder wegen dan het proceseconomische belang van Kyrrex. Daarbij betrekt de rechtbank dat [persoon] geen partij is in de Haagse procedures, stelt dat de wijze waarop hij is benadeeld afwijkt van de andere zaken en over eigen bewijsmiddelen beschikt. Volgens de rechtbank brengt de partijautonomie mee dat [persoon] zijn eigen procesregie mag behouden. Dat hierdoor mogelijk uiteenlopende rechterlijke uitspraken ontstaan, moet volgens de rechtbank worden aanvaard. De rechtbank verklaart zich daarom bevoegd om van de vordering kennis te nemen, wijst zowel het bevoegdheidsincident als het verwijzingsincident af en veroordeelt Kyrrex in de proceskosten van de incidenten, vastgesteld op € 1.306 aan salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen aan de veroordeling wordt voldaan. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door Kyrrex.
3.3. In verband met het bepaalde in artikel 6 aanhef en onderdeel e Rv stelt de rechtbank vast dat de geplunderde bankrekening in Nederland werd aangehouden en dat de vermogensvermindering in Nederland is geleden alwaar [persoon] woonachtig is. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit voor [persoon] dat zijn schade als gevolg van de crypto boilerroom fraude in Nederland is geleden mede gelet op zijn woonplaats in Nederland. De stelling dat Kyrrex haar activiteiten zich niet richtte op het Nederlandse publiek wordt gelogenstraft door het relatief grote aantal in Nederland woonachtige benadeelde partijen. Het uitgangspunt in internationale zaken dat het voor een partij voorzienbaar behoort te zijn voor welke rechter hij kan worden gesleept, geldt niet onverkort voor een zogenoemde medeplegende facilitator van digitale crypto fraude, die zich in verscheidene jurisdicties afspeelt en die in verscheidene jurisdicties wordt versluierd alwaar benadeelden geen dan wel onvoldoende rechtsbescherming wordt geboden. Deze voorzienbaarheid mag zo’n facilitator dan niet met succes tegenover consumenten/benadeelden inroepen. Dat met deze consumenten/benadeelden geen consumentenovereenkomst is gesloten en dat niet uit dien hoofde tegen de facilitator wordt geageerd, maar uit hoofde van een delictuele aansprakelijkheid is naar het oordeel van de rechtbank irrelevant. De facilitator behoort in de gegeven omstandigheden ervanuit te gaan dat hij zich in Nederland ten overstaan van de Nederlandse rechter zal moeten kunnen verantwoorden.